Terug

2015_CBS_05864 - Vergunningen - Aanvragen vermoeden van vergunning - Beoordelingskader - Goedkeuring

college van burgemeester en schepenen
vr 10/07/2015 - 09:00 collegezaal, stadhuis
Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig

Bart De Wever, burgemeester; Koen Kennis, schepen; Philip Heylen, schepen; Ludo Van Campenhout, schepen; Claude Marinower, schepen; Marc Van Peel, schepen; Rob Van de Velde, schepen; Nabilla Ait Daoud, schepen; Fons Duchateau, schepen; Roel Verhaert, stadssecretaris

Secretaris

Roel Verhaert, stadssecretaris

Voorzitter

Bart De Wever, burgemeester
2015_CBS_05864 - Vergunningen - Aanvragen vermoeden van vergunning - Beoordelingskader - Goedkeuring 2015_CBS_05864 - Vergunningen - Aanvragen vermoeden van vergunning - Beoordelingskader - Goedkeuring

Motivering

Aanleiding en context

De dienst stedenbouwkundige vergunningen wordt regelmatig geconfronteerd met vragen van burgers, makelaars, notarissen, … over de mogelijkheid om een pand op te nemen in het vergunningenregister met de melding van ‘geacht vergund’.

De codex ruimtelijke ordening voorziet in de mogelijkheid dat in bepaalde gevallen de feitelijke toestand van een gebouw in aanmerking wordt genomen als een vergund geachte toestand.

Argumentatie

Alle aanvragen moeten op dezelfde manier beoordeeld worden, daarom is er nood aan een algemeen beoordelingskader voor deze dossiers.

Het opgemaakte beoordelingskader vertrekt vanuit de volgende uitgangspunten

  • Bieden van rechtszekerheid: Het is belangrijk dat klanten (huidige eigenaars, toekomstige eigenaars, huurders, …) op een bepaald moment duidelijkheid krijgen over de rechtstoestand van een bepaald gebouw of een bepaalde constructie.
  • Geen ‘vrijgeleide’ creëren van onvergunde handelingen: Het bieden van rechtszekerheid mag evenwel geen vrijgeleide creëren voor onvergunde toestanden.  De strikte toepassing van de voorgeschreven wettelijke voorwaarden moet vermijden dat alle handelingen als vergund worden beschouwd. Door bijvoorbeeld strikt de beperking in tijd van het vermoeden van vergunning toe te passen, zullen een heel aantal handelingen niet als geacht vergund beschouwd kunnen worden. Het vermoeden van vergunning geldt alleen voor handelingen die dateren van vóór de Stedenbouwwet en van vóór de inwerkingtreding van de gewestplannen. Handelingen waarvan bewezen is dat ze dateren van een later tijdstip kunnen nooit onder het vermoeden van vergunning vallen.
  • Gescheiden beoordeling van de constructie en de latere wijzigingen: In de Vlaamse codex Ruimtelijke Ordening (VCRO) werd uitdrukkelijk een aparte regeling opgenomen voor handelingen die aan een geacht vergunde constructie werden uitgevoerd (art. 4.2.14 §3). Bijgevolg dienen latere wijzigingen apart van de constructie beoordeeld te worden in het kader van geacht vergund.

De aanvrager mag met alle mogelijke middelen (foto’s, huurcontracten, notariële aktes, uittreksels uit het bevolkingsregister, facturen van nutsmaatschappijen, …) zijn claim staven. De overheid heeft een actieve onderzoeksplicht in deze materie dus is het aan de dienst om bijkomend bewijs te leveren.

In het kader van de aanvragen geacht vergund worden volgende beoordelingscriteria gehanteerd:

  • Constructie: Wanneer kan aangetoond worden dat een constructie werd opgericht vóór 22 april 1962, dan geniet deze constructie een onweerlegbaar vermoeden van vergunning. Dateert de constructie van na 22 april 1962  maar van vóór de inwerkingtreding van het gewestplan (9 november 1979), dan geniet de constructie een weerlegbaar vermoeden dat slechts onder strikte voorwaarden kan worden weerlegd nl. alleen door een pv of een niet-anoniem bezwaarschrift, die werden opgesteld binnen een termijn van 5 jaar na het optrekken of plaatsen van de constructie of een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing. Voor de beoordeling van de constructie in het kader van geacht vergund wordt de buitenschil en de binneninrichting als één geheel beschouwd.
  • Woongelegenheden: Om onder geacht vergund te kunnen vallen, moet aangetoond worden dat de woongelegenheden bestaan van vóór 1962 of van vóór 1979 én er door de aanvrager kan aangetoond worden (met alle bewijsmiddelen) dat op een bepaald moment een bepaald aantal woongelegenheden aanwezig waren. Voor de woongelegenheden dient er dus geen continue basis te zijn om het aantal woongelegenheden als vergund te aanvaarden. De historiek van bewoning vormt een element in het onderzoek van de aanvraag tot opname in het vergunningenregister als vergund geachte constructies.
  • Latere handelingen: Onder latere handelingen wordt verstaan alle werkzaamheden of wijzigingen aan een bestaande constructie. Voor de beoordeling in het kader van geacht vergund moet aangetoond worden dat de latere wijzigingen (zowel aan de buitenschil als aan de binneninrichting) dateren van vóór 1962 of van vóór 1979. Latere handelingen/wijzigingen die dateren van na 1979 kunnen niet gedekt worden door het vermoeden van vergunning.
  • Latere functiewijzigingen: In het kader van geacht vergund worden functiewijzigingen, wanneer bewezen is dat ze werden doorgevoerd vóór 1962 of vóór 1979, gedekt door een onweerlegbaar of een weerlegbaar vermoeden. De bewijsvoering van deze wijzigingen ligt bij de aanvrager. De bestemming die door het kadaster werd aangeduid, kan als indicatie van de bestemming gelden. Bijvoorbeeld woonhuis met handelsgelijkvloers, woonhuis met café, …

Juridische grond

Artikel 4.2.14 van de Vlaamse  codex Ruimtelijke Ordening

Artikel 5.1.3 van de Vlaamse codex Ruimtelijke Ordening

Regelgeving: bevoegdheid

Artikel 4.7.12 van de Vlaamse codex Ruimtelijke Ordening stelt dat het college bevoegd is om de beslissing te nemen over een aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college keurt het beoordelingskader voor de aanvragen in het kader van vermoeden van vergunning (vergund geacht) goed.

Artikel 2

Dit besluit heeft in principe geen financiƫle gevolgen.