De acht beschermingsvoorstellen zijn het resultaat van een intensieve en geslaagde samenwerking tussen het district Ekeren, de dienst monumentenzorg van de stad Antwerpen en het agentschap Onroerend Erfgoed. In 2011 werd het bouwkundig erfgoed van het district opnieuw geïnventariseerd. Als gevolg daarvan werden in 2013, 276 relicten opgenomen op de vastgestelde inventaris van het bouwkundig erfgoed. Op initiatief van het agentschap Onroerend Erfgoed werd een shortlist van zestien relicten nader onderzocht in functie van een mogelijke bescherming. Dit leidde tot de voorliggende beschermingsvoorstellen bestaande uit één oorlogsmonument en zeven privéwoningen.
De beschermingsdossiers werden opgemaakt door het agentschap Onroerend Erfgoed van de Vlaamse overheid en steunen op de historische, de artistieke, de architectuurhistorische en de sociaal-culturele waarden van de verschillende objecten. De dossiers omvatten een goede inhoudelijke onderbouwing en argumentatie van de verschillende erfgoedwaarden. De verschillende objecten scoren hoog voor alle criteria die bij een bescherming als monument afgetoetst worden: zeldzaamheid, gaafheid en herkenbaarheid, authenticiteit, representativiteit, ensemblewaarde en contextwaarde. Het gaat om volgende items:
- monument voor de gesneuvelden met inbegrip van het omhaagde plantsoen en centraal toegangspad, Veltwijcklaan 1.
Het monument voor de gesneuvelden is van algemeen belang omwille van de historische, artistieke en sociaal-culturele waarde. De bescherming is een aanvulling op het provincieoverschrijdende thematische pakket beschermingen van oorlogsgedenktekens dat reeds werd gerealiseerd. Het monument werd in 1930 op initiatief van de gemeente opgericht en is ontworpen door Alfons Lambert (Albert) Baggen (1862-1937). Het monument in Ekeren is één van de zeldzame en tevens beste voorbeelden van een alternatieve aanpak van het thema van de Heilig Hartbeelden binnen de oorlogsmonumenten in Vlaanderen. Het monument voor de gesneuvelden in Ekeren is een representatief, gaaf bewaard en artistiek hoogwaardig voorbeeld van de nog steeds levende traditie van de herdenking van de Eerste Wereldoorlog;
- woning Leon De Ridder, Hof van Delftlaan 41 in Ekeren Donk.
De woning Leon De Ridder is een representatief voorbeeld van modernistische landhuisbouw uit de vroege jaren 1960. De verkaveling waarin de villa ligt wordt gedomineerd door het traditionele landhuis met rieten dak. Binnen deze context is het uitgesproken modernisme dat architect Jan Jaak Jacobs voor deze woning toepaste ronduit uitzonderlijk. De creaties van Jacobs vallen op door hun vernieuwende, soms excentrieke vormgeving, een bravoure in het gebruik van gewapend betonstructuren, een progressieve ruimteopvatting met aandacht voor lichtinval en oriëntatie en een verzorgde detaillering van het interieur gekenmerkt door kleur-, textuur- en materiaalcontrasten, ruim voorzien van inbouwmeubilair. De woning Leon De Ridder die al deze karakteristieken virtuoos en in hun meest uitgesproken vorm combineert geldt als een hoogst representatieve en persoonlijke expressie van de eigenzinnige architectuuropvatting van Jan Jaak Jacobs. Gaaf bewaard, behoort de woning tot de zeldzame voorbeelden van progressieve naoorlogse landhuisbouw in België die in deze periode wordt gedomineerd door conventionele of traditionalistische architectuurtendensen;
-
zes villa’s in de wijk Sint-Mariaburg in Ekeren op veschillende adressen.
Sint-Mariaburg dankt haar ontstaan aan de nabijheid van de spoorweg Antwerpen-Roosendaal, aangelegd in 1854 en de Kapelsesteenweg. Antoon Van den Weyngaert, oprichter van verzekeringsmaatschappij Antverpia, kocht grote stukken onbebouwde heide- en bosgronden in Ekeren en Brasschaat en verkavelde ze. In 1898 kreeg de wijk de naam Sint-Mariaburg. De creatie van een groene villawijk rond de stad valt te kaderen in de ontwikkeling van de (Engelse) tuinwijkgedachte, gekenmerkt door de keuze voor een pittoreske op de cottagestijl geïnspireerde architectuur, door de aandacht voor een groene, gezonde omgeving en door een sociale opdeling van de wijk met villa’s en landhuizen op ruime beboomde kavels enerzijds en rijbebouwing met burgerhuizen en arbeiderswoningen anderzijds. Voor alle woningtypes werd eenzelfde pittoreske baksteenarchitectuur aangehouden, gebaseerd op de cottagestijl. De bouwplannen van particuliere bouwers werden streng gecontroleerd om een homogeen wijkbeeld te bekomen.
De villa’s omgeven door een grote siertuin vormen een opmerkelijke illustratie van de woon- en leefcultuur van de gegoede burgers in de Belle Epoque die hun vakanties doorbrachten in de groene, gezonde gebieden buiten de stad. De meeste villatuinen werden in de loop van de twintigste eeuw verkaveld waardoor er maar weinig voorbeelden meer over zijn van dergelijke grote siertuinen.
Volgende villa's in de wijk Sint-Mariaburg werden voorlopig beschermd:
- villa Albert, Edward Caertsstraat 39, werd in 1894 gebouwd voor Constant Erkes. Het is een eclectisch gebouw dat elementen uit de neo-Vlaamse renaissance en de cottagestijl combineert Hoewel er geen bouwplannen zijn kan het ontwerp voorzichtig toegeschreven worden aan Ferdinand Hompus. De villa ligt in een immense parktuin die ondanks de verkaveling vanaf het interbellum nog bijna 8.000 m² groot is. Exterieur en interieur van de woning zijn net als de omliggende tuin in belangrijke mate authentiek en vormen een zeldzaam voorbeeld van een buitenverblijf van dergelijke omvang in de villawijken rond Antwerpen;
- villa Kerckx, Bist 66, is een villa in cottagestijl gebouwd in 1899 als buitenverblijf voor beeldhouwer Jan Baptiste Kerckx-Coppens. De architect is niet bekend. De architectuur van de woning sloot aan bij de vrij burgerlijke en behoudsgezinde architectuur die architect Frans Verbraeken in opdracht van de maatschappij Antverpia uittekende. Het huidige uitzicht van de villa kwam tot stand in 1910, toen de vakantiewoning sterk werd uitgebreid naar ontwerp van bouwmeester John Van Beurden, schoonzoon van Kerckx. De afgebakende grote siertuin is inherent aan het architecturale concept van de cottagevilla en maakt onlosmakelijk deel uit van de villasite;
- villa Carlo, Fortuinstraat 15-17, is een twee-onder-één-kapvilla in 1908 door John Van Beurden ontworpen eveneens voor de familie Kerckx. Villa Carlo is belangrijk binnen het oeuvre van de architect aangezien hij de woning ontwierp als vakantieverblijf voor zijn eigen gezin en dat van zijn broer en schoonzus. De detaillering, het materiaalgebruik en de afwerking van exterieur- en interieurelementen getuigen van grote kwaliteit en vertalen de moderne architectuuridealen die in de Belle Epoque leefden en gebaseerd zijn op de uit Engeland geïmporteerde cottagestijl. De uitgesproken cottagestijl, de gave bewaring van het fijnmazig schrijnwerk, het bewaarde interieur en de grote siertuin als perfecte context voor een cottage maken van de villa Carlo een authentiek en representatief voorbeeld van de architectuur voortkomend uit de tuinwijkgedachte in Vlaanderen;
- villa Louise, Bist 125, werd in 1900 gebouwd als buitenverblijf voor de Antwerpse stouwer Jan Baptiste Venkeler. Het is een eclectische villa waarin de onbekende ontwerper elementen uit de neo-Vlaamse renaissance en de cottagestijl combineert tot een kwalitatief, pittoresk geheel. Dit buitenverblijf is een zeldzaam, herkenbaar en representatief voorbeeld van de bouwtypologie die bouwmaatschappij Antverpia voor ogen had bij de ontwikkeling van de tuinwijk. De siertuin in landschappelijk stijl met hoogstammige bomen, heesters en graspartijen en een bijgebouw in aangepaste bouwstijl behoort tot het architecturale concept van een buitenverblijf in een tuinwijk. Het interieur is sober en verzorgd en is een voorbeeld van de standaard burgerlijke smaak waarmee men in de Belle Epoque de burgerwoningen inrichtte en die vanuit stedelijke context werd overgenomen in de toen landelijke omgeving van Sint-Mariaburg;
- villa ’t Bellenhof, Bist 52, is een buitenverblijf in eclectische stijl dat rond 1898 gebouwd werd door Albert Bellens-Peeters, een koperslager uit Antwerpen. De ontwerpers van villa ’t Bellenhof pasten bij de bouw in 1898 de behoudsgezinde bouwregels van maatschappij Antverpia toe, maar voegden daar bij de verbouwing van 1902 de meer vernieuwende tendensen uit de architectuur aan toe. De eclectische villa met elementen uit de neo-Vlaamse renaissance- en cottagestijl kreeg een uitbreiding in zuivere art nouveau wat in een zeer geslaagd geheel resulteerde. Villa ’t Bellenhof is daardoor een representatieve, herkenbare getuige van de veranderende architectuuridealen van de Belle Epoque. Het interieur van de woning is een voorbeeld van de burgerlijke interieursmaak van die tijd en de vernieuwende aanpak van de plattegronden. Het ensemble van villa, tuin, paviljoen, folies en bijgebouwen staat ruimtelijk en visueel in directe relatie en samen vormen ze historisch een entiteit met duidelijke typologische en conceptuele samenhang. De gloriette met rotspartij en ingewerkte vijver is een zeer uitzonderlijk voorbeeld van een zeldzaam wordend type paviljoentuin, hier bewaard in volledige, ongewijzigde context;
- villa Les Rochers, Bist 54, werd rond 1902 gebouwd, eveneens voor de Antwerpse familie Bellens. In de jaren 1950 werd ze uitgebreid met respect voor het origineel volume en uitzicht. In deze villa worden de basiselementen uit de cottagestijl gecombineerd met een kwalitatieve detaillering in art nouveaustijl. De kwalitatieve vernieuwende kijk op architectuur is vertaald in het interieur. Het luchtige open karakter van de plattegrond stelt het contact met de omliggende tuin centraal. De siertuin in landschappelijke stijl is in overeenstemming met het pittoreske cottageconcept. Bij villa Les Rochers zijn de tuinelementen authentiek bewaard. Het ensemble villa, tuin, paviljoen en bijgebouw staat ruimtelijk en visueel in directe relatie en samen vormen ze historisch een entiteit met duidelijke typologische en conceptuele samenhang. Een uitzonderlijk gegeven bij villa Les Rochers is de link met de naastgelegen villa ’t Bellenhof. Beide buitenverblijven werden gebouwd voor de familie Bellens. De stijleenheid waarin ze zijn gebouwd versterkt het architecturale concept en de ensemblewaarde.
De dienst stadsontwikkeling/onroerend erfgoed/monumentenzorg adviseert de voorliggende bescherming van de verschillende items in Ekeren gunstig. In vergelijking met de andere districten van de stad Antwerpen is het aantal beschermde monumenten op het grondgebied van het district Ekeren erg klein. De voorliggende beschermingen zorgen voor een inhaaloperatie, waardoor de cultuurhistorische identieit van het district versterkt wordt. Deze erfgoedrelicten zijn van algemeen belang omwille van hun historische, architectuurhistorische, artistieke en sociaal-culturele waarde. De bescherming maakt het mogelijk dat de eigenaar bij restauratiewerken aanspraak maakt op een erfgoedpremie. Het gebruikelijke premiepercentage bedraagt 40% van de kosten die in aamerking worden genomen voor betoelaging. Wanneer de eigenaar aanspraak wenst te maken op een verhoogde premie van 80% is het noodzakelijk om over een goedgekeurd beheersplan voor de beschermde goederen te beschikken.