De Oosterweelverbinding wordt juridisch en planologisch mogelijk gemaakt door het GRUP “Oosterweelverbinding” (2006) en het GRUP “Oosterweelverbinding Wijziging” (2015).
De eerste stap in de opmaak van een project-MER is de opmaak van een kennisgevingsnota. In deze nota geven de MER-deskundigen aan welke onderzoeken zij noodzakelijk achten om de milieueffecten van een plan te kunnen inschatten. Per brief van 21 augustus 2015 werd de stad Antwerpen gevraagd om de kennisgevingsnota ter inzage te leggen. Zo wordt de mogelijkheid geboden om aandachtspunten in het onderzoek te berde te brengen en om bijkomend onderzoek te vragen. Deze kennisgevingsnota ligt ter inzage van 1 september 2015 tot en met 30 september 2015.
Voor de infrastructuurwerken Linkeroever loopt momenteel een aparte project-MER procedure. De ingrepen op Linkeroever hebben hun eigen finaliteit en kunnen onafhankelijk van de Oosterweelverbinding gerealiseerd worden. De kennisgeving voor deze project-MER liep van 1 juni 2015 tot en met 7 juli 2015. Op 3 juli 2015 bracht het college advies uit op de kennisgeving project-MER infrastructuurwerken Linkeroever (05785).
Het advies op het kennisgevingsdossier is het volgende:
1 Relatie tot project-MER infrastructuurwerken Linkeroever
Voor de infrastructuurwerken Linkeroever wordt een apart vergunningentraject doorlopen en dus een aparte project-MER opgemaakt. Door de realisatie van de Oosterweelverbinding verandert de infrastructuur op Linkeroever en zullen er door de nieuwe snelwegtunnel onder de Schelde andere verkeersstromen ontstaan.
Om deze reden dienen de effecten op Linkeroever in de project-MER Oosterweelverbinding ook kwantitatief onderzocht te worden voor de disciplines mobiliteit, lucht, geluid, gezondheid en water.
Hieruit zal moeten blijken of de genomen milderende maatregelen uit de project-MER Linkeroever afdoende zijn om de kwantitatief berekende effecten op Linkeroever uit de project-MER Oosterweelverbinding te milderen. De project-MER Oosterweelverbinding dient dus onderbouwd aan te geven of er ook milderende maatregelen nodig zijn op Linkeroever, bijkomend aan de milderende maatregelen opgelegd in het project-MER Linkeroever.
Daarnaast moet het project-MER Oosterweelverbinding ook in lijn zijn met de conclusies en aanbevelingen uit het plan-MER Oosterweelverbinding, opdat de continuïteit tussen beide bewaard wordt.
2 Effecten op bereikbaarheid en leefbaarheid stad en haven tijdens de aanlegfase
Het stadsbestuur vraagt bijzondere aandacht voor de effectbeoordeling van de aanlegfase en vraagt dan ook deze uit te breiden naar bereikbaarheid en leefbaarheid in het algemeen.
Het stadsbestuur vraagt uitdrukkelijk dat het project-MER een fasering van de milderende maatregelen naar voor schuift om zo de positieve milderende effecten van deze maatregelen ook tijdens de aanlegfase te bekomen. Niet enkel moet vastgesteld worden welke (lokale) routes te vermijden zijn, maar ook hoe geluidsbermen, fietspaden, voetgangersverbindingen reeds bij de start van de werken kunnen gerealiseerd worden. Op die manier kunnen ze ook de hinder van de aanlegfase al milderen.
Qua bereikbaarheid wil het stadsbestuur meegeven dat het cruciaal is dat de aanliggende deelgebieden altijd bereikbaar blijven, in tegenstelling tot “het in de mate van het mogelijke vrijwaren van de bereikbaarheid van alle functies” (p. 28). Daarnaast vraagt het stadsbestuur om omleidingsroutes op het lokale wegennet maximaal te vermijden /tot een minimum te beperken en ook het afsluiten van op- en afritten maximaal te vermijden (p.30 “bij het afsluiten van op- en afritten worden omleidingsroutes voorzien via het onderliggend wegennet naar een ander oprittencomplex.”).
Qua leefbaarheid wil het stadsbestuur meegeven dat de aanliggende gebieden aan de Ring vandaag al kampen met zware geluidsoverlast. In deze oppert het stadsbestuur om milderende maatregelen reeds voorgaand of bij aanvang van de werken aan te leggen zodat deze tijdens de aanlegfase hun nut reeds hebben. In deze optiek streven we naar een maximaal milderen van overlast uit de aanlegfase en toekomstige infrastructuur.
Bijzondere aandachtspunten tijdens de aanlegfase zijn:
3 Alternatieven en uitvoeringsvarianten
3.1 Strategische overkappingen
De kennisgeving vermeldt reeds overkraging of overkapping van delen van het Oosterweeltracé en/of van de Ring binnen het projectgebied als uitvoeringsalternatieven (p.58, p.61).
In het onderzoek naar strategische overkappingen worden volgende conclusies neergelegd:
De stad vraagt om rekening te houden met het volledig overkapbaar maken van de Ring, zodat in fases de Ring volledig kan overkapt worden. Dit betekent dat de technische constructies die gerealiseerd worden in dit project geheel overkapbaar moeten zijn en moeten voldoen aan de desbetreffende wetgevingen.
3.2 Schrapping tolpleinen
Het plan-MER Oosterweelverbinding vermeldt reeds de mogelijkheid van het schrappen van de tolpleinen op Linkeroever: “In de plan-MER en bij de doorrekeningen wordt uitgegaan dat het innen van de tol geen tijdsverlies oplevert. Het inningssysteem is ook nog niet gekend maar rekening houdend met de huidige ontwikkelingen, lijkt het een plausibele veronderstelling dat bij realisatie van het project de inning volledig automatisch zal kunnen gebeuren zonder tijdsverlies voor het wegverkeer.” (p.207 van deelrapport 4).
De stad vraagt dan ook om een uitvoeringsvariant zonder tolpleinen te onderzoeken, o.a. naar impact op grond- en oppervlakte water in Blokkersdijk en Sint-Annabos, aangezien minder verharde oppervlakte een positief effect zou moeten hebben op de in het plan-MER Oosterweelverbinding vermelde cumulatieve effecten van waterstijghoogte en vernatting/verdroging in deze gebieden. De stad vraagt ook het effect van de schrapping van tolpleinen naar het verkeersoplossend vermogen van de nieuwe snelweginfrastructuur te bekijken.
4 Ontwikkelingsscenario’s
4.1 Infrastructuurwerken Linkeroever
De stad vindt het positief dat zowel een referentietoestand zonder als met de infrastructuurwerken Linkeroever wordt doorgerekend.
De kennisgeving geeft aan dat ook de Oosterweelverbinding zonder infrastructuurwerken Linkeroever wordt doorgerekend (scenario OW 1.Z.0). Dit scenario houdt echter het ontbreken van heel wat milderende maatregelen uit het plan-MER en het GRUP in, onder andere de nieuwe op- en afrit t.h.v. de Blancefloerlaan met P&R, de fietsverbinding en de ecologische verbinding tussen Sint-Annabos en Vlietbos. De stad benadrukt echter dat de Oosterweelverbinding zonder deze milderende maatregelen een ontoelaatbare hinder zal betekenen voor Linkeroever, en dat dit scenario bijgevolg weinig kansrijk is.
4.2 A102/R11bis en tracéalternatieven
Voor de ontwikkelingsscenario’s A102-R11bis en tracéalternatieven heeft de stad haar opmerkingen en bedenkingen reeds naar voren geschoven in de lopende plan-MER procedure voor de A102-R11bis. Het stadsbestuur verwijst hiervoor naar de reeds uitgebrachte adviezen.
4.3 Verkeerskundige sturingsmaatregelen (exploitatievarianten)
De kennisgeving beschrijft verschillende scenario’s voor gedifferentieerde tolheffing als sturingsmaatregelen door te rekenen binnen de discipline mens-mobiliteit (pp.37-38). Deze scenario’s wat betreft toltarieven - en het verschil tussen de scenario’s – is echter niet duidelijk in de kennisgeving. De stad vraagt deze scenario’s verder uit te werken en te verduidelijken.
5 Verfijnen milderende en flankerende maatregelen
De opzet van dit project-MER moet het uitwerken van de milderende maatregelen zijn zoals geformuleerd in het plan-MER en het GRUP Oosterweelverbinding. Onder andere moeten volgende maatregelen verder uitgewerkt worden:
Deze milderende maatregelen worden bij voorkeur gedimensioneerd op basis van het project zonder ontwikkelingsscenario’s zoals A102-R11bis en zonder exploitatievarianten. Dit om te verzekeren dat de milderende maatregelen volstaan in het geval van niet uitvoering, latere uitvoering of indien er heel andere exploitatievoorwaarden zouden ingevoerd worden… . Kortom: een goede hardware onafhankelijk van andere factoren.
Deze milderende maatregelen moeten passen binnen de stedelijke beleidsvisies en rekening houden met de geplande stedelijke ontwikkelingen.
6 Aandachtspunten per deelgebied
6.1 Linkeroever
Voor Linkeroever worden volgende aandachtspunten meegegeven:
6.2 Noordkasteel en Eilandje
Voor de omgeving van het Noordkasteel worden volgende aandachtspunten meegegeven:
Voor het Eilandje worden volgende aandachtspunten meegegeven:
6.3 Zone R1 op Rechteroever
Voor de zone R1 worden volgende aandachtspunten meegegeven:
7 Methodologie per discipline
Voor de zaken waarover geen opmerkingen worden gemaakt in dit advies, vraagt het stadsbestuur in het algemeen om dezelfde methodologie voor alle disciplines te hanteren als in het plan-MER Oosterweelverbinding. Daarnaast is een verfijndere effectbeoordeling waar mogelijk en nodig eveneens wenselijk, die bovendien overeenstemt met de aanpak in de project-MER Linkeroever.
Het studiegebied dat afgebakend wordt voor de disciplines lucht, geluid en mens-gezondheid (p.52) beslaat enkel de woonkernen en stadsdelen rond de Oosterweelverbinding. De project-MER moet ook de effecten en milderende maatregelen op de waardevolle natuur- en parkgebieden en overige aandachtsgebieden onderzoeken, en algemener gesteld op alle (schaarse) open ruimte, in het kader van de disciplines fauna en flora en mens – ruimtelijke aspecten en mens – gezondheid. Hiervoor dient het studiegebied te worden uitgebreid met onder andere Blokkersdijk, Rot-Middenvijver, Sint-Annabos, Galgenweel, Noordkasteel, Schijntje, Rivierenhof en Spoor Oost.
Er wordt op p. 33 gesteld dat alle geplande / gekende ontwikkelingen als deel van de referentiesituatie 2020 worden meegenomen. Wordt bijvoorbeeld de herontwikkeling van Slachthuissite – Noordschippersdok – Lobroekdok meegenomen? Tegen 2020 wordt hier een nieuwe woonwijk gepland in plaats van het huidige verlaten bedrijventerrein. Dat betekent dat andere normen voor geluid en lucht zullen moeten gehanteerd worden, dan de situatie vandaag. Het volledige projectgebied moet dan als woongebied beschouwd worden.
7.1 Discipline mens – mobiliteit
Het studiegebied dat afgebakend wordt voor de discipline mens – mobiliteit (p. 64, p. 53) moet de hele as Groenendaallaan van het aansluitingscomplex Groenendaallaan tot het aansluitingscomplex Schijnpoort, inclusief de te vernieuwen Theunisbrug, bevatten. Ook de Vaartkaai moet als lokale weg worden opgenomen, om de effecten en verschuivingen op het lokale wegennet te kunnen inschatten.
7.2 Discipline geluid en trillingen
Het stadsbestuur vindt de afbakening van het studiegebied onvoldoende om de effecten van de werken op alle relevante gebieden in de omgeving te kunnen inschatten. In het richtlijnenboek “geluid en trillingen” wordt voorgeschreven dat het studiegebied wordt afgebakend door:
In de kennisgeving wordt niet duidelijk omschreven tot waar een akoestisch effect verwacht wordt, er wordt geen rekening gehouden met de 50dB(A)-contour en ook de relevante kwetsbare natuurgebieden worden grotendeels buiten het studiegebied gehouden. Het stadsbestuur vraagt dat de afbakening van het studiegebied voor de discipline geluid en trillingen volgens het richtlijnenboek gebeurt en nauwkeuriger wordt omschreven.
Uit de geluidsstudie van de stad kwam naar voor dat overkragingen een aanzienlijke impact hebben. Plangeometrie is dus wel belangrijk in de doorrekeningen. De voorgestelde methodiek houdt geen rekening met plangeometrie (van een viaduct naar een sleuf) terwijl deze plangeometrie wel degelijk mee geëvalueerd zou moeten worden.
Het is niet duidelijk of nieuwe inwoners ook meegeteld worden of enkel bestaande. Het stadsbestuur vraagt om ook de toekomstige ontwikkelingen (o.a. de ontwikkeling van de Slachthuissite met nieuwe woningen aan de Slachthuislaan) mee in rekening te brengen.
De extra meetpunten geluid zouden onder andere moeten worden bepaald door de gevoeligheid van het gebied en de concentratie van bestaande en geplande woningen.
7.3 Discipline lucht
Het studiegebied (p. 81) wordt bepaald door de discipline mens-mobiliteit. Er wordt evenwel geen melding gemaakt van de relatie met de discipline mens – gezondheid. Het stadsbestuur vraagt ook vanuit de discipline gezondheidsaspecten het studiegebied te bepalen.
Juridische en beleidsmatige context (p. 81): “Volgens de meest recente inzichten is EC de meest adequate parameter om lokale luchtkwaliteit te beoordelen …”, maar vermits er geen EU-normen bestaan worden er in de kennisgeving geen verdere uitspraken over gedaan. Voor elementair koolstof (EC) zijn specifiek voor de stad Antwerpen geactualiseerde kaarten beschikbaar en er bestaan ook kaarten voor Vlaanderen en België. Uit een vergelijking van het kaartmateriaal kan afgeleid worden wat de impact van drukke verkeersknooppunten is.
Verder wordt er van uitgegaan dat er parallellen zijn tussen de EC- en de NO2-concentraties. Voor NO2 bestaan er wel EU-normen (de Wereldgezondheidsorganisatie gebruikt zelfs dezelfde jaargemiddelde grenswaarde). Het stadsbestuur vraagt dan ook EC in de effectbeoordeling op te nemen en af te toetsen aan de meest recente NO2-kaarten voor Antwerpen. De Nederlandse roetindicator kan daarvoor een richtinggevend kader bieden.
Luchtmodellering referentiesituatie 2020 (p. 82): “In de discipline mens-mobiliteit worden naast scenario 0-0-0 nog andere scenario’s doorgerekend betreffende de referentiesituatie (met andere exploitatievarianten). Deze scenario’s worden niet doorgerekend in het luchtmodel. De verschillen inzake luchteffecten ten opzichte van het basisscenario worden indicatief ingeschat op basis van de verschillen in verkeersintensiteit en –samenstelling per wegvak.”
Aanpak effectbeoordeling geplande situatie (p. 83): “De scenario’s met uitvoeringsalternatieven en exploitatievarianten worden in eerste instantie beoordeeld op basis van de verschillen in verkeersintensiteit en –samenstelling per wegvak ten opzichte van scenario 1-0-0. Indien zou blijken dat er (lokaal) aanzienlijke verschillen en dus effecten te verwachten zijn, kan een doorrekening in het luchtmodel wenselijk zijn.”
Verkeersintensiteit en –samenstelling per wegvak zijn niet voldoende om uitspraken te doen over de luchteffecten, tenzij met verkeerssamenstelling wordt bedoeld: het aantal vrachtwagens, diesels (per EURO-type), benzinewagens (bouwjaar)… . Het stadsbestuur vraagt daarom minstens twee, en liefst meerdere scenario’s door te rekenen in het luchtmodel, om de kwalitatieve inschattingen te kunnen beoordelen.
Het is onduidelijk wanneer het model zonder barrièrewerking en het model met barrièrewerking wordt gebruikt.
Net als bij de discipline geluid is het ook voor lucht niet duidelijk of nieuwe inwoners ook meegeteld worden of enkel bestaande. Het stadsbestuur vraagt om ook de nieuwe inwoners mee in het onderzoek op te nemen.
In de conclusies van de plan-MER (p. 61) wordt gesteld dat daar waar de luchtkwaliteit slechter wordt door van viaduct naar sleuf te gaan, kan gemilderd worden door overkraging of overkapping. Wordt in de doorrekeningen rekening gehouden met deze plangeometrie?
7.4 Discipline bodem
7.5 Discipline grondwater
De methodologie om de ecosysteemkwetsbaarheid van de gebieden t.a.v. veranderingen in bodem- en grondwaterhuishouding in te schatten, is niet duidelijk. Wijziging van bodemkwaliteit, grondwaterkwaliteit en –kwantiteit kunnen belangrijke gevolgen hebben voor natuurgebieden als Blokkersdijk en Middenvijver. Er zou worden gebruik gemaakt van GIS-analyse. Deze methodologie wordt verder niet verduidelijkt.
Het stadsbestuur vraagt ook klimaatverandering op te nemen in de effectbeoordeling. Dit is ook opgenomen in het richtlijnenboek voor MER (deel water). ‘De verwachte impact op watersystemen is dermate groot dat bij de ontwikkeling van projecten, plannen en programma’s die doorwerking zullen kennen over (zeer) lange termijnen en uiteraard zeker bij deze die gericht zijn op waterbeheersing, nu reeds rekening moet gehouden worden met de verwachte ontwikkelingen als gevolg van de klimaatverandering.’ Vlaamse studies hebben namelijk aangetoond dat de klimaatverandering tegen 2100 een daling van laagwaterafvoeren tussen 10-70% zal teweegbrengen. Deze resultaten zijn gebaseerd op de oude klimaatscenario’s en niet deze van het IPCC 2014 – rapport. Er wordt verwacht dat de impact nog extremer wordt en dat zich nog lagere laagwaterdebieten en sterkere droogtetrends zullen voordoen. Laagwaterdebieten hebben een invloed op de grondwaterstand. Men kan voor Antwerpen uitgaan van een daling van meer dan 7% van de jaarlijkse grondwateraanvulling. Men verwijst hiervoor ook naar het MIRA 2015-rapport.
7.6 Discipline oppervlaktewater
Het stadsbestuur vraagt ook voor oppervlaktewater klimaatverandering op te nemen in de effectbeoordeling. Dit is ook opgenomen in het richtlijnenboek voor MER (deel water). (zie verwijzing advies grondwater). Gezien de grote verhardingsgraad die gepaard gaat met het huidige ontwerp en de te verwachten klimaatverandering, vraagt het stadsbestuur om rekening te houden met grotere afvoerdebieten van neerslag en met een voldoende waterveiligheid t.a.v. Schelde-overstort en gebaseerd op recente klimaatscenario’s.
Vlaamse studies over de impact van klimaatverandering tonen een toename van hoogwaterpeilen van waterlopen aan tot 35% in de winter; een toename tot 2m zeespiegel en een toename van de frequentie van overstromingen en rioleringen in kleine waterlopen als gevolg van extreme zomeronweders. Men verwacht dat de intensiteit van een bui met een terugkeerperiode van 10 jaar tot 35% zal toenemen. We verwijzen hiervoor ook naar het MIRA 2015 rapport en een recente studie over Antwerpen, in opdracht van de stad, die bovendien wijst op een ruimtelijke variatie van neerslagpatronen. De piekdebieten van neerslag zouden hoger in het stadscentrum, Deurne en delen van Linkeroever zelf nog hoger liggen. Deze studie is opgemaakt i.k.v. de adaptatiestrategie van Antwerpen en de burgemeesterconvenant Mayors Adapt, waarmee de stad zich verbond tot het integreren van klimaatverandering in al haar lopende plannen en processen.
7.7 Discipline fauna en flora
7.8 Discipline landschap, bouwkundig erfgoed en archeologie
Het stadsbestuur vraagt om bij het juridisch kader (p. 44) ook de relatie tot bovengronds onroerend erfgoed te duiden. Denk bijvoorbeeld aan de impact op beschermde monumenten of relicten uit de vastgestelde inventaris.
In de tabel ‘effectbeoordeling’ is steeds sprake van ‘gebied’ (dus erg gedacht vanuit de landschappen), dit zou kunnen aangevuld worden met ‘relict’ (waardoor – zowel boven- als ondergronds) het onroerend erfgoed wat explicieter wordt.
7.9 Discipline mens – ruimtelijke en sociale aspecten
Bij de opsomming van de (semi-)natuurgebieden p. 104 hoort ook het Schijntje opgenomen te worden.
Het is onduidelijk of geplande ontwikkelingen en inwoners worden meegenomen (bvb. ontwikkeling Slachthuissite) aangezien deze niet voorkomen in de opgesomde beleidsvisies (p. 104). De stad vraagt ook de nieuwe ontwikkelingen in het onderzoek mee te nemen.
7.10 Discipline mens – gezondheid (toxicologie en psychosomatische aspecten)
Net als in het plan-MER moet er rekening worden gehouden met:
Net als in het plan-MER moet er gekeken worden naar, en met dezelfde effectbeoordeling:
De stad vraagt ook de lokale publieke voorzieningen met gevoelige doelgroepen mee te nemen en niet alleen de inwoners (p. 111). De stad vraagt ook de nieuwe inwoners (bvb. ontwikkeling Slachthuis) in het onderzoek mee te nemen.
Uitvoeringsbesluit van de Vlaamse Regering houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage (10/12/2004).
Uitvoeringsbesluit van de Vlaamse Regering betreffende de dossiersamenstelling van de aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning (28/05/2004).
Het college beslist het gecoördineerd stedelijk advies voor de kennisgeving van het project-MER Oosterweelverbinding goed te keuren en te bezorgen aan de dienst Mer.