Artikel 36, 4° van Vlarem I bepaalt dat het college een uitspraak dient te doen over een milieuvergunningsaanvraag klasse 2.
Aanvrager(s): Sany Logistics nv - Zagerijstraat 17 - 2960 Brecht. De aanvraag omvat de exploitatie van een opslagmagazijn voor kleuradditief: verandering door uitbreiding.
Het college beslist op basis van het verslag van de dienst milieuvergunningen, dat als bijlage bij dit besluit is gevoegd en sluit zich aan bij deze motivatie.
Het milieuvergunningendecreet van 28 juni 1985, meermaals gewijzigd, en haar uitvoeringsbesluiten (Vlarem I en II) bepalen dat niemand zonder vergunning of melding een hinderlijk inrichting mag exploiteren.
Het college beslist de milieuvergunning klasse 2, zoals geformuleerd in de argumentatie, goed te keuren aan Sany Logistics nv, Zagerijstraat 17, 2960 Brecht, voor de verandering door uitbreiding van een opslagmagazijn voor de opslag van kleuradditief, gelegen op het adres: Lageweg 363, 2660 Hoboken-Antwerpen.
Het college wijst erop dat voor de exploitant de volgende algemene en sectorale voorwaarden van toepassing zijn:
|
algemene milieuvoorwaarden – algemeen |
hoofdstuk 4.1, 4.7, 4.9 en bijlagen 4.1.9.1.6, 4.1.9.2.3.1, 4.1.9.2.3.2, 4.1.9.2.3.4 en 4.8; |
|
algemene milieuvoorwaarden – geluid |
hoofdstuk 4.5 en bijlagen 2.2.1, 2.2.2, 4.5.1, 4.5.2, 4.5.3, 4.5.4, 4.5.5 en 4.5.6; |
|
algemene milieuvoorwaarden – oppervlaktewater |
hoofdstuk 4.2 en bijlagen 4.2.5.1, 4.2.5.2 en 4.2.5.4; |
|
algemene milieuvoorwaarden – lucht |
hoofdstuk 4.4 en bijlagen 4.4.1 tot 4.4.6. en hoofdstuk 4.10; |
|
algemene milieuvoorwaarden – licht |
hoofdstuk 4.6; |
|
gassen – gemeenschappelijke bepalingen |
afdeling 5.16.1 en bijlage 5.16.5; |
|
gassen – koelinrichtingen / compressoren |
afdeling 5.16.3; |
|
opslag van gevaarlijke stoffen / ondergrondse en bovengrondse houders |
afdeling 5.17.1 en bijlage 5.17.1; |
|
opslag van gevaarlijke stoffen: bovengrondse houders |
afdeling 5.17.3 en bijlagen 5.17.2 tot 5.17.4 en bijlage 5.17.7; |
|
kunststoffen |
hoofdstuk 5.23; |
Het college beslist dat de exploitant de volgende bijzondere voorwaarden en brandweervoorwaarden dient na te leven:
- alle verpakkingen, die gevaarlijke stoffen bevatten, moeten voorzien zijn van de gepaste gevaarsymbolen. Alleen op die manier kan het personeel op de hoogte zijn van de mogelijke gevaren;
- de containers, waarin de lijmen opgeslagen worden, moeten voorzien worden van een waarschuwingssymbool;
- de opslag in opleggers voldoet niet aan artikel 5.17.3.7.§2.3° waarin een opstaande rand opgelegd wordt bij de opslag van P4-producten. De exploitant dient een andere opslagplaats te voorzien waar wel aan deze sectorale voorwaarde kan voldaan worden. Binnen de 6 maanden na het verlenen van deze vergunning wordt hiervan een bewijs binnengebracht bij de dienst milieuvergunningen van stad Antwerpen (milieuvergunningen@stad.antwerpen.be);
- indien de opleggers op regelmatige basis gestald worden op de bedrijfsterreinen, dienen deze ook in de vergunning opgenomen te worden onder rubriek 15.1;
- het is strikt verboden om het grondwater uit GWW 2 en GWW 3 te gebruiken voor andere toepassingen dan bluswater. Aangezien deze winningen enkel gebruikt worden voor bluswater wordt hier geen jaardebiet toegekend. Wanneer de putten gebruikt worden voor testdebiet dient wel een teller aanwezig te zijn;
- GWW 1 wordt vergund voor een debiet van 1 m3/dag en maximaal 70 m3/jaar;
- binnen de 2 jaar na de vergunningverlening wordt een alternatieve waterbron gebruikt voor de sanitaire toepassingen. Bij voorkeur wordt er gekozen voor hemelwater. Een bewijs wordt binnengebracht bij de dienst milieuvergunningen van stad Antwerpen (milieuvergunningen@stad.antwerpen.be).
Onafhankelijk van de verplichtingen aan de houder van de milieuvergunning opgelegd via de vigerende milieureglementering alsmede via het milieuvergunningsbesluit, en onverminderd de maatregelen ter voorkoming en bestrijding van brand, door de houder van de milieuvergunning te treffen in uitvoering van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden, dient de houder van de milieuvergunning reeds te voorzien in de hierna vermelde blusmiddelen voor eerste tussenkomst:
Snelblustoestellen
Snelblustoestellen van minstens één bluseenheid conform NBN EN 3-7 - bij voorkeur 6 kg poeder type ABC - dienen goed verdeeld aangebracht à rato van 1 toestel per 150 m² (binnenruimte). Voor brandcompartimenten kleiner dan 300 m² dienen er in elk geval minstens twee toestellen aanwezig te zijn.
Snelblustoestellen van minstens één bluseenheid conform NBN EN 3-7 - bij voorkeur 6 kg poeder type ABC - dienen aangebracht bij elk punt of lokaal met verhoogd risico, zoals onder meer pompen, compressoren, lasposten, belangrijke elektriciteitsborden, enzovoort.
Er mogen nochtans gedeeltelijk mobiele bluseenheden of snelblustoestellen van een ander type aangewend worden op de plaatsen waar zij meer aangewezen zijn, voor zover de aangebrachte blusmiddelen minstens eenzelfde bluseenheid conform NBN EN 3-7 bezitten en evenwaardig zijn aan de bovenvermelde.
Muurhaspels + muurhydrant
Muurhaspels met axiale voeding (conform NBN EN 671-1) + muurhydrant (volgens de norm NBN 571 en voorzien van vaste koppelstukken doormeter 45 mm volgens KB van 30 januari 1975) met gemeenschappelijke watertoevoer met een binnendiameter van tenminste 70 mm dienen op oordeelkundig gekozen plaatsen opgesteld zodanig dat elk punt van de inrichting kan bespoten worden.
Hun aantal wordt zodanig bepaald dat de af te leggen afstand vanaf om het even welk punt tot het dichtst bijgelegen toestel niet meer bedraagt dan de lengte van de gebruikte haspels.
De haspels dienen gevoed met een leiding onder druk zodanig dat het debiet bij de minst bedeelde haspel gelijk is aan of groter dan 24 liter per minuut.
De leidingen voor bluswater dienen vervaardigd in staal of in een metaal dat minstens dezelfde waarborgen biedt.
De geplaatste muurhaspels dienen voorzien van een vergrendeling derwijze dat men het afsluitmondstuk niet kan verwijderen zonder het openen van een handbediende afsluiter op de watertoevoer.
De waterlevering moet te allen tijde, ook tijdens vorstperiode, gewaarborgd zijn.
Bovengrondse hydrant
Rondom de inrichting dienen, op onderlinge afstanden van circa 80 meter, bovengrondse hydranten, van het type BH 100, volgens de norm NBN S 21.019 geplaatst te worden, welke mogen aangesloten worden, met een aansluiting van het directe type op een leiding van minimaal 6" hetzij op het net van de openbare waterleiding, hetzij in eigen beheer gevoed, waarbij tenminste gedurende 2 uren voldoende waterdebiet onder de vereiste druk kan geleverd worden.
De uitgeefkanten van 70 mm Ø dienen bijkomend met gepaste afsluitkranen te worden uitgerust.
De aansluiting op het voedingsnet dient zodanig te zijn dat het maximum debiet onmiddellijk beschikbaar is bij gebruik van de hydranten.
Branddetectie
De inrichting dient uitgerust te worden met een algemene en automatische branddetectie installatie, aangevuld met een manueel systeem om ontruiming te bevelen.
Het aantal, de aard en de plaatsing van de toestellen wordt bepaald door de afmetingen van de lokalen en het risico in de lokalen.
Veiligheidsverlichting
De inrichting moet voorzien worden van veiligheidsverlichting, die onmiddellijk en automatisch in dienst treedt bij het wegvallen van de spanning.
Minimaal dienen armaturen aangebracht te worden boven elke uitgangsdeur, in alle evacuatiewegen (gangen en trappen), in de nabijheid van de brandbestrijdingsmiddelen en in alle lokalen die uitsluitend door kunstlicht bediend worden.
De veiligheidsverlichting dient verder uitgebreid te worden zodanig dat de plaatsing en de verlichtingssterkte voldoende is om een gemakkelijke ontruiming te waarborgen.
De veiligheidsverlichting moet tenminste gedurende 1 uur zonder onderbreking kunnen functioneren.
Aangepaste brandbestrijdingsmiddelen
De in het advies vermeldde brandbestrijdingsmiddelen dienen verder aangevuld te worden aan de in het gebouw of constructie ondergebrachte risico's zoals onder meer de aard van de opgeslagen goederen en de wijze van stapeling ervan.
Het college beslist dat de milieuvergunning ingaat op 13 mei 2015 en eindigt op 12 december 2028, de einddatum van de lopende vergunning.