De dienst stedenbouwkundige vergunningen wordt regelmatig geconfronteerd met vragen van burgers, makelaars, notarissen, … over de mogelijkheid om een pand op te nemen in het vergunningenregister met de melding van ‘geacht vergund’.
De codex ruimtelijke ordening voorziet in de mogelijkheid dat in bepaalde gevallen de feitelijke toestand van een gebouw in aanmerking wordt genomen als een vergund geachte toestand.
Alle aanvragen moeten op dezelfde manier beoordeeld worden, daarom is er nood aan een algemeen beoordelingskader voor deze dossiers.
Het opgemaakte beoordelingskader vertrekt vanuit de volgende uitgangspunten
De aanvrager mag met alle mogelijke middelen (foto’s, huurcontracten, notariële aktes, uittreksels uit het bevolkingsregister, facturen van nutsmaatschappijen, …) zijn claim staven. De overheid heeft een actieve onderzoeksplicht in deze materie dus is het aan de dienst om bijkomend bewijs te leveren.
In het kader van de aanvragen geacht vergund worden volgende beoordelingscriteria gehanteerd:
Artikel 4.2.14 van de Vlaamse codex Ruimtelijke Ordening
Artikel 5.1.3 van de Vlaamse codex Ruimtelijke Ordening
Artikel 4.7.12 van de Vlaamse codex Ruimtelijke Ordening stelt dat het college bevoegd is om de beslissing te nemen over een aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning
Het college keurt het beoordelingskader voor de aanvragen in het kader van vermoeden van vergunning (vergund geacht) goed.