Feiten en Context
Het zopas verschenen jaarboek Armoede en sociale uitsluiting van OASES van de Universiteit van Antwerpen stelt vast dat in 2013 26,4 procent van de Antwerpse kinderen opgroeit in een gezin dat onder de armoederisicogrens leeft. In 2011 bedroeg dit 24,0 procent en in 2001 nog 16,1 procent. Het Antwerps cijfer is ruim tweemaal zo hoog als het kinderarmoedecijfer in het Vlaams Gewest, dat 11,4 procent bedraagt. Terwijl Antwerpen tegelijkertijd ook de stad is, die als economische metropool, meer dan één vierde van de rijkdom van Vlaanderen creëert.
Kinderarmoede heeft zware gevolgen. Deze kinderen wonen in ongezonde woningen, moeten gezondheidszorg uitstellen, hebben het moeilijker op school, kennen onvoldoende ontspanning en staan onder grote stress, aldus het jaarrapport. De eerste levensjaren zijn nochtans cruciaal voor de ontwikkeling van het kind en gebrek aan scholing hypothekeert de kansen op de arbeidsmarkt.
De onderzoekers stellen dat als allereerste maatregel de financiële situatie van deze gezinnen moet verbeteren. Het leefloon voor een gezin met kinderen bedraagt nu 1111,62 euro.
Een vergelijking met de hoogte van referentiebudgetten (een korf van goederen en diensten noodzakelijk om maatschappelijk te kunnen participeren voor een bepaald type gezin levend in een bepaalde locatie op een bepaald moment), toont aan dat anno 2013 het leefloon niet volstaat om menswaardig aan de samenleving te kunnen deelnemen. Het tekort loopt op tot 192 euro per maand voor een alleenstaande met twee jonge kinderen.
Alle politieke partijen, ook deze van de meerderheid, hebben het optrekken van het leefloon tot het niveau van de Europese armoedegrens als prioriteit gesteld in hun kiesprogramma’s. Deze intentie is opgenomen in het regeerakkoord. In de praktijk echter is het leefloon vanaf 1 september amper met 2 procent gestegen. D.w.z. een stijging met 10,9 euro voor een samenwonende, 16,35 euro voor een alleenstaande en 21,8 euro voor een gezin. Aan dit ritme duurt het nog bijna 15 jaar voor het leefloon de Europese armoedegrens bereikt.
De allerkwetsbaarste groep voor kinderarmoede in de samenleving zijn de alleenstaande oudergezinnen. In Antwerpen zijn 11 % van de leefloongerechtigde eenoudergezinnen.
In onze stad zijn er dus ongeveer 1200 leefloongerechtigde eenoudergezinnen. Een bijpassing van ongeveer 200 euro per maand om te komen tot het referentiebudget , zou maandelijks 24000 euro kosten en op jaarbasis 288.000 euro. Om dit te kunnen financieren kan de stad de dotatie aan het OCMW verhogen met driehonderdduizend euro per jaar, dit is amper 0,3 procent op de jaarlijkse stedelijke exploitatiedotatie voor het OCMW die 110 miljoen euro bedraagt. Dan heeft het OCMW de mogelijkheid om aan die leefloongerechtige eenoudergezinnen een bijpassing te doen bij het veel te lage leefloon via het systeem van aanvullende financiële hulpverlening of via het stysteem van toepassing van de zogenaamde B-norm.
Vragen:
Heeft het Antwerps stadsbestuur al overleg gehad met de onderzoekers van OASES i.v.m. de schrijnende cijfers over de toename van de kinderarmoede?
Zo ja, wat is uit deze bespreking aan besluiten of bedenkingen gekomen?
Zo nee, plant het stadsbestuur dit overleg vooralsnog te organiseren?
Raadslid Van Duppen houdt de interpellatie met motie (2015_MOT_00039). Bij de interpellatie werd een tweede motie ingediend door raadslid Vanbesien (2016_MOT_00042).
Schepen Duchateau geeft antwoord op de vragen.
Raadslid Van Duppen houdt nog een wederwoord.
- Het volledige debat is opgenomen en raadpleegbaar via de website van de stad Antwerpen.