Samenstelling
Aanwezig
Bart De Wever, burgemeester;
Koen Kennis, schepen;
Philip Heylen, schepen;
Ludo Van Campenhout, schepen;
Claude Marinower, schepen;
Marc Van Peel, schepen;
Rob Van de Velde, schepen;
Nabilla Ait Daoud, schepen;
Fons Duchateau, schepen;
Roel Verhaert, stadssecretaris
Afwezig
Serge Muyters, korpschef
Secretaris
Roel Verhaert, stadssecretaris
Voorzitter
Bart De Wever, burgemeester
2015_CBS_08693 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - Centraal Katholiek Schoolcomité van Antwerpen vzw, Lange Kongostraat 17-21, 2060 Antwerpen. Dossiernummer MV2015/309/JW - Goedkeuring
Motivering
Regelgeving: bevoegdheid
Artikel 36, 4° van Vlarem I bepaalt dat het college een uitspraak dient te doen over een milieuvergunningsaanvraag klasse 2.
Aanleiding en context
Aanvrager(s): Centraal Katholiek Schoolcomité van Antwerpen vzw - Otto Veniusstraat 22 - 2000 Antwerpen. De aanvraag omvat: het exploiteren van de basisscholen Sint-Maria en de Vuurtoren.
Argumentatie
Het college beslist op basis van het verslag van de dienst milieuvergunningen, dat als bijlage bij dit besluit is gevoegd en sluit zich aan bij deze motivatie.
Juridische grond
Het milieuvergunningendecreet van 28 juni 1985, meermaals gewijzigd, en haar uitvoeringsbesluiten (Vlarem I en II) bepalen dat niemand zonder vergunning of melding een hinderlijk inrichting mag exploiteren.
Besluit
Het college van burgemeester en schepenen beslist:
Artikel 1
Het college beslist een milieuvergunning, zoals geformuleerd in de argumentatie, goed te keuren aan Centraal Katholiek Schoolcomité van Antwerpen vzw, Otto Veniusstraat 22, 2000 Antwerpen, voor de inrichting gelegen te 2060 Antwerpen, Lange Kongostraat 17-21. De vergunning heeft als voorwerp: het exploiteren van de basisscholen Sint-Maria en de Vuurtoren.
Artikel 2
Het college wijst erop dat de volgende algemene en sectorale voorwaarden van toepassing zijn:
Algemene en sectorale voorwaarden
|
algemene milieuvoorwaarden – algemeen
|
hoofdstuk 4.1, 4.7, 4.9 en bijlagen 4.1.9.1.6, 4.1.9.2.3.1, 4.1.9.2.3.2, 4.1.9.2.3.4 en 4.8;
|
|
algemene milieuvoorwaarden – oppervlaktewater
|
hoofdstuk 4.2 en bijlagen 4.2.5.1, 4.2.5.2 en 4.2.5.4;
|
|
algemene milieuvoorwaarden – lucht
|
hoofdstuk 4.4 en bijlagen 4.4.1 tot 4.4.6. en hoofdstuk 4.10;
|
|
opslag van gevaarlijke stoffen
|
afdeling 5.17.1 en bijlage 5.17.1;
|
|
opslag van gevaarlijke stoffen: bovengrondse houders
|
afdeling 5.17.3 en bijlagen 5.17.2 tot 5.17.4 en bijlage 5.17.7;
|
|
schouwspelzalen
|
afdelingen 5.32.3, 5.32.4 en 5.32.5;
|
|
niet in rubriek 2 en 28 begrepen verbrandingsinrichtingen - algemene bepalingen en immissiecontroleprocedures
|
afdeling 5.43.1 + 5.43.4;
|
|
niet in rubriek 2 en 28 begrepen verbrandingsinrichtingen - stookinstallaties, met uitzondering van gasturbines en stoom- en gasturbine-installaties – kleine stookinstallaties (300 kW – 5 MW)
|
subafdeling 5.43.2.3.
|
Artikel 3
Het college wijst erop dat de volgende bijzondere voorwaarde en brandweervoorwaarden van toepassing zijn:
1. Bijzondere voorwaarde
- de exploitant dient binnen uiterlijk zes maanden na het verlenen van de vergunning te onderzoeken hoe het hergebruik van het hemelwater (deel sint-Maria) mogelijk gemaakt kan worden. Een verslag hiervan en de eventueel genomen acties, wordt ter evaluatie overgemaakt aan het college (via milieuvergunningen@stad.antwerpen.be).
2. Brandweervoorwaarden
- Onafhankelijk van de verplichtingen aan de houder van de milieuvergunning opgelegd via de vigerende milieureglementering alsmede via het milieuvergunningsbesluit, en onverminderd de maatregelen ter voorkoming en bestrijding van brand, door de houder van de milieuvergunning te treffen in uitvoering van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden, dient de houder van de milieuvergunning reeds te voorzien in de hiernavermelde blusmiddelen voor eerste tussenkomst:
- Snelblustoestellen
Snelblustoestellen van minstens één bluseenheid conform NBN EN 3-7 - bij voorkeur 6 kg poeder type ABC - dienen goed verdeeld aangebracht à rato van 1 toestel per 150 m² (binnenruimte). Voor brandcompartimenten kleiner dan 300 m² dienen er in elk geval minstens twee toestellen aanwezig te zijn.
Er mogen nochtans gedeeltelijk mobiele bluseenheden of snelblustoestellen van een ander type aangewend worden op de plaatsen waar zij meer aangewezen zijn, voor zover de aangebrachte blusmiddelen minstens eenzelfde bluseenheid conform NBN EN 3-7 bezitten en evenwaardig zijn aan de bovenvermelde.
Snelblustoestellen van minstens één bluseenheid conform NBN EN 3-7 - bij voorkeur 6 kg poeder type ABC - dienen aangebracht bij elk punt of lokaal met verhoogd risico, zoals ondermeer pompen, compressoren, lasposten, belangrijke elektriciteitsborden, enzovoort.
- Muurhaspels
Muurhaspels met axiale voeding (conform NBN EN 671-1) aangesloten via een aangepaste leiding op de openbare waterbedeling of ander gelijkwaardig voedingssysteem, dienen op oordeelkundig gekozen plaatsen opgesteld zodanig dat elk punt van de inrichting kan bespoten worden.
Hun aantal wordt zodanig bepaald dat de af te leggen afstand vanaf om het even welk punt tot het dichtst bijgelegen toestel niet meer bedraagt dan de lengte van de gebruikte haspels.
De haspels dienen gevoed met een leiding onder druk zodanig dat het debiet bij de minst bedeelde haspel gelijk is aan of groter dan 24 liter per minuut.
De leidingen voor bluswater dienen vervaardigd in staal of in een metaal dat minstens dezelfde waarborgen biedt.
De geplaatste muurhaspels dienen voorzien van een vergrendeling derwijze dat men het afsluitmondstuk niet kan verwijderen zonder het openen van een handbediende afsluiter op de watertoevoer.
De waterlevering moet te allen tijde, ook tijdens vorstperiode, gewaarborgd zijn.
Artikel 4
Het college beslist dat de milieuvergunning ingaat op 23 oktober 2015 en eindigt op 23 oktober 2035.
Artikel 5
Dit besluit heeft in principe geen financiële gevolgen.