Terug

2015_CBS_06282 - Milieuvergunningen Vlarem mededeling kleine verandering - Riga Logistics nv, Luithagen - Haven 9, 2030 Antwerpen, Dossiernummer MV2015/224/AVG - Goedkeuring

college van burgemeester en schepenen
vr 24/07/2015 - 09:00 digitaal
Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig

Bart De Wever, burgemeester; Koen Kennis, schepen; Philip Heylen, schepen; Claude Marinower, schepen; Rob Van de Velde, schepen; Nabilla Ait Daoud, schepen; Fons Duchateau, schepen; Roel Verhaert, stadssecretaris

Afwezig

Ludo Van Campenhout, schepen; Marc Van Peel, schepen; Serge Muyters, korpschef

Secretaris

Roel Verhaert, stadssecretaris

Voorzitter

Bart De Wever, burgemeester
2015_CBS_06282 - Milieuvergunningen Vlarem mededeling kleine verandering - Riga Logistics nv, Luithagen - Haven 9, 2030 Antwerpen, Dossiernummer MV2015/224/AVG - Goedkeuring 2015_CBS_06282 - Milieuvergunningen Vlarem mededeling kleine verandering - Riga Logistics nv, Luithagen - Haven 9, 2030 Antwerpen, Dossiernummer MV2015/224/AVG - Goedkeuring

Motivering

Gekoppelde besluiten

Regelgeving: bevoegdheid

Artikel 6quater paragraaf 4 van Vlarem I bepaalt dat het college akte neemt van een mededeling van een kleine verandering van een milieuvergunning klasse 2.

Aanleiding en context

Aanvrager: Riga Logistics nv - Land van Waaslaan 1 - haven 1168 - 9130 Kieldrecht.
De aanvraag omvat de mededeling van een kleine verandering van een vergunde klasse 2-inrichting voor het verwijderen van een bovengrondse brandstoftank met bijhorende brandstofverdeelinstallatie en het verwijderen van een stookinstallatie.

Argumentatie

Het college beslist op basis van het advies van de dienst milieuvergunningen, dat als bijlage bij dit besluit is gevoegd.

Juridische grond

Het milieuvergunningendecreet van 28 juni 1985, meermaals gewijzigd, en haar uitvoeringsbesluiten (Vlarem I en II) bepalen dat niemand zonder vergunning of melding een hinderlijke inrichting mag exploiteren.

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college neemt akte van de mededeling van een kleine verandering, zoals geformuleerd in de argumentatie, ingediend door Riga Logistics nv, Land van Waaslaan 1, haven 1168, 9130 Kieldrecht, voor het verwijderen van een bovengrondse brandstoftank met bijhorende brandstofverdeelinstallatie en het verwijderen van een stookinstallatie, gelegen op het adres: Luithagen - Haven 9 te 2030 Antwerpen, kadastraal gekend als afdeling 15, sectie D, perceelnummers 262c en 262d.

Artikel 2

Het college wijst erop dat de exploitant de vergunningsvoorwaarden van de lopende vergunning AN2005/636/AV dient na te leven.

Artikel 3

Het college wijst erop dat de inrichting na de aktename van de mededeling van verandering een inrichting betreft ingedeeld in klasse 3, waarvoor niet langer een eindtermijn van toepassing is.

Artikel 4

De volgende brandweervoorwaarden opgelegd in het besluit AN2005/636/AV blijven voor deze klasse 3 inrichting van toepassing:

Bluswatervoorziening buiten de havendaken en havenmagazijnen

Voor alle havenafdaken en havenmagazijnen waarvan de verst van het dok verwijderde gevel zich op 100 meter of meer van de kaaimuurrand bevindt, dienen rondom het havenafdak of havenmagazijn bovengrondse hydranten opgesteld.

Deze hydranten dienen:

a. opgesteld:

- op een onderlinge afstand van circa 80 meter,

- op een door de brandweer te bepalen afstand van de gevels van de constructie, deze afstand dient bij de brandweer nagevraagd voor het indienen van de bouwaanvraag;

b. te voldoen aan de norm NBN S 21.019, type BH 100;

c. te worden uitgerust met afsluiters op de uitgeefkanten van 70 mm diamete;

d. aangesloten, met een aansluiting van het directe type (zie norm) op een leiding van minimaal 150 mm diameter

- hetzij op het net van de openbare waterleiding,

- hetzij op een eigen voeding, waarbij tenminste gedurende 2 uur voldoende waterdebiet onder de vereiste druk kan worden geleverd.

De leidingen dienen vervaardigd uit staal of in een metaal dat minstens dezelfde waarborgen biedt.

Leidingen vervaardigd uit andere materialen kunnen slechts worden toegelaten mits zij technisch voldoende waarborgen bieden. Ter staving ervan dienen de nodige rapporten ter goedkeuring aan het college voorgelegd.

Bluswatervoorziening binnen de havenafdaken en havenmagazijnen

Een natte brandweerleiding van 70 mm doormeter aangesloten op het voedingsnet vermeld sub 2 met een aansluiting van minstens 3" doormeter dient voorzien.

Op deze leiding dienen muurhydranten volgens norm NBN 571 met koppelstuk van 45 mm doormeter, bewapend met persslang van 45 mm doormeter en 20 meter lengte volgens norm NBN S 21.024 en straalpijp volgens norm NBN 548 aangebracht.

De koppelstukken van 45 mm doormeter dienen van een type te zijn zoals bepaald in het KB van 30 januari 1975.

De leidingen dienen vervaardigd uit staal of in een metaal dat minstens dezelfde waarborgen biedt.

Leidingen vervaardigd uit andere materialen kunnen slechts worden toegelaten mits zij technisch voldoende waarborgen bieden. Ter staving ervan dienen de nodige rapporten ter goedkeuring aan het college voorgelegd.

De plaats van en het aantal muurhydranten dienen derwijze gekozen dat elke standplaats kan worden bereikt.  Dit kan onder andere gebeuren door deze hetzij bovengronds, hetzij in betonnen ondergrondse kuipen op te stellen langs de centrale rijwegen. Bij een ondergrondse opstelling dient er bijzonder op de duidelijke signalisatie gelet en mag er bovendien op deze kuipen niet gestapeld worden. In bijzondere gevallen kan het college van burgemeester en schepenen, om het aantal muurhydranten te beperken, eventueel na raadpleging van de brandweer, een lengte van 30 meter voor de persslangen toestaan.

Snelblustoestellen

In de havenafdaken en havenmagazijnen dienen volgende snelblustoestellen opgesteld:

- bij een oppervlakte van minder dan 80 m²: 1 toestel

- bij een oppervlakte van 80 m² ? 150 m²: 2 toestellen

- bij een oppervlakte van meer dan 150 m²: 1 toestel / 150 m²

Deze toestellen dienen gevuld met:

- hetzij 5 kg CO2 volgens de norm NBN S 21.015 en NBN S 21.011

- hetzij 6 kg poeder ABC volgens de norm NBN S 21.014 en NBN S 21.011, afhankelijk van de te blussen materialen.

Deze toestellen kunnen, na voorafgaand akkoord van de brandweer, worden vervangen door grotere en /of mobiele eenheden, waarvan de kenmerken en het aantal door de brandweer wordt vastgesteld.

Deze toestellen dienen door de exploitant en onder zijn verantwoordelijkheid opgesteld derwijze dat zij in geval van brand steeds bereikbaar zijn, dit is:

- hetzij verspreid in het havenafdak /-magazijn,

- hetzij langsheen de centrale rijwegen,

- hetzij nabij de in gebruik zijnde poorten.

Compartimentatie

De havenafdaken en havenmagazijnen mogen een maximale oppervlakte van 8 000 m² ± 10 % en een maximale lengte van 135 meter ± 10 % hebben.

Grotere eenheden dienen tot bovenvermelde afmetingen te worden teruggebracht door middel van een volle brandmuur in metselwerk met een weerstand tegen brand van 2 uur (volgens NBN 713.020) welke 1m boven het dak uitsteekt. Het boven het dak uitreiken van de brandmuur is niet vereist wanneer het dak uit onbrandbare materialen is uitgevoerd.

De doorgangen in deze brandmuren moeten voorzien zijn van:

- hetzij zelfsluitende of bij brand zelfsluitende deuren met een brandweerstand van 1 uur (volgens NBN 713.020);

- hetzij metalen rolluiken of poorten welke langs beide zijden van een efficiënte waterkoelingsinstallatie zijn voorzien;

- hetzij enig ander systeem mits toelating van het college van burgemeester en schepenen, eventueel na raadpleging van de brandweer.

Het college van burgemeester en schepenen kan, eventueel na raadpleging van de brandweer, vrijstelling van compartimentatie bij middel van brandmuren verlenen, mits eventueel extra veiligheidsmaatregelen worden getroffen (bijvoorbeeld het aanbrengen van een sprinklerinstallatie).

De onderlinge afstand tussen havenafdaken en /of havenmagazijnen dient minimaal te bedragen:

- 6 meter wanneer de globale grondoppervlakte van elk van de constructies 8 000 m² ± 10 % niet overschrijdt;

- 12 meter wanneer de globale grondoppervlakte, al dan niet gecompartimenteerd, van tenminste één van de belendende constructies 8 000 m² ± 10 % overschrijdt.

In bijzondere gevallen kan het college van burgemeester en schepenen, eventueel na raadpleging van de brandweer, afwijkende afstanden toestaan, mits eventueel extra veiligheidsmaatregelen worden getroffen.

Uitgangen

Indien de afstand tot een uitgang meer dan 30 meter bedraagt, dienen vluchtdeuren te worden aangebracht.

Afvoer van rook en warme gassen bij brand

Om rook- en warmteaccumulatie in geval van brand te vermijden dienen een voldoende aantal, bij brand automatisch openende afvoerkleppen in harde of halflichte materialen, als dusdanig door de Beroepsvereniging der Belgische Verzekeringsondernemingen (BVVO) erkend, in het dak voorzien te worden, regelmatig verdeeld over het ganse dakoppervlak.

Het aantal afvoerkleppen bedraagt minimaal 4 per 1 000 m² grondoppervlakte.

De afvoerklep mag niet kleiner zijn dan 0,50 m², noch groter dan 6 m².

Geen van de afmetingen mag groter zijn dan 2,50 meter.

De totale nuttige openingsoppervlakte van deze afvoerkleppen moet minimaal 2 % van de grondoppervlakte bedragen.

Bij afwezigheid van automatisch openende afvoerkleppen dienen oordeelkundig over het dak verdeelde stroken uit smeltbare halflichte materialen, als dusdanig door de BVVO erkend, en in hoofdzaak beperkt tot PVC, te worden aangebracht.

De globale oppervlakte van deze stroken dient minimaal 4 % van de globale dakoppervlakte te bedragen.

Andere brandbestrijdingsmiddelen

De hoogspanningscabine dient van alle andere lokalen gescheiden te zijn door wanden in metselwerk of beton of een bouwelement met Rf 2 uur.

Eventuele binnendeuren dienen een Rf 1 uur te hebben en zelfsluitend te zijn uitgevoerd.

(Rf conform de norm NBN 713.020 - Weerstand tegen brand van bouwelementen).

Indien de transformator gevuld is met een vloeistof, dient eronder een aangepaste vloeistofdichte inkuiping voorzien die bij lek de diëlektrische vloeistof opvangt.

Een blustoestel van 5 kilogram CO2 dient voorzien aan de toegang van de hoogspanningscabine.

Bij vernieuwing van de vloeistof of van de transformator dient men er één te kiezen waarin geen PCB of PCT aanwezig is.

Transformatoren met koelvloeistoffen op basis van PCB's en/of PCT's en transformatoren met andere koelvloeistoffen, mogen niet in hetzelfde lokaal worden opgesteld.

Er dienen inrichtingen voorzien voor melding, waarschuwing en alarm.

De inrichting moet voorzien worden van veiligheidsverlichting, die onmiddellijk en automatisch in dienst treedt bij het wegvallen van de spanning.

Minimaal dienen armaturen aangebracht te worden boven elke uitgangsdeur, in alle evacuatiewegen (gangen en trappen), in de nabijheid van de brandbestrijdingsmiddelen en in alle lokalen die uitsluitend door kunstlicht bediend worden.

De veiligheidsverlichting dient verder uitgebreid te worden zodanig dat de plaatsing en de verlichtingssterkte voldoende is om een gemakkelijke ontruiming te waarborgen.

De veiligheidsverlichting moet tenminste gedurende 1 uur zonder onderbreking kunnen functioneren.

Artikel 5

Dit besluit heeft in principe geen financiƫle gevolgen.