Terug

2015_CBS_05614 - Aanvraag stedenbouwkundige vergunning. Reguliere procedure - 20151011 - district Antwerpen - Terninckstraat 22 - Goedkeuring

college van burgemeester en schepenen
vr 03/07/2015 - 09:00 collegezaal, stadhuis
Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig

Bart De Wever, burgemeester; Koen Kennis, schepen; Philip Heylen, schepen; Ludo Van Campenhout, schepen; Claude Marinower, schepen; Marc Van Peel, schepen; Rob Van de Velde, schepen; Nabilla Ait Daoud, schepen; Fons Duchateau, schepen; Sven Cauwelier, waarnemend stadssecretaris

Afwezig

Serge Muyters, korpschef; Roel Verhaert, stadssecretaris

Secretaris

Sven Cauwelier, waarnemend stadssecretaris

Voorzitter

Bart De Wever, burgemeester
2015_CBS_05614 - Aanvraag stedenbouwkundige vergunning. Reguliere procedure - 20151011 - district Antwerpen - Terninckstraat 22 - Goedkeuring 2015_CBS_05614 - Aanvraag stedenbouwkundige vergunning. Reguliere procedure - 20151011 - district Antwerpen - Terninckstraat 22 - Goedkeuring

Motivering

Onderzoek

Nee

Regelgeving: bevoegdheid

Artikel 4.7.12. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening stelt dat het college bevoegd is om de beslissing te nemen over een aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning.

Aanleiding en context

Aanvragers: Sint-Lievenscollege
De aanvraag omvat: nieuwbouw van een sporthal op een schoolterrein
Dossiernummer: AN0/B/20151011

Argumentatie

Voorafgaand aan zijn beslissing neemt het college conform artikel 4.7.17 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening kennis van het verslag van de gemeentelijk stedenbouwkundig ambtenaar dat als bijlage bij dit besluit is gevoegd.

Juridische grond

De Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en zijn uitvoeringsbesluiten.

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college sluit zich integraal aan bij:
  • het verslag van de gemeentelijk stedenbouwkundig ambtenaar en maakt dit tot zijn eigen motivatie.

Artikel 2

Het college beslist de stedenbouwkundige vergunning goed te keuren en af te leveren aan de aanvrager, die ertoe gehouden is:
  • het advies van de brandweer strikt na te leven;
  • de nieuwe grote bomen die aangeduid staan op de plannen, na de werken aan te planten;
  • de geplande nieuwe ingrepen vooraf te laten gaan door een archeologische begeleiding van de uitgraving, conform de Bijzondere Voorwaarden voor een archeologische opgraving;
  • te voldoen aan de Bijzondere Voorwaarden van het Agenschap Onroerend Erfgoed:
    1. Voorafgaand aan de realisatie van het project dient het hele terrein door een archeologische opgraving in de vorm van een begeleiding te worden onderzocht en dit in opdracht van de bouwheer die de financiële lasten hiervoor draagt. Deze opgraving heeft als doel het terrein te screenen op aan- of afwezigheid van archeologisch erfgoed, om een ongedocumenteerde vernieling van waardevol archeologisch erfgoed te vermijden.
    2. De archeologische opgraving dient te worden uitgevoerd conform de bepalingen van het archeologiedecreet. Dit betekent onder meer dat de opgraving, inclusief de rapportage, wordt uitgevoerd door en onder leiding van een archeoloog. De archeoloog vraagt hiertoe een opgravingsvergunning aan bij het agentschap (Onroerend Erfgoed, Brussel, Back Office Beheer, Koning Albert II-laan 19, bus 5, 1210 Brussel). Aan deze vergunning worden bijzondere voorwaarden gehecht. De bouwheer kan deze bijzondere voorwaarden vooraf opvragen bij de provinciale dienst van het agentschap Onroerend Erfgoed (zie hoofding) om de aanbesteding van de archeologische opgraving vlot te laten verlopen.
    3. De archeologische opgraving omvat eveneens de opmaak van een rapport. Dit rapport moet, conform de bijzondere voorwaarden, binnen een bepaalde termijn na het afronden van het onderzoek aan het agentschap Onroerend Erfgoed worden toegezonden. Pas na de ontvangst van het rapport kan het agentschap Onroerend Erfgoed beoordelen of de gronden kunnen worden vrijgegeven wegens een gebrek aan relevante archeologische sporen.
    4. Indien wel relevante archeologische sporen aangetroffen worden, dient afgewogen te worden of behoud in situ mogelijk is. Kan dit niet, dan moet de bouwheer de nodige tijd én financiële middelen voorzien voor een volwaardige archeologische opgraving voorafgaand aan de werken.”

Artikel 3

Dit besluit heeft in principe geen financiƫle gevolgen.

Bijlagen