Artikel 37, §1 b) van Vlarem I bepaalt dat het college een uitspraak dient te doen over een tijdelijke milieuvergunningsaanvraag klasse 1 of 2.
Aanvrager(s): West Construct nv - Siemenslaan 13 - 8020 Oostkamp. De aanvraag omvat de tijdelijke exploitatie van een bouwwerf.
Het college beslist op basis van het verslag van de dienst milieuvergunningen, dat als bijlage bij dit besluit is gevoegd en sluit zich aan bij deze motivatie.
Het milieuvergunningendecreet van 28 juni 1985, meermaals gewijzigd, en haar uitvoeringsbesluiten (Vlarem I en II) bepalen dat niemand zonder voorafgaande schriftelijke vergunning of melding een als hinderlijk ingedeelde inrichting klasse 1, 2 of 3 mag exploiteren of veranderen.
Het college beslist een tijdelijke milieuvergunning klasse 2 goed te keuren aan West Construct nv gevestigd Siemenslaan 13, 8020 Oostkamp, om op de locatie Carrettestraat zn, 2170 Merksem-Antwerpen, een tijdelijke bouwwerf te exploiteren.
Het college wijst erop dat de volgende algemene en sectorale voorwaarden van toepassing zijn:
|
algemene milieuvoorwaarden – algemeen |
hoofdstuk 4.1, 4.7, 4.9 en bijlagen 4.1.9.1.6, 4.1.9.2.3.1, 4.1.9.2.3.2, 4.1.9.2.3.4 en 4.8; |
|
algemene milieuvoorwaarden – geluid |
hoofdstuk 4.5 en bijlagen 2.2.1, 2.2.2, 4.5.1, 4.5.2, 4.5.3, 4.5.4, 4.5.5 en 4.5.6; |
|
algemene milieuvoorwaarden – oppervlaktewater |
hoofdstuk 4.2 en bijlagen 4.2.5.1, 4.2.5.2 en 4.2.5.4; |
|
algemene milieuvoorwaarden – lucht |
hoofdstuk 4.4 en bijlagen 4.4.1 tot 4.4.6. en hoofdstuk 4.10; |
|
algemene milieuvoorwaarden – licht |
hoofdstuk 4.6. |
|
bedrijfsafvalwaters |
hoofdstuk 5.3.2 en bijlage 5.3.2; |
|
elektriciteit |
hoofdstuk 5.12; |
|
opslag van gevaarlijke producten – gemeenschappelijke bepalingen |
hoofdstuk 5.17.1; |
|
opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen |
hoofdstuk 5.17.3 en bijlage 5.17.1 en 5.17.5; |
|
gevaarlijke vaste stoffen en vloeistoffen – algemene bepalingen |
hoofdstuk 5.17.4.1; |
|
gevaarlijke vloeistoffen – opslag in ondergrondse houders |
hoofdstuk 5.17.4.2; |
|
gevaarlijke vloeistoffen – opslag in bovengrondse houders |
hoofdstuk 5.17.4.3; |
|
winning van grondwater |
hoofdstuk 5.53 en bijlage 5.53.1. |
Het college beslist dat de exploitant de volgende bijzondere voorwaarden en brandweervoorwaarden dient na te leven:
Conform het bodemsaneringsproject “Vamo Mills” moet het geloosde effluent voldoen aan de hieronder opgenomen lozingsnormen. Voor benzo (g,h,i) peryleen en indeno (1,2,3-cd) pyreen wordt een strengere norm opgelegd namelijk
0,02 µg/liter (10 x IC).
|
Parameter |
Lozingsnorm (µg/liter) |
Indelingscriterium (µg/liter) |
|
pyreen |
0,4 |
0,04 |
|
antraceen |
1 |
0,1 |
|
benzo(b,k)fluorantenen |
0,3 (som) |
0,03 (som) |
|
hexaan |
180 |
|
|
arseen |
50 |
5 |
|
acenaftyleen |
1 |
4 |
|
benzo(g,h,i)peryleen |
0,02 |
0,002 |
|
naftaleen |
10 |
2 |
|
benzo(a)pyreen |
0,5 |
0,05 |
|
fluoreen |
1 |
2 |
|
vluchtige chloorkoolwaterstoffen |
100 (som) |
|
|
dibenzo(a,h)anthraceen |
1 |
0,5 |
|
acenaftheen |
0,6 |
0,06 |
|
indeno(1,2,3-cd)pyreen |
0,02 |
0,002 |
|
fenantreen |
1 |
0,1 |
|
minerale olie |
500 |
|
|
benzo(a)antraceen |
1 |
0,3 |
|
chryseen |
1 |
1 |
B1
Onafhankelijk van de verplichtingen aan de houder van de milieuvergunning opgelegd via de vigerende milieureglementering alsmede via het milieuvergunningsbesluit, en onverminderd de maatregelen ter voorkoming en bestrijding van brand, door de houder van de milieuvergunning te treffen in uitvoering van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden, dient de houder van de milieuvergunning reeds te voorzien in de hiernavermelde blusmiddelen voor eerste tussenkomst:
S1
Er dienen minstens twee snelblustoestellen van minstens één bluseenheid conform NBN EN 3-7 - bij voorkeur 6 kg poeder type ABC - gelijkmatig verdeeld over de inrichting, te worden aangebracht.
S2
Snelblustoestellen van minstens één bluseenheid conform NBN EN 3-7 - bij voorkeur 6 kg poeder type ABC - dienen goed verdeeld aangebracht à rato van 1 toestel per 150 m² (binnenruimte). Voor brandcompartimenten kleiner dan 300 m² dienen er in elk geval minstens twee toestellen aanwezig te zijn.
Er mogen nochtans gedeeltelijk mobiele bluseenheden of snelblustoestellen van een ander type aangewend worden op de plaatsen waar zij meer aangewezen zijn, voor zover de aangebrachte blusmiddelen minstens eenzelfde bluseenheid conform NBN EN 3-7 bezitten en evenwaardig zijn aan de bovenvermelde.
H1
Muurhaspels met axiale voeding (conform NBN EN 671-1) aangesloten via een aangepaste leiding op de openbare waterbedeling of ander gelijkwaardig voedingssysteem, dienen op oordeelkundig gekozen plaatsen opgesteld zodanig dat elk punt van de inrichting kan bespoten worden.
Hun aantal wordt zodanig bepaald dat de af te leggen afstand vanaf om het even welk punt tot het dichtst bijgelegen toestel niet meer bedraagt dan de lengte van de gebruikte haspels.
De haspels dienen gevoed met een leiding onder druk zodanig dat het debiet bij de minst bedeelde haspel gelijk is aan of groter dan 24 liter per minuut.
De leidingen voor bluswater dienen vervaardigd in staal of in een metaal dat minstens dezelfde waarborgen biedt.
De geplaatste muurhaspels dienen voorzien van een vergrendeling derwijze dat men het afsluitmondstuk niet kan verwijderen zonder het openen van een handbediende afsluiter op de watertoevoer.
De waterlevering moet te allen tijde, ook tijdens vorstperiode, gewaarborgd zijn.
Het college beslist dat de milieuvergunning ingaat op 4 december 2015 en eindigt op 4 december 2016.