Op 23 januari 2012 keurde de gemeenteraad (jaarnummer 44) goed dat de stad Antwerpen als partnerstad deelneemt aan het Interreg IVb NWE-project JOAQUIN (Joint Air Quality Initiative). Naast het opzetten van een transnationaal permanent meetnet, dat de evolutie van de luchtverontreiniging in de grotere regio in beeld brengt, heeft JOAQUIN tot doel kaarten op te maken van de actuele en toekomstige luchtkwaliteit. Op basis daarvan kunnen gerichte informatie- en sensibilisatiecampagnes gelanceerd worden, en kunnen lokale, regionale en Europese beleidsplannen bijgestuurd worden.
Op 24 januari 2014 (jaarnummer 710) nam het college kennis van de luchtkwaliteitskaarten voor fijn stof, elementair koolstof en stikstofdioxide die met steun van JOAQUIN werden gemaakt en keurde het de ontsluiting van de kaarten goed. De actualisering en verfijning van luchtkwaliteitskaarten werden uitgevoerd door de Vlaamse instelling voor technologisch onderzoek (VITO). Daardoor werd automatisch gekozen voor de opmaak van luchtkwaliteitskaarten aan de hand van rekenmodellen die VITO zelf ontwikkelt en beheert.
Aanvullend op de bestaande set van luchtkwaliteitskaarten keurde het college op 19 september 2014 het bestek, de procedure en de gunning goed voor de opmaak van luchtkwaliteitskaarten voor ultrafijn stof (ultra fine particles of UFP) (jaarnummer 9514). Bedoeling van de opdracht is inzicht te krijgen in de huidige toestand voor UFP in de Antwerpse agglomeratie en een prognose te maken voor de jaren 2015 en 2020.
Naar analogie van de andere Antwerpse luchtkwaliteitskaarten werden nu ook voor de ultrafijne stoffractie (UFP) kaarten opgemaakt. De data werden grotendeels samengebracht in functie van de modelleringsopdracht voor de stad Antwerpen in 2013 en kon voor aanvulling en validatie ontleend worden aan de UFP-kaart, die op vraag van de Intergewestelijke Cel voor het Leefmilieu (IRCEL) voor de hele Noordwest-Europese regio eveneens door VITO wordt opgemaakt.
In het kader van de studie voor de opmaak van ultrafijn stofkaarten voor de stad Antwerpen werd gefocust op de problematiek van elementair koolstof of (diesel)roet (EC) en ultrafijn stof (UFP) in de omgevingslucht. De analyse werd uitgevoerd met de meest actuele beschikbare gegevens. De simulaties zijn uitgevoerd voor de basistoestand in 2013 en nauwkeurig ingeschat voor 2015 en 2020. De resultaten voor 2013 werden vergeleken met die van UFP- en EC-meetcampagnes. Voor EC wordt een goede temporele overeenkomst gevonden tussen de berekende en de gemeten waarden. Voor UFP geldt dat, rekening houdende met de grote foutenmarge op de metingen, het gebruikte model goed in staat is om de ruimtelijke variatie in UFP te modelleren ondanks een kleine onderschatting van de concentraties.
Voor beide polluenten werden jaargemiddelde kaarten aangemaakt voor 2013, 2015 en 2020 en zijn er verschilkaarten opgesteld tussen de toekomstscenario’s en de basistoestand. Een blootstellingsanalyse legt verder het verband tussen dichtbevolkte gebieden en zones met verhoogde luchtpollutie. Ten slotte werden de jaargemiddelde concentraties gemodelleerd voor vier categorieën van gevoelige locaties: kinderopvang, onderwijsinstellingen, ziekenhuizen, rust- en verzorgingstehuizen en serviceflats. Voor EC werd de analyse in functie van gevoelige doelgroepen uitgevoerd voor 2013, voor UFP werd bijkomend gekeken naar 2015 en 2020. Voor beide polluenten zijn er tot op heden geen EU-standaarden noch WHO-richtlijnen (World Health Organization; Wereldgezondheidsorganisatie).
De EC-modellering toont voor quasi alle inwoners (meer dan 99%) en gevoelige gebouwen een concentratie onder de 2,5 μg/m³ voor het basisjaar. In de komende jaren daalt de EC-concentratie. De UFP-modellering geeft gelijkaardige resultaten: ongeveer 90% van de inwoners en meer dan 95% van de locaties met gevoelige doelgroepen worden jaarlijks blootgesteld aan minder dan 15.000 part/cm³. In de komende jaren daalt de UFP-concentratie relatief gezien sterker dan de EC-concentratie.
Wel is het zo dat de evolutie van de UFP-emissies zeer onzeker blijft. De variatie in uitstoot tussen de verschillende wagentypes is sterker voor UFP dan voor andere polluenten en de effecten van nieuwe technieken zoals directe-injectie benzinewagens en nieuwe (bio)brandstoffen is hoogst onduidelijk. Anderzijds neemt het aantal Euro 2 en Euro 3 dieselwagens tegen 2020 met ongeveer 20% af. Deze wagens stoten 150 maal meer UFP uit dan Euro 5 auto's. De sterke daling is vooral daar aan te danken. Het verschil is dan ook het meest merkbaar binnen de lage-emissiezone, waar deze oude dieselwagens worden geweerd.
Omdat uit recent onderzoek is gebleken dat de emissie van stikstofdioxide (NO2) voor Euro 6 dieselwagens in werkelijkheid hoger ligt dan tot nu toe werd aangenomen, heeft VITO bijkomend simulaties uitgevoerd voor de verwachte NO2-concentratie in 2020. Daar werd een nieuwe kaart voor opgemaakt. Een vergelijking is gemaakt tussen de verwachte (COPERT 4) emissies en een nieuw scenario waarbij de uitstoot van NO2 van Euro 6 dieselwagens is gelijkgesteld aan die van Euro 4, geprojecteerd naar de toestand in 2020.
In 2012 werd 13% van de Antwerpse bevolking blootgesteld aan NO2-concentraties van 38-39 µg/m³ en bevond 19% zich in een risicozone boven de EU-drempelwaarde van 40 µg/m³. Aanvankelijk werd berekend dat met de verbeterde motor- en brandstoftechnologie voor personenwagens, de invoering van een lage-emissiezone en enkele ruimtelijke ingrepen in 2020 3,3% van de stedelingen zou blootgesteld worden aan concentraties van 38-39 µg/m³ en 2,8% in een risicozone boven 40 µg/m³ zou blijven wonen. Uit de herrekening blijkt nu dat in 2020 nog 8,2% van de Antwerpenaren in een zone woont met NO2-concentraties van 38-39 µg/m³ en dat 8,0% wordt blootgesteld aan concentraties boven de Europese grenswaarde. Aan de resultaten voor (ultra)fijn stof en elementair koolstof wijzigt de herrekening niets.
De kaarten dienen, samen met de dagelijkse emissiemetingen van de Vlaamse Milieumaatschappij, als basis voor de bepaling en selectie van (beleids)maatregelen om de luchtkwaliteit in de stad Antwerpen te verbeteren en de blootstelling van inwoners en bezoekers aan slechte luchtkwaliteit te beperken.
Deze kaarten zullen, net als de andere luchtkwaliteitskaarten, ontsloten worden voor de medewerkers van de stad Antwerpen in ‘stad in kaart’ en voor het grotere publiek via website en ‘open data’-systemen.
Het college neemt kennis van de resultaten van de opdracht voor de opmaak van luchtkwaliteitskaarten voor ultrafijn stof (UFP) en van de herberekende stikstofdioxidekaart (NO2) voor 2020.
Het college keurt goed dat de luchtkwaliteitskaarten voor medewerkers en publiek ontsloten worden via GIS ('Stad in kaart'), website en open data.