Terug

2015_CBS_06585 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - Altripan nv, Luithagen-Haven 19, 2030 Antwerpen. Dossiernummer MV2015/225/AVG - Goedkeuring

college van burgemeester en schepenen
vr 07/08/2015 - 09:00 digitaal
Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig

Ludo Van Campenhout, schepen; Claude Marinower, schepen; Marc Van Peel, schepen; Rob Van de Velde, schepen; Nabilla Ait Daoud, schepen; Roel Verhaert, stadssecretaris

Afwezig

Bart De Wever, burgemeester; Koen Kennis, schepen; Philip Heylen, schepen; Fons Duchateau, schepen; Serge Muyters, korpschef

Secretaris

Roel Verhaert, stadssecretaris
2015_CBS_06585 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - Altripan nv, Luithagen-Haven 19, 2030 Antwerpen. Dossiernummer MV2015/225/AVG - Goedkeuring 2015_CBS_06585 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - Altripan nv, Luithagen-Haven 19, 2030 Antwerpen. Dossiernummer MV2015/225/AVG - Goedkeuring

Motivering

Regelgeving: bevoegdheid

Artikel 36,4° van Vlarem I bepaalt dat het college een uitspraak dient te doen over een milieuvergunningsaanvraag klasse 2.

Aanleiding en context

Aanvrager(s): Altripan - Luithagen-Haven 19, 2030 Antwerpen. De aanvraag omvat een magazijn voor de opslag van hout en een kantoor.

Argumentatie

Het college beslist op basis van het verslag van de dienst milieuvergunningen, dat als bijlage bij dit besluit is gevoegd en sluit zich aan bij deze motivatie.

Juridische grond

Het milieuvergunningendecreet van 28 juni 1985, meermaals gewijzigd, en haar uitvoeringsbesluiten (Vlarem I en II) bepalen dat niemand zonder vergunning of melding een hinderlijk inrichting mag exploiteren.

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college beslist een milieuvergunning klasse 2 goed te keuren aan Altripan nv, Luithagen - Haven 19, 2030 Antwerpen, om op de percelen gelegen te 2030 Antwerpen, Luithagen – Haven 19, een magazijn voor de opslag van hout en een kantoor te exploiteren.

Artikel 2

Het college wijst erop dat de volgende algemene en sectorale milieuvoorwaarden van toepassing zijn:

Algemene milieuvoorwaarden:

algemene milieuvoorwaarden – hoofdstuk 4.1, 4.7, 4.9 en bijlagen 4.1.9.1.6, 4.1.9.2.3.1, 4.1.9.2.3.2, 4.1.9.2.3.4 en 4.8;

algemene milieuvoorwaarden, geluid – hoofdstuk 4.5 en bijlagen 2.2.1, 2.2.2, 4.5.1, 4.5.2,4.5.3, 4.5.4, 4.5.5 en 4.5.6;

algemene milieuvoorwaarden, oppervlaktewater – hoofdstuk 4.2. en bijlagen 4.2.5.1, 4.2.5.2 en 4.2.5.4;

algemene milieuvoorwaarden, licht – hoofdstuk 4.6;

algemene milieuvoorwaarden, lucht – hoofdstuk 4.4 en bijlagen 4.4.1 tot 4.4.6. en hoofdstuk 4.10.

 

Sectorale milieuvoorwaarden:

garages, parkeerplaatsen en herstellingswerkplaatsen voor motorvoertuigen – hoofdstuk 5.15;

gassen – gemeenschappelijke bepalingen – hoofdstuk 5.16.1 en bijlage 5.16.5;

gassen – koelinrichtingen / compressoren – hoofdstuk 5.16.3;

opslag van gevaarlijke stoffen / ondergrondse en bovengrondse houders – hoofdstuk 5.17.1 en bijlage 5.17.1;

hout – algemeen – hoofdstuk 5.19.1.

Artikel 3

Het college beslist dat de exploitant de volgende bijzondere- en brandweervoorwaarden dient na te leven:

Bijzondere milieuvoorwaarden:

  • conform artikel 4.2.8.1.1. (Vlarem II) moet de lozing van huishoudelijk afvalwater in het individueel te optimaliseren buitengebied gezuiverd worden door middel van een individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater, waarvan de capaciteit is afgestemd op het aangesloten inwonersequivalenten.

Brandweervoorwaarden:

Snelblustoestellen

Snelblustoestellen van minstens één bluseenheid conform NBN EN 3-7 - bij voorkeur 6 kilogram poeder type ABC - dienen goed verdeeld aangebracht à rato van 1 toestel per 150 m² (binnenruimte). Voor brandcompartimenten kleiner dan 300 m² dienen er in elk geval minstens twee toestellen aanwezig te zijn.

Er mogen nochtans gedeeltelijk mobiele bluseenheden of snelblustoestellen van een ander type aangewend worden op de plaatsen waar zij meer aangewezen zijn, voor zover de aangebrachte blusmiddelen minstens eenzelfde bluseenheid conform NBN EN 3-7 bezitten en evenwaardig zijn aan de bovenvermelde.

Snelblustoestellen van minstens één bluseenheid conform NBN EN 3-7 - bij voorkeur 6 kilogram poeder type ABC - dienen aangebracht bij elk punt of lokaal met verhoogd risico, zoals ondermeer pompen, compressoren, lasposten, belangrijke elektriciteitsborden, enz.

In de inrichting dienen minstens twee toestellen aanwezig te zijn.

Muurhydrant

In de inrichting moet een natte brandweerwaterleiding van 75 millimeter diameter geplaatst worden, aangesloten op het waterleidingsnet door middel van een buis van minstens 3" diameter.

Er moeten op deze leiding muurhydranten volgens de norm NBN 571 met een koppelstuk van

45 millimeter diameter, bewapend met persslang van 45 millimeter diameter en 20 meter lengte volgens de norm NBN S-21.024 en straalpijp volgens de norm NBN 548, aangebracht te worden.

Het koppelstuk van 45 millimeter diameter dient van een type te zijn zoals bepaald in het Koninklijk Besluit van 30 januari 1975.

De plaats en het aantal van de hydranten dienen zodanig gekozen dat elke plaats kan bespoten worden.

Artikel 4

Het college beslist dat de milieuvergunning ingaat op 7 augustus 2015 en eindigt op 7 augustus 2035.

Artikel 5

De vergunde inrichting dient in gebruik genomen te worden binnen de 3 jaar vanaf de datum van deze vergunning, zoniet vervalt deze vergunning van rechtswege.

Artikel 6

Dit besluit heeft in principe geen financiƫle gevolgen.