Terug
Gepubliceerd op 10/02/2025

2025_CBS_00732 - Omgevingsvergunning. Advies hogere overheid. Gunstig advies - OMV_2024140958. Scheldelaan 600. District Antwerpen - Goedkeuring

college van burgemeester en schepenen
vr 07/02/2025 - 09:00 Stadhuis
Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig

Koen Kennis, waarnemend burgemeester; Patrick Janssens, schepen; Elisabeth van Doesburg, schepen; Nabilla Ait Daoud, schepen; Lien Van de Kelder, schepen; Johan Klaps, schepen; Ken Casier, schepen; Karim Bachar, schepen; Stijn De Rooster, schepen; Sven Cauwelier, algemeen directeur

Secretaris

Sven Cauwelier, algemeen directeur

Voorzitter

Koen Kennis, waarnemend burgemeester
2025_CBS_00732 - Omgevingsvergunning. Advies hogere overheid. Gunstig advies - OMV_2024140958. Scheldelaan 600. District Antwerpen - Goedkeuring 2025_CBS_00732 - Omgevingsvergunning. Advies hogere overheid. Gunstig advies - OMV_2024140958. Scheldelaan 600. District Antwerpen - Goedkeuring

Motivering

Aanleiding en context

Er werd bij de deputatie een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend. De aanvraag wordt behandeld volgens de gewone procedure van het Omgevingsvergunningendecreet.

De deputatie verzoekt het college of de gemeentelijke omgevingsambtenaar om:

- een openbaar onderzoek te houden;

- advies uit te brengen.

 

Projectnummer:

OMV_2024140958

Gegevens van de aanvrager:

zie exploitant

Gegevens van de exploitant:

NV BASF Antwerpen (0404754472) met als adres Scheldelaan 600 te 2040 Antwerpen

Ligging van het project:

Scheldelaan 600 te 2040 Antwerpen

Kadastrale percelen:

afdeling 20 sectie D nrs. 166T en 166S3

waarvan:

 

-          20230222-0064

afdeling 20 sectie D nrs. 166T en 166S3 (Salpeterzuur 5 BASF)

Vergunningsplichten:

exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten

Voorwerp van de aanvraag:

Salpeterzuurinrichting horende bij een chemisch bedrijf: hernieuwing en verandering

 

Omschrijving ingedeelde inrichtingen of activiteiten

 

Voorgeschiedenis

Stedenbouwkundige voorgeschiedenis

-          03/09/2010: stedenbouwkundige vergunning (HVN/B//20104116) voor het slopen van een salpeterzuur installatie;

-          14/07/2006: stedenbouwkundige vergunning (HV/2005/B/0155 – 20053726) voor het bouwen van de Salpeterzuur V- installatie (B115) en het slopen van olieopslagplaats (B134);

-          29/07/2005: stedenbouwkundige vergunning (HV/2005/B/0018 – 2005285) voor de uitbreiding van een tankpark: bouwen van tank B411 (5000m³) en het verplaatsen van B1001 en B1002;

-          27/08/2003: stedenbouwkundige vergunning (HV/2003/B/0018 -  2003884) voor de sanering en inkuiping van een tankpark, bouwen nieuwe leidingenbrug en as-built van bestaande leidingenbrug en verlading;

-          17/10/1991: stedenbouwkundige vergunning (HV/1991/B/18/78360-91/307 – 19911309) voor wijziging en uitbreiding salpeterzuurfabriek (bouw A 60);

-          29/07/1991: stedenbouwkundige vergunning (HV/1991/B/18/77816-91/199 – 19911056) voor het uitbreiden tankpark A 65 - tank B 5;

-          08/09/1986: vergunning (HV/1986/B/18381 - 19868567) voor het bouwen van een salpeterzuurfabriek;

-          05/03/1982: vergunning (18/61986/B/ - 1982191934) voor bouw A105;

-          27/07/1979: vergunning (18/60127/B/ - 1979803529) voor een salpeterzuurfabriek.

 

Historiek

Op 8 december 2005 werd door de deputatie van de provincie Antwerpen een milieuvergunning verleend voor het exploiteren van een salpeterzuurinrichting horende bij een chemisch bedrijf, voor een termijn verstrijkend op 8 december 2025. Op 18 september 2014 werd akte genomen van een mededeling van splitsing van de vergunning tussen BASF Antwerpen nv en EuroChem Antwerpen nv. Nadien werden er nog diverse vergunningen verleend voor veranderingen.

 

Inhoud van de aanvraag

De aanvraag betreft de hernieuwing van de productie van salpeterzuur.

 

Aangevraagde rubriek(en)


Rubriek

Omschrijving

Gevraagd voor

6.4.1°

opslagplaatsen voor brandbare vloeistoffen met een totale opslagcapaciteit van 200 liter tot en met 50.000 liter uitgezonderd de gezamenlijke opslag van minder dan 5 ton gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige brandstoffen bij de woonfunctie van een onroerend goed dat hoofdzakelijk als woongelegenheid wordt gebruikt;

400 liter
(hernieuwing)

7.1.3°

niet elders ingedeelde inrichtingen, voor de productie of behandeling van organische of anorganische chemicaliën waarbij, gebruik gemaakt wordt van alkylering, aminering met ammoniak, carbonylering, condensatie, dehydrogenering, verestering, halogenering en fabricage van halogenen, hydrogenering, hydrolyse, oxidatie, polymerisatie, ontzwaveling, synthese en omzetting van zwavelhoudende verbindingen, nitrering en synthese van stikstofhoudende verbindingen, synthese van fosforhoudende verbindingen, distillatie, extractie, solvatie en/of menging, met een jaarcapaciteit van meer dan 10.000 ton;

562.500 ton/jaar
(hernieuwing)

7.11.2°b)

De fabricage van: anorganisch-chemische producten, zoals van zuren, zoals chroomzuur, fluorwaterstofzuur, fosforzuur, salpeterzuur, zoutzuur, zwavelzuur, oleum, zwaveligzuur;

562.500 ton/jaar HNO3 100%
(hernieuwing)

7.12.1°c)

chemische industrie voor de behandeling van tussenproducten en vervaardiging van chemicaliën: chemische installatie voor de productie van anorganische chemicaliën met een productiecapaciteit van 250.000 ton per jaar of meer

562.500 ton/jaar
(hernieuwing)

7.13.1°

De productie van salpeterzuur, adipinezuur, glyoxal of glyoxylzuur;

562.500 ton/jaar HNO3 100%
(hernieuwing)

16.3.2°b)

koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen, airconditioningsinstallaties, en andere installaties voor het fysisch behandelen van gassen met een geïnstalleerde totale drijfkracht van meer dan 200 kW;

+0,35 kW
(totaal 55.950,37 kW)

17.1.2.1.2°

opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in verplaatsbare recipiënten met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen van meer dan 1.000 liter tot en met 10.000 liter;

2.000 liter
(hernieuwing)

17.2.2.

VR-plichtige inrichting waar gevaarlijke producten in hoeveelheden die gelijk zijn aan of groter zijn dan de hoeveelheid, vermeld in bijlage 5, deel 1 en 2, kolom 3, bij dit besluit, aanwezig zijn, in voorkomend geval gebruikmakend van de sommatieregel, vermeld in noot 4 bij bijlage 5, deel 1 en deel 2 (hogedrempel Seveso-inrichting);

48.864,26 ton
(hernieuwing)

17.3.3.3°

opslagplaatsen voor oxiderende vloeistoffen en vaste stoffen (gevarenpictogram GHS03) met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 50 ton;

24.040,80 ton
(hernieuwing)

17.3.4.3°

bijtende vloeistoffen en vaste stoffen - opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS05 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 100 ton;

-2,00 ton
(totaal 24.041,25 ton)

17.3.5.3°

opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS06 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 5 ton;

24.040,80 ton
(hernieuwing)

17.3.6.1°a)

opslagplaatsen voor schadelijke vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS07 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 200 kg tot en met 20 ton als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied;

+0,95 ton
(totaal 4,7 ton)

17.3.7.1°a)

opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen die op lange termijn gezondheidsgevaarlijk zijn (gevarenpictogram GHS08) met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied;

-2 ton
(totaal 0,5 ton)

17.3.8.1°

opslagplaatsen voor het aquatisch milieu gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen (gevarenpictogram GHS09) met een gezamenlijke opslagcapaciteit meer dan 100 kg ton tot en met 2 ton;

0,95 ton
(hernieuwing)

24.2.

geïntegreerde, kleine laboratoria gericht op de interne controle van eigen productieprocessen en bijhorende in- en uitgaande stromen of de eigen waterzuiveringsinstallatie, en waar afvalwater eigen aan de laboratoriumtechnieken gegenereerd wordt;

1
(hernieuwing)

39.2.1°

stoomvaten, met inbegrip van warmtewisselaars waarvan de primaire ruimte als stoomvat wordt beschouwd, met een individuele inhoud van 300 liter tot en met 5.000 liter;

3.334 liter
(hernieuwing)

39.2.2°

stoomvaten, met inbegrip van warmtewisselaars waarvan de primaire ruimte als stoomvat wordt beschouwd, met een individuele inhoud van meer dan 5.000 liter;

111.805 liter
(hernieuwing)

39.4.1°

warmtewisselaars, andere dan deze vermeld onder rubriek 39.2 en deze voor op een stoomdistributienet aangesloten woningen, met een individuele inhoud van de secundaire ruimte van 25 liter tot en met 5.000 liter;

-430 liter
(totaal 12.592 liter)

39.4.2°

warmtewisselaars, andere dan deze vermeld onder rubriek 39.2 en deze voor op een stoomdistributienet aangesloten woningen, met een individuele inhoud van de secundaire ruimte van meer dan 5.000 liter;

13.839 liter
(hernieuwing)

39.5.1°

overige stoomtoestellen en stoommachines (zuigermachines, turbines) met een totaal vermogen (het vermogen van de brander valt onder rubriek 43) van 1 tot en met 100 MW;

10 MW
(hernieuwing)

43.4.

installaties voor het verbranden van brandstof met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW, met uitzondering van installaties voor het verbranden van gevaarlijke afvalstoffen of stedelijk afval.

0,35 MW
(hernieuwing)


Juridische grond

Het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, het decreet houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en hun uitvoeringsbesluiten zijn van toepassing.

Regelgeving: bevoegdheid

Conform artikel 24 en 42 van het Omgevingsvergunningsdecreet heeft het college of de gemeentelijke omgevingsambtenaar de bevoegdheid advies uit te brengen voor de vergunningsaanvragen op haar grondgebied waarvoor de deputatie, de Vlaamse regering of de gewestelijke omgevingsambtenaar de bevoegde overheid is, tenzij:

 

  1. de aanvraag ingediend is door het betrokken college;
  2. de aanvraag louter betrekking heeft op mobiele of verplaatsbare ingedeelde inrichtingen of activiteiten.

 

Het college heeft op 17 november 2017 (jaarnummer 2017_CBS_08858) beslist om de adviesbevoegdheid op te nemen.

Argumentatie

Adviezen

 

Externe adviezen

 

Adviesinstantie

Datum advies gevraagd

Datum advies ontvangen

Advies

Haven van Antwerpen-Brugge, subadvies milieu

23 december 2024

20 januari 2025

Gunstig

 

 

Toetsing regelgeving en beleidsrichtlijnen

 

Plannen van aanleg, ruimtelijke uitvoeringsplannen en verkavelingen

Het goed is gelegen in het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (GRUP) Afbakening zeehavengebied Antwerpen (Besluit van de Vlaamse regering van 30 april 2013), binnen de afbakeningslijn.

De gebieden binnen de afbakeningslijn behoren tot het zeehavengebied Antwerpen.

Met uitzondering van de deelgebieden waarvoor in dit plan voorschriften werden vastgelegd, blijven de op het ogenblik van de vaststelling van dit plan bestaande bestemmings- en inrichtingsvoorschriften onverminderd van toepassing.

 

Het goed is volgens voornoemd gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan bestemd als Gebied voor zeehaven- en watergebonden bedrijven.

Zulk gebied is bestemd om te functioneren als Vlaams havengebied als onderdeel van de haven van Antwerpen. Het is bestemd voor zeehavengebonden en zeehavengerelateerde industriële en logistieke activiteiten en distributie-, opslag- en overslagactiviteiten die gebruikmaken van en aangewezen zijn op de zeehaveninfrastructuur.

Alle handelingen die nodig of nuttig zijn voor de realisatie van de bestemming en voor de exploitatie van de haven en de bedrijven zijn toegelaten.

Daartoe worden ook de volgende werken, handelingen, voorzieningen, en wijzigingen gerekend:

- de aanleg en het onderhoud van infrastructuur die nodig is voor de toegankelijkheid of voor verbindingen langs de waterzijde en langs de landszijde;

- het laguneren of op een andere wijze bergen of verwerken van baggerspecie.

Daarnaast is de ontwikkeling, het herstel en de instandhouding van tijdelijke ecologische infrastructuur toegelaten.

In het gebied zijn eveneens gebouwen of lokalen voor bewakingspersoneel toegelaten.

In het gebied zijn kantoorgebouwen niet toegelaten, tenzij ze noodzakelijk zijn voor en een inherent onderdeel zijn van de exploitatie van haven en industriële activiteiten. De bestaande kantoorgebouwen kunnen behouden blijven binnen het bestaande bouwvolume op het moment van definitieve vaststelling van dit gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan. Uitbreidingen zijn niet toegelaten.

 

De aanvraag dient beoordeeld te worden aan de hand van de voorschriften van het ruimtelijk uitvoeringsplan.

De aanvraag is in overeenstemming met de bestemming en de voorschriften van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan.

 

Voor een straal van 500 meter rond het goed is het voormelde GRUP tevens van toepassing. Hier gelden volgende bestemmingsvoorschriften:

-          Gebied voor zeehaven- en watergebonden bedrijven; 

-          Gebied voor verkeers- en vervoersinfrastructuur voor de Scheldelaan;

-          Gebied voor waterweginfrastructuur voor het Kanaaldok B3 en het Insteekdok 4;

-          overdruk Leidingstraat parallel aan de Scheldelaan. 

 

Omgevingstoets

 

Toetsing van de verenigbaarheid van het aangevraagde met de omgeving en de goede ruimtelijke ordening

 

De ingedeelde inrichting of activiteit is vanuit stedenbouwkundig oogpunt hoofdzakelijk vergund. Er lijken geen stedenbouwkundige handelingen gepaard te gaan met het beoogde project. De aanvraag is verenigbaar met de ruimtelijke context van het havengebied waarbinnen deze aanvraag is gesitueerd. Er is geen bezwaar vanuit stedenbouwkundig oogpunt.

 

Toetsing van aanvaardbaarheid van de ingedeelde inrichtingen en activiteiten op het vlak van hinder en risico's voor de mens en het milieu

 

BASF Antwerpen exploiteert, tesamen met EuroChem, een salpeterzuurinrichting op de BASF-site. Deze inrichting bestaat uit vier installaties.Drie installaties zijn eigendom van EuroChem Antwerpen en één van BASF Antwerpen. Voorliggende aanvraag betreft een hernieuwing en een uitbreiding van de salpeterzuurinrichting (SZ5). Aangezien de exploitatie van de salpeterzuurinrichting door 2 exploitanten gebeurt worden er 2 afzonderlijke omgevingsvergunningen aangevraagd (BASF en EuroChem). Aangezien de activiteiten echter verbonden zijn, werden de effecten als één geheel bekeken en werd er dus ook één project-MER opgemaakt. 

 

Salpeterzuur wordt geproduceerd door de katalytische verbranding van ammoniak met lucht, gevolgd door absorptie in water. Het geproduceerde salpeterzuur wordt vooral gebruikt als basisproduct in de minerale kunstmeststoffen en voor het doorvoeren van nitreringen bijvoorbeeld in de aniline/nitrobenzeeninrichting. De basisgrondstof voor het proces, ammoniak, wordt van het BASF-net onttrokken. Het eindproduct, salpeterzuur wordt grotendeels verpompt naar de gebruikers op de BASF-site. Een kleiner gedeelte (typisch 20.000 ton N/jaar, 73 schepen) wordt via bovengrondse leidingen naar de scheepsverlading gepompt voor export naar derden.

 

De lopende basismilieuvergunning werd verleend in 2005, en is geldig tot en met 8 december 2025. De vergunde productiecapaciteit, die te hernieuwen is, is:

• 56.000 ton/jaar (uitgedrukt als N) of 252.000 ton/jaar (uitgedrukt als HNO3 100%) in SZ 2 (EuroChem, voorwerp van aanvraag in parallel dossier OMV_2024099337);

• 90.000 ton/jaar (uitgedrukt als N) of 405.000 ton/jaar (uitgedrukt als HNO3 100%) in SZ 3 (EuroChem, voorwerp van aanvraag in parallel dossier OMV_2024099337);

• 90.000 ton/jaar (uitgedrukt als N) of 405.000 ton/jaar (uitgedrukt als HNO3 100%) in SZ 4 (EuroChem, voorwerp van aanvraag in parallel dossier OMV_2024099337);

• 125.000 ton/jaar (uitgedrukt als N) of 562.500 ton/jaar (uitgedrukt als HNO3 100%) in SZ 5 (BASF).

 

 

De voorgestelde veranderingen van de bestaande vergunning omvatten het verhogen van de opslaghoeveelheid van de N2O-katalysator en de schrapping van de opslag van de deNOx-katalysator, omwille van een vervanging door een katalysator zonder gevareneigenschappen. Daarnaast is er ook een actualisatie van de inhoud van de stoomapparaten en van de geïnstalleerde airconditioninginstallaties voorzien.

 

Voor voorliggende aanvraag werd eveneens een milieueffectenrapport (MER) opgemaakt. Het project-MER an sich wordt rechtstreeks geadviseerd aan Departement Omgeving. Voorliggend advies betreft louter de omgevingsvergunningsaanvraag.

 

BASF is een hogedrempel Seveso-inrichting. Aangezien BASF een verbonden chemisch complex is, wordt er op het vlak van veiligheid steeds gekeken naar de site in zijn geheel. De aanvrager diende een aanpassing te doen aan de Seveso-hold up, omwille van de gewijzigde gevaarseigenschap van de deNOx-katalysator. Die katalysator 2 was voorheen geen Seveso-stof. Recent is hij wel Seveso-stof geworden door de indeling als acuut toxisch categorie 3 voor inhalatie. Hierdoor valt hij dus onder de Seveso-categorie H2. De katalysator in kwestie is in poedervorm acuut toxisch voor inhalatie. In de salpeterzuurinrichting komt hij niet in poedervorm voor, maar wel als een niet inhaleerbare vaste stof op een inerte drager. Daarom is het Team Omgevingseffecten van de Vlaamse Overheid van mening dat voorliggende wijziging geen nieuw Omgevingsveiligheidsrapport (OVR) en geen veiligheidsnota behoeft en het project gezien kan worden als een kleiner project met Seveso-stoffen.

 

De exploitatie van het voorwerp van de aanvraag betreft eveneens een GPBV-bedrijf. Deze bedrijven hebben een mogelijk grote impact op het milieu en zijn onderworpen aan de Europese Richtlijn inzake Industriële Emissies. GPBV-activiteiten moeten getoetst worden aan de best beschikbare technieken volgens VLAREM, maar ook aan de Europese BBT-conclusies afkomstig van de BREF’s (Referentiedocumenten voor Beste Beschikbare Technieken). De aftoetsing aan de BREF’s maakt deel uit van het project-MER.

 

De salpeterzuurinstallaties hebben een groot aandeel directe broeikasgas emissies, afkomstig van N2O. Het global warming potential (GWP) van N2O is 294 CO2-equivalent. De exploitant stelt dat er reeds geplande wijzigingen zijn die effect zullen hebben op de luchtkwaliteit:

  • Binnen de installatie van salpeterzuur 3 en 4 zal de SCR-reactor vervangen worden tijdens een shutdown in 2026 door een groter exemplaar. Om een voldoende groot reactorbed te kunnen inbouwen en een goede performantie te waarborgen. Daarnaast wordt het type katalysator gewijzigd inclusief een toevoeging van aardgas. Hierdoor gebeurt de bijkomende reductie van de N2O-emissie en door toevoeging van NH3 vindt de reductie van de NOx-emissie plaats (EuroChem, voorwerp van aanvraag in parallel dossier OMV_2024099337);
  • Voor salpeterzuur 5 wordt een vervanging van de katalysator in de bestaande reactor voorzien, inclusief een aardgastoevoer (inzet zelfde katalysatortype als in SZ 3 en SZ 4). Hierdoor zullen de NOx- en de N2O-emissies verder gereduceerd worden. Er wordt verwacht dat deze in het vierde kwartaal van 2024 gerealiseerd wordt (BASF, voorwerp van aanvraag); Na contact met de aanvrager bleek dat deze werken effectief werden uitgevoerd volgens planning.

 

De geplande maatregelen in scenario 2 zorgen voor een reductie van de N2O-emissies maar gaan evenwel gepaard met extra uitstoot van VOS, voornamelijk samengesteld uit CH4 (GWP: 28 CO2-eq). In de context van klimaat kan worst case verondersteld worden dat de volledige VOS-vracht (64,43 ton/jaar) bestaat uit CH4. De directe emissies van broeikasgassen van de salpeterzuurinstallaties zullen dalen met ruim 90% van 221.768 ton CO2-eq/jaar (scenario 1) naar 20.921 ton CO2-eq/jaar.

 

De huidige aanvraag betreft een bestaande inrichting van 1,55 PJ finaal energiegebruik. Er treedt geen verandering op door nieuwe installaties. De exploitant trad toe tot het

EnergieBeleidsOvereenkomst (EBO), waarbij om de 4 jaar een energieaudit uitgevoerd en energieplan opgesteld wordt.

 

Verder heeft BASF Antwerpen de ambitie uitgesproken om van haar site in Antwerpen de eerste petrochemische site te maken die in de buurt komt van netto nul emissies en voerde hiervoor al verschillende maatregelen uit, zo is er een uitgebreid stoomnetwerk tussen installaties voor energie-efficiëntie. Verder participeert BASF in windmolenpark Hollandse kust zuid om groene stroom te leveren voor zijn productielocaties in Europa, waaronder ook de site in Antwerpen. BASF neemt verder ook deel aan de Antwerp@C- en Kairos@C-consortia om een CO2-infrastructuur op te zetten in de Antwerpse haven. De stad moedigt dergelijke inspanningen aan en benadrukt het belang om hierop in te zetten in het kader van de klimaatdoelstellingen van Europa.

 

De aanvrager duidt zelf in de aanvraag op de samenhang tussen de verschillende BASF-productie-eenheden. BASF beschikt voor de volledige site van het chemisch bedrijf bijvoorbeeld over een kader-MER (2022). Het blijft voor de stad onduidelijk waarom er dan toch steeds afzonderlijke IIOA’s worden aangevraagd. De stad wenst erop aan te dringen dat de milieueffecten van de BASF-site in zijn geheel bekeken dienen worden en dat, zo gauw dit praktisch mogelijk is, de verschillende samenhangende vergunningen m.b.t. IIOA’s in één omgevingsvergunning gebundeld dienen te worden. Ook de huidige aanvragen voor BASF (voorliggende aanvraag) en EuroChem (OMV_2024099337) hadden eenvoudigerwijze in één dossier ingediend kunnen worden.

 

Het is aan de vergunningverlenende overheid om, op basis van alle onafhankelijk uitgebrachte deskundige adviezen, tot een gemotiveerde en integrale beslissing te komen.

 

Advies van het college

Gunstig advies te verlenen voor de aanvraag tot omgevingsvergunning op basis van PIV2.

 

Geadviseerde rubriek(en)

 

Rubriek

Omschrijving

Geadviseerd voor

6.4.1°

opslagplaatsen voor brandbare vloeistoffen met een totale opslagcapaciteit van 200 liter tot en met 50.000 liter uitgezonderd de gezamenlijke opslag van minder dan 5 ton gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige brandstoffen bij de woonfunctie van een onroerend goed dat hoofdzakelijk als woongelegenheid wordt gebruikt;

400 liter
(hernieuwing)

7.1.3°

niet elders ingedeelde inrichtingen, voor de productie of behandeling van organische of anorganische chemicaliën waarbij, gebruik gemaakt wordt van alkylering, aminering met ammoniak, carbonylering, condensatie, dehydrogenering, verestering, halogenering en fabricage van halogenen, hydrogenering, hydrolyse, oxidatie, polymerisatie, ontzwaveling, synthese en omzetting van zwavelhoudende verbindingen, nitrering en synthese van stikstofhoudende verbindingen, synthese van fosforhoudende verbindingen, distillatie, extractie, solvatie en/of menging, met een jaarcapaciteit van meer dan 10.000 ton;

562.500 ton/jaar
 (hernieuwing)

7.11.2°b)

De fabricage van: anorganisch-chemische producten, zoals van zuren, zoals chroomzuur, fluorwaterstofzuur, fosforzuur, salpeterzuur, zoutzuur, zwavelzuur, oleum, zwaveligzuur;

562.500 ton/jaar HNO3 100%
 (hernieuwing)

7.12.1°c)

chemische industrie voor de behandeling van tussenproducten en vervaardiging van chemicaliën: chemische installatie voor de productie van anorganische chemicaliën met een productiecapaciteit van 250.000 ton per jaar of meer

562.500 ton/jaar
 (hernieuwing)

7.13.1°

De productie van salpeterzuur, adipinezuur, glyoxal of glyoxylzuur;

562.500 ton/jaar HNO3 100%
 (hernieuwing)

16.3.2°b)

koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen, airconditioningsinstallaties, en andere installaties voor het fysisch behandelen van gassen met een geïnstalleerde totale drijfkracht van meer dan 200 kW;

+0,35 kW
 (totaal 55.950,37 kW)

17.1.2.1.2°

opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in verplaatsbare recipiënten met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen van meer dan 1.000 liter tot en met 10.000 liter;

2.000 liter
 (hernieuwing)

17.2.2.

VR-plichtige inrichting waar gevaarlijke producten in hoeveelheden die gelijk zijn aan of groter zijn dan de hoeveelheid, vermeld in bijlage 5, deel 1 en 2, kolom 3, bij dit besluit, aanwezig zijn, in voorkomend geval gebruikmakend van de sommatieregel, vermeld in noot 4 bij bijlage 5, deel 1 en deel 2 (hogedrempel Seveso-inrichting);

48.864,26 ton
 (hernieuwing)

17.3.3.3°

opslagplaatsen voor oxiderende vloeistoffen en vaste stoffen (gevarenpictogram GHS03) met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 50 ton;

24.040,80 ton
 (hernieuwing)

17.3.4.3°

bijtende vloeistoffen en vaste stoffen - opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS05 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 100 ton;

-2,00 ton
 (totaal 24.041,25 ton)

17.3.5.3°

opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS06 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 5 ton;

24.040,80 ton
 (hernieuwing)

17.3.6.1°a)

opslagplaatsen voor schadelijke vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS07 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 200 kg tot en met 20 ton als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied;

+0,95 ton
 (totaal 4,7 ton)

17.3.7.1°a)

opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen die op lange termijn gezondheidsgevaarlijk zijn (gevarenpictogram GHS08) met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied;

-2 ton
 (totaal 0,5 ton)

17.3.8.1°

opslagplaatsen voor het aquatisch milieu gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen (gevarenpictogram GHS09) met een gezamenlijke opslagcapaciteit meer dan 100 kg ton tot en met 2 ton;

0,95 ton
 (hernieuwing)

24.2.

geïntegreerde, kleine laboratoria gericht op de interne controle van eigen productieprocessen en bijhorende in- en uitgaande stromen of de eigen waterzuiveringsinstallatie, en waar afvalwater eigen aan de laboratoriumtechnieken gegenereerd wordt;

1
 (hernieuwing)

39.2.1°

stoomvaten, met inbegrip van warmtewisselaars waarvan de primaire ruimte als stoomvat wordt beschouwd, met een individuele inhoud van 300 liter tot en met 5.000 liter;

3.334 liter
 (hernieuwing)

39.2.2°

stoomvaten, met inbegrip van warmtewisselaars waarvan de primaire ruimte als stoomvat wordt beschouwd, met een individuele inhoud van meer dan 5.000 liter;

111.805 liter
 (hernieuwing)

39.4.1°

warmtewisselaars, andere dan deze vermeld onder rubriek 39.2 en deze voor op een stoomdistributienet aangesloten woningen, met een individuele inhoud van de secundaire ruimte van 25 liter tot en met 5.000 liter;

-430 liter
 (totaal 12.592 liter)

39.4.2°

warmtewisselaars, andere dan deze vermeld onder rubriek 39.2 en deze voor op een stoomdistributienet aangesloten woningen, met een individuele inhoud van de secundaire ruimte van meer dan 5.000 liter;

13.839 liter
 (hernieuwing)

39.5.1°

overige stoomtoestellen en stoommachines (zuigermachines, turbines) met een totaal vermogen (het vermogen van de brander valt onder rubriek 43) van 1 tot en met 100 MW;

10 MW
 (hernieuwing)

43.4.

installaties voor het verbranden van brandstof met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW, met uitzondering van installaties voor het verbranden van gevaarlijke afvalstoffen of stedelijk afval.

0,35 MW
 (hernieuwing)


 

Fasering

Procedurestap

Datum

Ontvangst adviesvraag

20 december 2024

Start openbaar onderzoek

29 december 2024

Einde openbaar onderzoek

27 januari 2025

Gemeenteraad voor aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van gemeentewegen

geen

Uiterste adviesdatum

8 februari 2025

 

Onderzoek

De aanvraag werd onderworpen aan een openbaar onderzoek. Er werden standpunten, opmerkingen en/of bezwaren ingediend tijdens de openbaarmaking. 

 

Informatievergadering

Over de aanvraag werd een informatievergadering georganiseerd op 7 januari 2025. Het verslag van de informatievergadering werd bezorgd aan de vergunningverlenende overheid.

 

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college beslist een gunstig advies, zoals geformuleerd in de argumentatie, te geven op de aanvraag.

 

Artikel 2

Dit besluit heeft in principe geen financiƫle gevolgen.