Context en feiten
Ik heb een politieke vraag over de werking van het OCMW Antwerpen, met name naar het verlenen van dringende medische hulp. Mijn vraag gaat niet over de operationele werking van het OCMW, want dat is uiteraard bevoegdheid van de OCMW-raad zelf. Mijn vraag gaat over de strategische beleidsopties die het OCMW Antwerpen neemt, en die vraag komt conform artikel 42 van het Gemeentedecreet toe aan de gemeenteraad.
De wet legt bepaalde voorwaarden op voor dringend medische hulp aan mensen zonder papieren. Men moet behoeftig zijn, en men heeft een attest van een arts nodig die bevestigt dat de patiënt dringende zorg nodig heeft.
Het Koninklijk Besluit van 12 december 1996 stelt in artikel 1 dat de dringende medische hulp, de hulp betreft die een uitsluitend medisch karakter vertoont en waarvan de dringendheid met een medisch getuigschrift wordt aangetoond. Er wordt gespecifieerd dat deze dringende medische hulp zorgverstrekking kan omvatten van zowel preventieve als curatieve aard.
In artikel 2 lezen we dat de dringende medische hulp door de Staat aan het OCMW wordt terugbetaald, op voorwaarde dat dit centrum een medisch getuigschrift voorlegt waaruit de dringende noodzakelijkheid van de verstrekking blijkt.
“Dat ook de adviserende arts van het OCMW naar zo’n dossier kijkt, daar is op zich niets mis mee. Maar als hij het oordeel van de behandelende arts betwist en als om die reden hulp wordt geweigerd, is dat onwettelijk.”, zegt professor Freek Louckx in De Standaard (20 juni 2015).
Dat wordt ook bevestigt in de parlementaire stukken. In de voorbereiding van de parlementaire vraag betreffende Dringende Medische Hulp aan mensen zonder wettig verblijf het volgende:
“Het is aan de behandelende arts om te bepalen of medische zorgverstrekking noodzakelijk is. De verantwoordelijkheid om te bepalen of een preventieve of curatieve ingreep dringend is, wordt bij de arts gelegd en die moet ter zake in eer en geweten oordelen.” (Parl. St. Kamer 1995-96, Doc. nr. 364/7, 26) (zie art. 1 KB van 12 december 1996: rubriek 1.2).
Professor Louckx benadrukt ook dat om sociale fraude bij artsen na te gaan, er andere wegen noodzakelijk zijn: “Als het OCMW vermoedt dat bepaalde artsen te snel een attest voor dringende medische hulp geven, moet het naar de Orde van Geneesheren stappen. Die neemt dan de gepaste maatregelen tegen de arts in kwestie. Ik heb veeleer de indruk dat onder het mom van fraudebestrijding de dienstverlening van het OCMW wordt afgebouwd.”
De professor concludeert: “Het begrip “dringende hulp” is nu heel breed en dat blijft best zo. Artsen moeten hun therapeutische vrijheid behouden. Behalve voor specifieke gevallen waarbij misbruik is aangetoond. Overigens staan onze grondwet en internationale verdragen niet zomaar een verstrenging van de wet rond dringende medische hulp toe.”
Vragen:
Raadslid Mertens houdt zijn interpellatie.
Schepen Duchateau geeft antwoord op de vragen.
Raadslid Mertens houdt nog een wederwoord.
- Het volledige debat is opgenomen en digitaal raadpleegbaar via het stadsarchief.