Terug

2015_DRBZL_00063 - Bovenlokaal groenplan 'Levendig Landschap' - Voorontwerp. Advies - Goedkeuring

districtsraad Berendrecht Zandvliet Lillo
ma 26/10/2015 - 20:00 districtshuis Berendrecht-Zandvliet-Lillo
Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig

Marc Maes, voorzitter districtsraad; Karel Hendrickx, districtsraadslid; Rudi Sempels, districtsschepen; Willem Van Alsenoy, districtsraadslid; Marcel Bartholomeeussen, districtsschepen; Zander Vliegen, districtsraadslid; Angie Bosmans, districtsraadslid; Nathalie Aertssen, districtsschepen; An Van Uffelen, districtsraadslid; Jenny Vekemans, districtsraadslid; Roger Dons, districtsraadslid ; Frank Frederickx, districtsraadslid; Carl Geeraerts, voorzitter districtscollege; Raf Crynen, districtsraadslid; Gert Van Herck, districtsraadslid; Jan Smets, districtssecretaris

Verontschuldigd

Liesbeth Sleymer, plaatsvervangend districtssecretaris

Secretaris

Jan Smets, districtssecretaris

Voorzitter

Marc Maes, voorzitter districtsraad
2015_DRBZL_00063 - Bovenlokaal groenplan 'Levendig Landschap' - Voorontwerp. Advies - Goedkeuring 2015_DRBZL_00063 - Bovenlokaal groenplan 'Levendig Landschap' - Voorontwerp. Advies - Goedkeuring

Motivering

Regelgeving: bevoegdheid

Art. 285 van het Gemeentedecreet dat bepaalt dat de districtsraad een algemene adviesbevoegdheid heeft voor alle aangelegenheden die betrekking hebben op het district.

Aanleiding en context

Op 30 oktober 2009 (jaarnummer 15377) keurde het college de opmaak van groenplannen goed. De opdracht omvat de opmaak van elf groenplannen, waaronder één (bovenlokaal) groenplan op stadsniveau en tien (lokale) groenplannen op niveau van de districten (negen districten en de haven apart). Het bovenlokaal groenplan focust op de districtsoverschrijdende sleutelkwesties en vormt een globaal stadsbreed beleidskader. De lokale groenplannen zijn hiervan een verfijning en omvatten richtlijnen voor groenprojecten.

De opmaak van het bovenlokaal groenplan startte in 2010. De eerste stap was een globale analyse van de situatie van het groenaanbod in Antwerpen. Dit resulteerde in zes thematische nota's (methodiek, ecologie, milieu, historiek, gebruik en flankerend groen) die op 19 april 2013 (jaarnummer 3880) door het college goedgekeurd werden.

Op 8 november 2013 (jaarnummer 11334) keurde het college de visienota voor het bovenlokaal groenplan goed. Daarin werd een basisambitie (streven naar maximale continuïteit) en vier concepten (beleefbaar en avontuurlijk, gezellige rust, biodiversiteit kan overal, structurerende accenten) vastgelegd. Deze vormen de bouwstenen waarmee de gewenste groenstructuur uitgewerkt wordt in het voorontwerp.

Op 26 juni 2015 (jaarnummer 5542) keurde het college het voorontwerp bovenlokaal groenplan 'Levendig Landschap' goed. Ook het informatie- en participatietraject werd goedgekeurd. Het college gaf ook de opdracht om de adviezen in te winnen over het voorontwerp.

Argumentatie

Het voorontwerp bovenlokaal groenplan bestaat uit twee delen:

1) Selecties: In dit deel worden de groenelementen geselecteerd die op bovenlokaal stadsniveau een rol vervullen:

  • robuuste ruimten;
  • groene linten;
  • thematische gebieden (Schelde-estuarium, waterrijke gebieden, relictenrijke gebieden, historische groengebieden en nieuwe groengebieden);
  • kerngebieden en ecologische verbindingen;
  • recreatieclusters.

Deze elementen vormen samen de basiskaart voor de uitwerking van een gewenste groenstructuur. Per element worden een ambitie, doelstellingen en enkele generieke richtlijnen meegegeven.

2) Beelden: In dit deel wordt de basiskaart doorvertaald in een gebiedsgericht kader dat 14 landschappen omvat:

  • Scheldeland;
  • Zandvlakte_Linkeroever;
  • Zuidelijke kamers;
  • Struisbeekvallei;
  • Kasteelparken;
  • Schijnvallei;
  • Glacis van Ertbrugge;
  • Laagland;
  • Polders van Stabroek;
  • Wetlands;
  • Opstalvallei;
  • Scheldepolders;
  • Noordelijk heideland;
  • Groene bedding.

Elk landschap wordt gesitueerd in de stadsstructuur. Er wordt voor elk landschap aangegeven welke typische kenmerken het heeft en welke rol het vandaag in de stad opneemt. Aan de hand van concepten wordt uitgelegd hoe een landschap functioneert. Op basis daarvan wordt een focus bepaald, dit is een aantal typische problemen en potenties waarvoor het groenplan vervolgens strategieën en een leidraad voor interventies aanreikt. Deze zijn gekoppeld aan een gewenste groenstructuur per landschap.

Verspreid over de verschillende landschappen werden 10 onderzoekscases opgenomen. De cases zijn plekken die op dit ogenblik een strategisch belang hebben voor de versterking van de stedelijke groenstructuur. Elke case spitst zich tevens toe op een welbepaalde kwestie:

  • Jachthavenslinger: vegetatie;
  • Groenstraat: ontsnippering;
  • Terbeke: geo-logica;
  • Bloemenveld: klimaat;
  • Hoekakker-Laar: water;
  • Puihoek-Leugenberg: structuren;
  • Molenakker: beleving;
  • Hoefblad: edu-creatie;
  • SchijnSchelde-verbinding: reconversie;
  • Spoor-Oost: her-gebruik.

De cases zijn illustratief voor deze kwesties en geven suggesties van mogelijke landschappelijke oplossingen. Vanuit elke case wordt aangegeven waar in de stad dezelfde kwesties optreden en dus een gelijkaardige benadering wenselijk is.

De 14 landschappen en alle casekwesties vormen samen een hypothesekaart voor de gewenste groenstructuur: het levendig landschap. Deze hypothesekaart wordt tijdens de zomer van 2015 aan een ruime consultatieronde onderworpen:

  1. adviezen stadsdiensten;
  2. adviezen districtsbesturen;
  3. adviezen hogere overheid (Provincie en Vlaanderen);
  4. adviezen GECORO en Adoma;
  5. advies Natuurpunt;
  6. adviezen randgemeenten;
  7. informatie- en participatietraject bewoners/groengebruikers.

Voor het informatie- en participatietraject werd een voorstel uitgewerkt in samenwerking met Antwerpen aan het Woord, Stedelijk Wijkoverleg en Natuurpunt.
De samenwerking met Antwerpen aan het Woord kadert in de uitvoeringsovereenkomst 2015, tussen de vzw Antwerpen aan het Woord en de stad Antwerpen, goedgekeurd door het college op 13 februari 2015 (jaarnummer 1258).

Het informatieluik bestaat uit 14 infototems (één per landschap) die in de landschappen geplaatst worden tijdens de maanden juli, augustus en september. Elke totem geeft uitleg over het groenplan (als plandocument) en het betreffende landschap (vandaag en wensbeeld).

Het participatieluik bestaat enerzijds uit 14 begeleide wandelingen (één per landschap) tijdens de maand augustus en anderzijds een debatmoment begin oktober. Tijdens elke wandeling wordt niet alleen de uitleg vanuit het groenplan over het betreffende landschap gegeven, maar wordt door Antwerpen aan het Woord op een aantal plekken een mogelijkheid voorzien om mee na te denken over bepaalde problematieken en oplossingen. Antwerpen aan het Woord bundelt de reacties tijdens deze momenten en bereidt vervolgens daarmee een debatmoment voor. Op dit debatmoment buigen bevoorrechte wandelaars en enkele externe groenexperten zich over de input die uit de wandelingen komt en wordt een aanbeveling gemaakt hoe hiermee in het groenplan kan omgesprongen worden.

Besluit

De districtsraad Berendrecht Zandvliet Lillo keurt eenparig het volgende besluit goed.

De districtsraad berendrecht zandvliet lillo beslist:

Artikel 1

De districtsraad adviseert het voorontwerp bovenlokaal groen ‘Levendig Landschap’ gunstig op voorwaarde dat de verdere uitwerking van het plan met de volgende opmerkingen rekening houdt:

Het district Berendrecht-Zandvliet-Lillo wordt betrokken bij het uitwerken van de definitieve versie van het groenplan, zodat het district Berendrecht-Zandvliet-Lillo lokale accenten kan leggen in overeenstemming met de eigenheid van dit district, en in overeenstemming met de “structuurschets Berendrecht-Zandvliet-Lillo”. Aanpassingen die alvast moeten meegenomen worden, zijn:

  • De benaming van de casus “Hoefblad” dient, indien afdoende argumentatie van de ontwerpers ontbreekt, gewijzigd te worden naar bvb. “De Steenovens” of “De Ruige Heide”.
  • Het opnemen van lawaai-hinder van Haven en A12 Havenweg en de mogelijke goederenspoorlijn 11 als bedreigingen voor de avifauna van de verschillende betrokken landschappen.
  • Het opnemen van de bedreiging van eventuele plaatsing van windturbines in de Kabeljauwpolder of andere landschappen.
  • Het gebied ‘Molenakker/Windmolenweg’ behoort, gelet op de bodemsamenstelling, eerder tot het heidelandschap in plaats van tot het polderlandschap.  Bij voorkeur wordt dit toegevoegd aan het gebied 'Noorderlijk Heideland' of wordt de benaming 'collectieve dorpenweide' gehanteerd, zoals in de structuurschets. Volledigheidshalve dient de padestructuur in de case 'Molenakker' geactualiseerd en wordt de tekst best nagekeken op straatnamen en - benamingen.
  • ‘De Zouten’, als deel van het havengebied,  dient definitief bestemd te worden als ecologische bufferzone in plaats van als zone voor bedrijvigheid.  Het noordelijk gebied langsheen het Kanaaldok moet gevrijwaard blijven van elke vorm van bedrijvigheid. Dit biedt betere garanties tegen een eventuele verdere uitbreiding of ontwikkeling van het havengebied.
  • Voor de Scheldeoevers wordt ook het infiltreren of conserveren van collectieve dorpenweides als strategie weerhouden.
  • Het erkennen van het Centrum voor Jeugdtoerisme (CJT) Ruige Heide als vergund jeugdverblijf, dat losgekoppeld moet worden van het terecht vooropgestelde zuiveren van de “verrommeling” die dat gebied treft. Een eventuele koppeling met de hierboven vermelde edu-toegangspoort aan de Ruige Heide behoort mogelijks tot een piste.
  • Duidelijkheid over de gevolgen voor de bestaande vakantiehuisjes en weekendverblijven waarbij maatregelen zoals onteigening moeten vermeden worden.
  • Duidelijkheid over het uitdovingsscenario voor de sportvoorzieningen en de begeleidende maatregelen voor de betrokken sportclubs die hierbij geen financieel nadeel mogen lijden.
  • Wat betreft het lopende project Opstalvallei (fase 2) zouden recente mogelijke pistes (bvb. meanderbeek) mee opgenomen moeten worden, alsook de uitdrukkelijke vraag van het district om een klein stuk binnendijkse grond, tegenover garage Kerschot, te onttrekken uit het project. Ook de andere reeds eerder geformuleerde opmerkingen van het district omtrent Opstalvalleigebied fase 2 moeten worden opgenomen in het bovenlokaal groenplan.
  • Verdere uitwerking van het groenplan moet in overeenstemming met de structuurschets gebeuren.

Het voorliggend voorontwerp van het bovenlokaal groenplan “Levendig Landschap” heeft geen budget, noch juridisch kader. Om aan dit laatste te verhelpen zal het definitieve groenplan toekomstig ingebed worden in de actualisatie van het s-RSA (Ruimtelijk Structuurplan Antwerpen), waarin vanzelfsprekend gekoppeld moet worden naar de lokale “Structuurschets Berendrecht-Zandvliet-Lillo” en het aangepaste definitieve bovenlokaal groenplan. Mocht deze juridisering op zijn beurt financiële gevolgen hebben voor het district, dient er duidelijkheid te komen over het dragen van de kosten.

Indien uitvoerbare projecten in de nabije toekomst (moeten) worden uitgevoerd, wilt het district op de hoogte gebracht worden van de precieze timing, en de financiële gevolgen begroot zien. Ook indien het definitieve groenplan de beheerskosten van het groenonderhoud ten laste van het district beïnvloedt, moeten de financiële repercussies voor het district worden begroot.

Artikel 2

Dit besluit heeft in principe geen financiƫle gevolgen.