De registers van de burgerlijke stand worden gehouden op papieren registers, in tweevoud door de ambtenaar van de burgerlijke stand. Het burgerlijk wetboek van 21 maart 1804 bepaalt de regels hiervoor.
Aangezien de stad opgedeeld is in negen districten – binnengemeentelijke territoriale organen zoals mogelijk gemaakt door artikel 41 van de grondwet - is dankzij artikel 127 van de nieuwe gemeentewet de bevoegdheid en werking van de burgerlijke stand opgedeeld in deze zelfde districten.
Dit maakt dat we aan onze inwoners en andere burgers die een geboorte, huwelijk, overlijden, … moeten aangeven deze producten niet efficiënt en klantgericht kunnen aanbieden. De meeste van deze aangiftes moeten gebeuren in de registers van de plaats waar het feit zich heeft voorgedaan.
Een inwoner van het ene district kan dus niet terecht aan het stadsloket van het district waar hij woont of werkt om zijn kind aan te geven als dit geboren werd in een ziekenhuis op het grondgebied van een ander district.
Bovendien bevat het burgerlijk wetboek nog tal van overbodige overschrijvingen, inschrijvingen en andere administratieve procedures die door modernisering en informatisering overbodig zouden zijn.
De Dienst van Administratieve Vereenvoudiging en de Federale Overheidsdienst Justitie werkte in samenwerking met verschillende gemeentes en steden waaronder Antwerpen, de Federale Overheidsdiensten Binnenlandse Zaken en Buitenlandse Zaken, de belangenverenigingen van de ambtenaren van de burgerlijke stand en verschillende andere betrokken actoren het project ‘Centraal Register Burgerlijke Stand’ uit.
Dit project is volledig uitgewerkt tot de technische implementatiedetails toe en heeft als doelen:
In het regeerakkoord van 9 oktober 2014 staat onder punt 6.3.1 Burgerlijk recht dat ‘De modernisering en informatisering van de burgerlijke stand moet worden voortgezet. De burger moet kunnen rekenen op een toegankelijke en efficiënte burgerlijke stand.’
De bedrijfseenheid districts- en loketwerking zal zo snel mogelijk binnen het huidige wettelijke kader de registers van de burgerlijke stand enkel digitaal bijhouden, om zo binnen de huidige wetgeving in de mate van het mogelijke het houden van de registers van de burgerlijke stand efficiënter te maken.
Het college van burgemeester en schepenen richt een brief aan de minister van Justitie, de heer Koen Geens om:
Artikel 41 van De gecoördineerde Grondwet.
Artikel 127 van de Nieuwe Gemeentewet.
Het Burgerlijk Wetboek, Inleidende titel en boek I: Personen van 21 maart 1804.
Het college keurt de collegiale brief aan de minister van Justitie goed.