Op 16 oktober 2014 (jaarnummer 6843) ondertekende het stadsbestuur het burgemeestercovenant ‘Mayors Adapt’. Hierbij engageerde de stad Antwerpen zich tot het uitwerken van een stedelijke klimaatadaptatiestrategie en de directe implementatie van adaptatiemaatregelen in haar lopende plannen en processen. Op 22 mei 2015 (jaarnummer 4294) zijn de krijtlijnen van de strategie beschreven in de actualisatie van het klimaatplan 2015-2020.
De steden zijn erg kwetsbaar voor stortregens. De combinatie van grote afvoerdebieten die te wijten zijn aan een weinig doorlatende bodem, of hoge verstedelijkingsgraad en de beperkingen van een historisch gegroeid rioolnetwerk dat niet overal afgestemd is op de huidige aangesloten verhardingen, kunnen plaatselijk zorgen voor wateroverlast. In geval van lokale overstromingen kan de schade in de stedelijke omgeving al gauw hoog oplopen. Regionale klimaatprognoses voorspellen voor de toekomst nog hevigere stortregens. Daarom besliste het stadsbestuur op 18 juli 2014 (jaarnummer 7460) om de opdracht ‘Modellering en beleidsaanbevelingen ten aanzien van neerslag in Antwerpen’ te gunnen aan de afdeling hydraulica van de KU Leuven. Met dit collegebesluit worden de huidige resultaten van de studie bekendgemaakt en vervolgacties goedgekeurd.
Een lokale klimaatmodellering voor de stad Antwerpen
In 1994 installeerde de stad Antwerpen een lokaal netwerk van 12 pluviografen. Aanleiding was de problematische historiek van de stad Antwerpen qua riool- en rivieroverstromingen en de vraag of dit kon wijzen op een lokaal neerslagklimaat. De pluviografen zijn ondertussen in onbruik geraakt, maar de meetgegevens zijn nu wel gebruikt in de opmaak van een klimaatmodellering die inzage moet geven in het huidig klimaat en de effecten van de klimaatverandering op de Antwerpse regio. Hiervoor werden alle beschikbare klimaatmodellen, meetgegevens en radarbeelden gebruikt. Men is in eerste instantie geïnteresseerd om een beeld te krijgen van extreme neerslag in de stad Antwerpen. Maar de afbakening van het studiegebied is zo gedefinieerd dat de afgeleide klimaatscenario’s bruikbaar zijn om de impact van de klimaatverandering te berekenen op overstromingskansen en -gevolgen langs zowel rioleringen als waterlopen. Naast neerslagintensiteiten is ook gekeken naar de toekomstige evolutie van andere klimatologische parameters.
Ruimtelijke variatie in Antwerps neerslagklimaat
Uit de studie van de KU Leuven blijkt dat de extreme neerslagintensiteiten, die typisch verantwoordelijk zijn voor de lokale riolerings- en waterloopoverstromingen, gemiddeld vergelijkbaar zijn met deze te Ukkel, maar in en rond de stad Antwerpen ruimtelijk wel sterk variabel zijn. Sommige pluviografen tonen 30-40% hogere neerslagintensiteiten dan gemiddeld in Vlaanderen, in andere werden juist 30-40% lagere intensiteiten dan gemiddeld gemeten. Dit zou betekenen dat stortregens die leiden tot overlast gemiddeld heviger zijn in sommige locaties (voorbeeld het stadscentrum en Deurne) dan in andere locaties (voorbeeld delen van de Zuidrand, Linkeroever en de noordelijke randgemeenten van de stad Antwerpen). Als vergelijkende analyse werden de neerslaggegevens van Ukkel en de lokale neerslaggegevens uit de studie gebruikt om de overstromingskansen van het huidig Antwerpse rioolnetwerk te berekenen. De resultaten van beide impactstudies werden vergeleken met de locaties van een eerste set van historische overstromingsincidenten. De resultaten wijzen inderdaad op een ruimtelijke variatie van de neerslagpatronen. Deze studie biedt aldus nieuwe inzichten, maar de meetreeksen waarop beroep werd gedaan zijn nog vrij kort (5-10 jaar) (beperkte steekproefomvang). Daarom mogen de resultaten niet als ‘exact’ worden geïnterpreteerd en is het ook belangrijk om het lokaal klimaat verder te monitoren en de overstromingsincidenten nauwkeurig bij te houden en te documenteren voor verdere verfijning van de modellen.
Hoe zal het neerslagklimaat in de toekomst evolueren?
Hoewel de precieze invloeden nog erg onzeker zijn, zijn volgens de KU Leuven de tendensen (richtingen van verandering) duidelijk. Conform de veranderingen die eerder voor Ukkel werden vastgesteld, krijgt de regio Antwerpen door de toenemende uitstoot aan broeikasgassen in de toekomst te maken met drogere zomers. Juli en augustus zijn uitschieter met een daling van gemiddelde neerslaghoeveelheden tot 30% in 2100. De daling in totale aantal millimeters zomerneerslag is vooral het gevolg van een sterke afname van het aantal dagen met neerslag. De verandering in winterneerslag in minder duidelijk. De wintermaanden kunnen iets natter worden. Dit kan gemiddeld over enkele procenten gaan. Zowel in de winter als de zomer wordt er een afname gevonden van het aantal regenbuien, maar vooral in de zomermaanden kan die afname zeer sterk zijn. Dit betekent echter niet dat de neerslagintensiteiten in de zomer niet kunnen toenemen. Het tegendeel is waar: het regent minder vaak, maar als het regent zal het naar verwachting harder regenen (hogere neerslagintensiteiten).
Wat brengt de klimaatverandering ons nog?
Naast de toename in overstromingskansen en -risico’s langs zowel rioleringen als waterlopen, wijst de studie voor de Antwerpse regio op een verminderde waterbeschikbaarheid in droge zomerperioden. Dit verschijnsel wordt bijkomend versterkt door de toenemende temperatuur en verdamping. Hoewel deze studie niet verder doorgaat op de kwantificering van de droogtetrends, zouden we volgens de KU Leuven in de stad Antwerpen rekening moeten houden met een sterke daling van de laagwaterafvoeren en een daling van meer dan 7% van de jaarlijkse grondwateraanvulling. Verder vermeldt de studie een temperatuurstijging in de stad Antwerpen tussen 2 en 3°C gemiddeld per maand in 2100, voor alle maanden van het jaar, met uitschieters tot 9°C in augustus. De stijging in maximale dagtemperaturen is nog hoger dan de stijging in gemiddelde dagtemperaturen. Het jaarlijks aantal hittegolven zal daardoor stijgen. Onderzoek van VITO over de hitteproblematiek in de stad Antwerpen toont dezelfde tendens. Men verwacht niet alleen een stijging van het aantal hittegolven, maar ook een opmerkelijke stijging van aantal hittegolfdagen. Het aantal hittegolfdagen per jaar zou in delen van de stad Antwerpen toenemen van een 4-tal in het huidig klimaat tot een 35-tal in 2100.
Beleidsaanbeveling: een ‘klimaatverzekering’ voor de stad Antwerpen
Onzekerheden zijn inherent aan zowel modelleringen als klimaatscenario's. Modelleringen maken een zekere vereenvoudiging van de werkelijkheid op basis van beschikbare data. Klimaatscenario’s maken inschattingen van toekomstige evoluties zoals de te verwachten CO2-uitstoot. De onzekerheden mogen volgens de KU Leuven echter geen argument zijn om de klimaatimpactstudies of klimaatadaptatie-maatregelen uit te stellen. Hoe dat best gebeurt en wanneer wel en wanneer niet, kan via het risicoconcept verduidelijkt worden. Het risico op pluviale overstromingen wordt technisch berekend als de kans op voorkomen vermenigvuldigd met de bijhorende gevolgen. Indien ofwel de kans groot is ofwel de gevolgen ofwel beide, zal het risico groot zijn en is het belangrijk om met de klimaatwijzigingen rekening te houden. Net zoals we een brandverzekering nemen voor ons huis omdat de kans misschien wel klein is, maar de schade in geval van brand erg groot, zo zou de stad Antwerpen door een hele set van maatregelen een ‘klimaatverzekering’ moeten nemen. Daarom wordt aanbevolen om de effecten van alle klimaatscenario’s (laag, midden en hoog) te begroten. Indien de effecten belangrijk blijken voor één of meerdere van de scenario's, dient het voorzichtigheidsprincipe gehanteerd te worden. De neerslagmodellering en de klimaatscenario’s moeten aldus als indicatief worden beschouwd en geven op basis van de huidige wetenschappelijke kennis een grootteorde-beeld weer van de grenzen waarbinnen de oplossingen moeten worden gezocht.
Beleidsaanbeveling: op een slimme, flexibele en geïntegreerde manier reeds rekening houden met klimaatwijziging
Uit voorgaande blijkt dat het belangrijk is om bij stadsvernieuwing en stadsuitbreiding nu reeds rekening te houden met de scenario’s met grote gevolgen op vlak van wateroverlast. Naast het voeren van een actief beleid dat er alles aan doet om te voorkomen dat wij in dat scenario terecht komen, zal de uitdaging er in bestaan om ons integraal waterbeheer aan te passen aan de toekomstige omstandigheden. Hiervoor zullen beleids- en beheerbeslissingen en bijhorende maatregelen moeten worden genomen die ‘no regret’ en ‘climate proof’ zijn. Een voorbeeld van dergelijke maatregel, die reeds wordt toegepast in de stad Antwerpen, is het inzetten van ‘bronmaatregelen’ zoals opwaartse bergings- en infiltratievoorzieningen. Deze maatregel pakt zowel wateroverlast als verdroging aan en is meer kostenefficiënt dan de riolen integraal te overdimensioneren. Dit laatste zou bovendien kunnen leiden tot problemen in droge periodes wegens verhoogd gevaar op sedimentatie en verstopping door verlaagde stroomsnelheden.
Maatregelen en ontwerpplannen moeten ook ‘flexibel-adaptief’ gemaakt worden. Zo kunnen ze in de toekomst met beperkte kosten verder worden aangepast aan eventueel bijkomende noden of verder geëvolueerde kennis. Er moet uiteraard vermeden worden dat maatregelen mogelijke aanpassingen hypothekeren.
Eenvoudige, kleine of korte-termijn oplossingen zijn vaak niet voldoende. Klimaatscenario’s leggen namelijk vaak pijnpunten bloot van het huidige systeem. Deze zijn enkel op te lossen door structurele en geïntegreerde oplossingen. Voor het aanpakken van de gecombineerde waterloop-rioleringsproblemen wordt bijvoorbeeld aanbevolen om groenblauwe netwerken op macroniveau uit te bouwen. Deze bieden bovendien ook voordelen naar groentekorten, leefbaarheid, hittestress, grondwaterdaling en ecologie.
Of het nu gaat over lokale bronmaatregelen of gebiedsgerichte structurele oplossingen in de ruimtelijke planning, een goede afstemming tussen waterbeheer, stadsontwerp en ruimtelijke planning is essentieel voor het slagen van het stedelijk adaptatiebeleid.
Beleidsaanbeveling: inzetten op een 'meerlaagse veiligheid'
Ook maatregelen die de schade van extreme regenval beperken zijn volgens de KU Leuven essentieel. In dit kader wordt verwezen naar het principe van de 'meerlaagse waterveiligheid' en de 3 P’s: ‘protectie’, ‘preventie’ en ‘paraatheid’, zoals onder andere vermeld in het Adaptatieplan Vlaanderen.
Terwijl de hoger vermelde maatregelen beogen om de overstromingskans te verminderen (protectie), kunnen via ‘preventie’ de potentiële gevolgen van overblijvende overstromingen verminderd worden. Dit kan bijvoorbeeld via het ‘resiliënt’ (ver)bouwen van woningen en industrie, via een slimme stedenbouw die rekening houdt met potentiële overstromingen of via bouwstop met planologische grondenruil.
Tot slot kan men de gevolgen ook beperken door het verhogen van de 'paraatheid'. Dat laatste kan via bewustwordingscampagnes die niet enkel het maatschappelijk draagvlak voor bijvoorbeeld bronmaatregelen verhoogt, maar ook de zelfredzaamheid van mensen vergroot. Binnen de context van het verhogen van de ‘paraatheid’, adviseert de KU Leuven om ook verder in te zetten op het verbeteren van onze voorspellings- en waarschuwingssystemen voor extreme meteorologische omstandigheden als neerslag, hagel, windstormen, maar ook voor overstromingen en watertekorten.
Wat doen de stad Antwerpen en rioolbeheerder?
De afgelopen decennia is de stad Antwerpen, en sinds 2004 ook de rioolbeheerder, bezig met het tegengaan van wateroverlast door overstromingen van het rioolnetwerk, waterlopen en grachten. De bestaande openbare rioleringen zijn in het verleden ontworpen voor buien die statistisch gezien een terugkeerperiode van vijf jaar hebben. In sommige delen van de binnenstad werd in het verleden ook al rekening gehouden met veel grotere capaciteiten. Zo zijn de moerriolen en ruien berekend om het toestromende regenwater uit de stad Antwerpen bij hoogtij op de Schelde tijdelijk te kunnen bergen.
De tendens naar ‘extremere buien’ is de laatste jaren reeds zichtbaar. De stad Antwerpen en rioolbeheerder nemen ook hierin hun verantwoordelijkheid. Conform de ‘code van goede praktijk voor rioleringssystemen’ is in 2012 wettelijk opgelegd om de capaciteit van rioolstelsels uit te breiden tot een statistische twintigjaarlijkse bui. In onze stadsontwikkelingsprojecten wordt daar uiteraard rekening mee gehouden. Ook bij verkavelingen en projectontwikkelingen, zoals Regatta en Nieuw Zuid, wordt ruim voldoende capaciteit bereikt door een geïntegreerd ruimtelijk ontwerp van wadi’s en infiltratiebekkens in de openbare ruimten. Zodoende wordt maximaal geïnvesteerd in bronmaatregelen. Om wateroverlast in de bestaande woonwijken te minimaliseren, worden bij bestratings- en rioleringswerken standaard infiltratieleidingen onder het openbaar domein voorzien, alsmede aanpassingswerken aan rioolinfrastructuur (voorbeeld pompen, schuiven, kleppen …) gedaan om de afvoercapaciteiten te verbeteren. Ook worden buffer- en bergingsbekkens aangelegd en worden de openbare riolering, de straatkolken en de grachten regelmatig gereinigd.
De stad Antwerpen en rioolbeheerder stellen ook een ‘hemelwaterplan’ op. De bedoeling is een strategie uit te werken om de nodige buffering van hemelwater te bekomen in alle Antwerpse wijken, rekening met de maatregelen op verschillende niveaus (bronmaatregelen op privaat terrein, aanpassing van het rioolstelsel, intelligent ontwerp van openbare ruimte). De neerslagstatistieken en klimaatscenario’s uit deze studie zullen daarbij als controleberekening worden doorgerekend. Ze kunnen input leveren om een zo genuanceerd mogelijk antwoord te geven op de klimaatverwachtingen, onzekerheden en op de fasering van maatregelen per wijk. Eventuele extra maatregelen zullen worden onderzocht. In een stedelijk ‘waterplan’ zal de stad Antwerpen vervolgens dieper ingaan op de ruimtelijke integratie van hemelwatervoorzieningen in het openbaar domein.
Tenslotte stimuleert de stad Antwerpen ook bronmaatregelen op privaat domein. In de bouwcode werden buiten de regelgeving van de gewestelijke hemelwaterverordening ambitieuze maatregelen opgenomen op vlak van buffering (voorbeeld groendaken) en infiltratie (waterdoorlatende materialen, maximale verharding,...) voor nieuwbouw en grondige verbouwing. Via het Ecohuis worden de Antwerpenaren gesensibiliseerd over particuliere maatregelen als groendaken en regenwaterputten via informatie en subsidies.
Wat kan de Antwerpenaar doen?
Zoals vermeld in de beleidsaanbevelingen van de KU Leuven hebben de Antwerpenaren zelf een belangrijke strategische rol in het nemen van bronmaatregelen. Hoe minder regenwater er naar de riolering gaat, hoe lager het risico op wateroverlast in de woning.
Het regenwater moet op zoveel mogelijk plaatselijk worden hergebruikt, gebufferd en geïnfiltreerd. Dit kan door voor waterdoorlatende materialen te kiezen en door groendaken en regenwaterputten aan te leggen. Het overtollige water van daken en verharding kan best naar infiltratievoorzieningen in de tuin worden geleid. Bij nieuwbouw en verbouwing is dit via de gewestelijke hemelwaterverordening en bouwcode reeds verplicht. Hierin is ook de regelgeving beschreven ten aanzien van verharding, regenwaterputten en groendaken.
Daarnaast dient men de eigen woning te beschermen tegen het binnenstromen van water. In de bouwcode worden bijkomende maatregelen opgelegd, die voorkomen dat regen- en afvalwater in laag gelegen ruimtes kan binnenkomen. Zo mogen geen ondergrondse ruimtes gravitair aangesloten worden op het rioolstelsel en moeten eigenaars zich beveiligen tegen terugslag vanuit de riolering. Ook bij bestaande woningen moeten klokputjes, uitgietbakken en afvoeren in laaggelegen ruimtes worden vermeden of beveiligd tegen terugslag, door bij voorbeeld het plaatsen (en regelmatig onderhouden) van een terugslagklep. Het regenwater kan ook binnenkomen via keldergaten en inritten naar lager gelegen garages. Men kan drempels voorzien of het water opvangen en pompen via een afvoerleiding die voldoende hoog wordt aangesloten op de riolering of beter, waarbij het opgepompte regenwater wordt afgevoerd naar de tuin.
Verder gebruik van de neerslagmodellering en concrete acties
Het college neemt kennis van de tussentijdse resultaten van de opdracht 'modellering en beleidsaanbevelingen ten aanzien van neerslag in Antwerpen'.
Het college keurt goed in overeenstemming met het engagement in het kader van het convenant ‘Mayors Adapt’ dat de resultaten en beleidsaanbevelingen van de studie verder worden uitgewerkt in bijkomend onderzoek, in communicatie en in de lopende en nieuwe plannen en processen op gebied van stadsontwikkeling, openbaar domein en rampencoördinatie.
Het college keurt goed dat de resultaten van de neerslagmodellering voor medewerkers en publiek ontsloten worden via GIS, website en open data.