Artikel 36,4° van Vlarem I bepaalt dat het college een uitspraak dient te doen over een milieuvergunningsaanvraag klasse 2.
Aanvrager(s): Aardappelcentrale nv - Leugenberg 64 - 2180 Ekeren-Antwerpen. De aanvraag omvat de exploitatie van een aardappelverwerkingsbedrijf.
Op de zitting van 30 oktober 2015 werd reeds een besluit genomen over voorliggend dossier met jaarnummer 2015_CBS_08961. Het CBS besliste op deze datum een vergunning toe te staan aan Aardappelcentrale nv. Door een materiële vergissing werd hier een foutieve omschrijving van rubriek 15.1.1 gebruikt. Om duidelijkheid te bewaren bestaat dan ook aanleiding om het vergunningsbesluit te vervangen door voorliggend besluit.
Het college beslist op basis van het verslag van de dienst milieuvergunningen, dat als bijlage bij dit besluit is gevoegd en sluit zich aan bij deze motivatie.
Het milieuvergunningendecreet van 28 juni 1985, meermaals gewijzigd, en haar uitvoeringsbesluiten (Vlarem I en II) bepalen dat niemand zonder vergunning of melding een hinderlijk inrichting mag exploiteren.
Het college beslist een milieuvergunning, zoals geformuleerd in de argumentatie, goed te keuren aan Aardappelcentrale nv, Leugenberg 64, 2180 Ekeren-Antwerpen. De vergunning heeft als voorwerp: het exploiteren van een aardappelverwerkingsbedrijf.
Dit besluit vervangt het collegebesluit met jaarnummer 2015_CBS_08961.
Het college wijst erop dat de volgende algemene en sectorale voorwaarden van toepassing zijn:
Algemene voorwaarden:
|
algemene milieuvoorwaarden – algemeen |
hoofdstuk 4.1, 4.7, 4.9 en bijlagen 4.1.9.1.6, 4.1.9.2.3.1, 4.1.9.2.3.2, 4.1.9.2.3.4 en 4.8; |
|
algemene milieuvoorwaarden – geluid |
hoofdstuk 4.5 en bijlagen 2.2.1, 2.2.2, 4.5.1, 4.5.2, 4.5.3, 4.5.4, 4.5.5 en 4.5.6; |
|
algemene milieuvoorwaarden – oppervlaktewater |
hoofdstuk 4.2 en bijlagen 4.2.5.1, 4.2.5.2 en 4.2.5.4; |
|
algemene milieuvoorwaarden – lucht |
hoofdstuk 4.4 en bijlagen 4.4.1 tot 4.4.6. en hoofdstuk 4.10; |
|
algemene milieuvoorwaarden – licht |
hoofdstuk 4.6. |
Sectorale voorwaarden:
|
bedrijfsafvalwaters |
afdeling 5.3.2 + bijlage 5.3.2 + sector 1a; |
|
elektriciteit |
hoofdstuk 5.12; |
|
garages, parkeerplaatsen en herstellingswerkplaatsen voor motorvoertuigen |
hoofdstuk 5.15; |
|
fysisch behandelen van gassen |
afdeling 5.16.3; |
|
opslag van gevaarlijke producten – gemeenschappelijke bepalingen |
afdeling 5.17.1; |
|
opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen |
afdeling 5.17.3 en bijlage 5.17.1 en 5.17.5; |
|
gevaarlijke vaste stoffen en vloeistoffen – algemene bepalingen |
afdeling 5.17.4.1; |
|
gevaarlijke vloeistoffen – opslag in ondergrondse houders |
afdeling 5.17.4.2; |
|
gevaarlijke vloeistoffen – opslag in bovengrondse houders |
afdeling 5.17.4.3; |
|
voedingsnijverheid en handel – algemeen |
afdeling 5.45.1; |
|
winning van grondwater |
hoofdstuk 5.53 en bijlage 5.53.1. |
Het college wijst erop dat de volgende bijzondere voorwaarden en brandweervoorwaarden van toepassing zijn:
Bijzondere voorwaarden:
het lozingspunt voor buitengewone bedrijfsomstandigheden wordt uit dienst genomen;
de betrokken afvoerleiding wordt aangesloten op de bestaande pompput, zodat alle afvalwaters naar de WZI verpompt en behandeld zullen worden. Uiterlijk op 1 maart 2016 dient de exploitant een bewijs hiervan over te maken aan het college van Burgemeester en Schepenen, Grote Markt 1 in 2000 Antwerpen; én aan de VMM buitendienst Nete & Beneden-Schelde, dienst Milieuvergunningen, Van Benedenlaan 34, 2800 Mechelen.
het totale stikstofgehalte, de som van verschillende stikstofverbindingen zowel organische als anorganische, in het geloosde afvalwater mag de concentratie van 15 mg/liter niet overschrijden.
Brandweervoorwaarden:
B1
Onafhankelijk van de verplichtingen aan de houder van de milieuvergunning opgelegd via de vigerende milieureglementering alsmede via het milieuvergunningsbesluit, en onverminderd de maatregelen ter voorkoming en bestrijding van brand, door de houder van de milieuvergunning te treffen in uitvoering van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden, dient de houder van de milieuvergunning reeds te voorzien in de hiernavermelde blusmiddelen voor eerste tussenkomst:
S1
Er dienen minstens twee snelblustoestellen van minstens één bluseenheid conform NBN EN 3-7 - bij voorkeur 6 kg poeder type ABC - gelijkmatig verdeeld over de inrichting, te worden aangebracht.
S23
Snelblustoestellen van minstens één bluseenheid conform NBN EN 3-7 - bij voorkeur 6 kg poeder type ABC - dienen aangebracht bij elk punt of lokaal met verhoogd risico, zoals ondermeer pompen, compressoren, lasposten, belangrijke elektriciteitsborden, enzovoort. In de inrichting dienen minstens twee toestellen aanwezig te zijn. Er mogen nochtans gedeeltelijk mobiele bluseenheden of snelblustoestellen van een ander type aangewend worden op de plaatsen waar zij meer aangewezen zijn, voor zover de aangebrachte blusmiddelen minstens eenzelfde bluseenheid conform NBN EN 3-7 bezitten en evenwaardig zijn aan de bovenvermelde.
S9
Een snelblustoestel van 5 kg CO2 - ½ bluseenheid conform NBN EN 3-7 - dient aangebracht nabij de toegang tot de hoogspanningscabine.
H1
Muurhaspels met axiale voeding (conform NBN EN 671-1) aangesloten via een aangepaste leiding op de openbare waterbedeling of ander gelijkwaardig voedingssysteem, dienen op oordeelkundig gekozen plaatsen opgesteld zodanig dat elk punt van de inrichting kan bespoten worden. Hun aantal wordt zodanig bepaald dat de af te leggen afstand vanaf om het even welk punt tot het dichtst bijgelegen toestel niet meer bedraagt dan de lengte van de gebruikte haspels. De haspels dienen gevoed met een leiding onder druk zodanig dat het debiet bij de minst bedeelde haspel gelijk is aan of groter dan 24 liter per minuut. De leidingen voor bluswater dienen vervaardigd in staal of in een metaal dat minstens dezelfde waarborgen biedt. De geplaatste muurhaspels dienen voorzien van een vergrendeling derwijze dat men het afsluitmondstuk niet kan verwijderen zonder het openen van een handbediende afsluiter op de watertoevoer. De waterlevering moet te allen tijde, ook tijdens vorstperiode, gewaarborgd zijn.
Het college beslist dat de milieuvergunning ingaat op 13 november 2015 en eindigt op 13 november 2035.