In de zitting van 13 maart 2015 (jaarnummer 2125) keurde het college het principe van een transitiefonds goed. Het college gaf daarbij opdracht om de principes en de werking ervan uit te werken en in mei terug voor te leggen.
In het collegebesluit van 13 maart 2015 (jaarnummer 2125) zijn 3 manieren opgesomd waarop het transitiefonds gevoed zal worden.
In de praktische uitwerking wordt voorgesteld 2 categorieën in het transitiefonds te benoemen:
ALGEMEEN TRANSITIEFONDS
Het algemeen transitiefonds wordt gevoed door:
- het deel van de budgettaire optimalisatie door het wegwerken van de onderbenutting op de algemene werkingsuitgaven dat niet nodig is voor de besparing van 8,2 miljoen euro. Deze opname in het algemeen transitiefonds zal plaatsvinden bij budgetopmaak 2016;
- 50% van bijkomende besparingen op uitgaven gerealiseerd door reeds voorgestelde of toekomstige optimalisaties. Deze opname in het algemeen transitiefonds zal gebeuren:
- de gerealiseerde voordelen dankzij de inzet van het transitiefonds (exclusief eventuele verkopen van patrimonium);
- het voordeel dat gerealiseerd wordt ten gevolge van onderhandelingen door de gemeenschappelijke aankoopcentrale. Dit voordeel is het verschil tussen enerzijds de prijs van de raming of de offerte (de laagste van beide) en anderzijds de prijs na onderhandeling waarvoor wordt gegund;
- extra ontvangsten door tariefverhogingen. Geraamde extra ontvangsten worden opgenomen in het algemeen transitiefonds na het eerste jaar dat de ontvangsten effectief gerealiseerd zijn.
SPECIFIEKE TRANSITIEFONDSEN
De specifieke transitiefondsen worden gevoed door 50% van bijkomende besparingen op uitgaven gerealiseerd door reeds voorgestelde of toekomstige optimalisaties. De opname in deze transitiefondsen zal gebeuren:
Deze middelen kunnen ingezet worden om nieuw beleid te creëren of bijkomende uitgaven te realiseren binnen de beleidsdoelstellingen waar de optimalisatie werd gerealiseerd. Het nieuw beleid en/of de bijkomende uitgaven dienen het voorwerp uit te maken van een expliciete beslissing van het college.
Het deel van een optimalisatie dat gerealiseerd wordt op het lopend jaar, mag niet gebruikt worden voor een recurrente verhoging of voor nieuw beleid dat recurrent is.
LEDEN VAN DE GROEP
Om de leden van de groep, meer bepaald de Autonome gemeentebedrijven (met uitzondering van het Havenbedrijf) en de EVA-vzw’s, ook te stimuleren om optimalisaties door te voeren, moeten de “restmiddelen” niet meer volledig terugvloeien naar de stad. 50% van de “restmiddelen” kan ingezet worden om nieuw beleid te creëren of bijkomende uitgaven te realiseren binnen de beleidsdoelstelling. Deze herbestemmingen worden wel nog ter goedkeuring aan het college voorgelegd. De overige 50% wordt toegevoegd aan het algemeen transitiefonds.
Het college keurt goed dat in de uitwerking van het transitiefonds 2 categorieën worden benoemd:
Het college keurt goed dat het algemeen transitiefonds wordt gevoed door:
Het college keurt goed dat opname uit het algemeen transitiefonds enkel mogelijk is na uitdrukkelijke goedkeuring van het college. De goedkeuring bestaat uit 2 onderdelen:
Het college keurt goed dat de specifieke transitiefondsen worden gevoed door 50% van bijkomende besparingen op uitgaven gerealiseerd door reeds voorgestelde of toekomstige optimalisaties.
Het college keurt goed dat opname uit de specifieke transitiefondsen enkel mogelijk is na een expliciete beslissing van het college.
Het college keurt goed dat de AG’s en EVA-vzw’s 50% van de “restmiddelen” kunnen inzetten voor nieuw beleid, mits goedkeuring van de herbestemming door het college. De overige 50% wordt toegevoegd aan het algemeen transitiefonds.
Het college keurt goed dat de principes en de werking van het algemeen transitiefonds en de specifieke transitiefondsen gelden tot en met 31 december 2019.
Het college geeft opdracht aan:
| Financiën |
Bij elk budgetproces een overzicht aan te leveren van alle bewegingen van het algemeen transitiefonds en de specifieke transitiefondsen. |