Op 22 juli 2015 stuurde het agentschap Onroerend Erfgoed van de Vlaamse overheid een brief aan het college in verband met het openbaar onderzoek naar aanleiding van de vaststelling van de inventaris van archeologische zones.
De vaststelling van de inventaris van archeologische zones gebeurt in uitvoering van hoofdstuk 4 van het onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013. In het kader van het openbaar onderzoek binnen de vaststellingsprocedure heeft de stad een formele rol:
De eerste vaststelling bevat 58 archeologische zones van historische stadskernen in Vlaanderen. De stad Antwerpen is één van deze 58 steden. Samen met Italië neemt Vlaanderen een unieke positie in als oudste verstedelijkte regio in Europa. Tussen de 10de en 12de eeuw ontwikkelde zich een netwerk van steden, waaronder de stad Antwerpen. De economische bloei van deze steden zorgde niet alleen voor welvaart, maar ook voor de ontwikkeling van een hoogstaande stedelijke cultuur. Heel wat sporen van dat rijke verleden bleven in de bodem bewaard. Deze sporen dienen we te koesteren, te vrijwaren of wanneer nodig te onderzoeken. Voor de stad Antwerpen omvat de archeologische zone de volledige binnenstad binnen de leien.
De vaststelling als archeologische zone heeft volgende rechtsgevolgen:
De archeologienota is het resultaat van een archeologisch vooronderzoek, waarvoor een erkend archeoloog moet worden aangesteld. Deze omvat:
Het agentschap Onroerend Erfgoed moet de archeologienota bekrachtigen. In uitzonderlijke gevallen is het niet mogelijk een archeologisch vooronderzoek uit te voeren vooraleer de bouwvergunning wordt toegekend, bijvoorbeeld wanneer er geen proefsleuven gegraven kunnen worden omdat er nog een gebouw op het terrein staat. In zo’n geval wordt in de archeologienota opgenomen dat een uitgesteld vooronderzoek met ingreep in de bodem moet uitgevoerd worden na het verlenen van de stedenbouwkudige vergunning. Er moet vervolgens een nota worden opgesteld met de resultaten van dit vooronderzoek en deze moet eveneens door het agentschap Onroerend Erfgoed bekrachtigd worden.
Enerzijds is de vaststelling van de Antwerpse binnenstad als archeologische zone vanuit een inhoudelijk perspectief een positief gegeven. De afbakening van de volledige binnenstad zorgt er voor dat de stedelijke geschiedenis van het prilste begin tot de 16de eeuw in de archeologische zone opgenomen is. Niet alleen wordt de aandacht voor archeologisch erfgoed door de vaststelling vergroot, maar ook het goed beheer van het archeologisch patrimonium binnen deze zone wordt er door gegarandeerd.
Anderzijds hebben de rechtsgevolgen zowel financieel als administratief een belangrijke impact, zowel voor de stedelijke overheid als voor particulieren. Administratief betekent dit een verzwaring van het dossier voor het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning en dus een verhoging van de planlasten. Financieel vormt de opmaak van de vereiste archeologienota een bijkomende last voor bouwheren, waarvoor geen tegemoetkoming voorzien wordt.
In een binnenstedelijke context, waar een archeologisch vooronderzoek vaak niet tot de mogelijkheden behoort, dreigt de archeologienota herleid te worden tot een formeel gegeven, zonder inhoudelijke meerwaarde. Idealiter zou de hogere overheid kunnen voorzien in een financiële tussenkomst bij de opmaak van de archeologienota's, waardoor de lasten niet afgewenteld worden op de lokale overheden en de particuliere bouwheren.
De specifieke know how van de stedelijke archeologische dienst wordt binnen de adviesprocedure niet gevaloriseerd. De opgebouwde kennis over en de historische rol bij het beheer en onderzoek van het stedelijk archeologisch patrimonium komt daardoor in de verdrukking. De aanwezige expertise wordt niet in de procedure voor de opmaak van archeologienota's verankerd.
Het decreet betreffende het onroerend erfgoed van 12 juli 2013.
Het college keurt de collegiale brief over de vaststelling van de inventaris van archeologische zones aan de heer G. Bourgeois, minister-president van Vlaamse Regering, goed.