Artikel 36,4° van Vlarem I bepaalt dat het college een uitspraak dient te doen over een milieuvergunningsaanvraag klasse 2.
Aanvrager(s): Venneshop bvba, Middelmolenlaan 86, 2100 Deurne-Antwerpen. De aanvraag omvat de exploitatie van een droogkuis en wasserij.
Het college beslist op basis van het verslag van de dienst milieuvergunningen, dat als bijlage bij dit besluit is gevoegd.
Het milieuvergunningendecreet van 28 juni 1985, meermaals gewijzigd, en haar uitvoeringsbesluiten (Vlarem I en II) bepalen dat niemand zonder vergunning of melding een hinderlijk inrichting mag exploiteren.
Het college beslist een milieuvergunning, zoals geformuleerd in de argumentatie, goed te keuren aan Venneshop bvba, Middelmolenlaan 86, 2100 Deurne-Antwerpen, voor de inrichting gelegen op hetzelfde adres. De vergunning heeft als voorwerp het exploiteren van een droogkuis en wasserij.
Het college wijst erop dat de volgende algemene en sectorale voorwaarden van toepassing zijn:
|
algemene milieuvoorwaarden – algemeen |
hoofdstuk 4.1, 4.7, 4.9 en bijlagen 4.1.9.1.6, 4.1.9.2.3.1, 4.1.9.2.3.2, 4.1.9.2.3.4 en 4.8; |
|
algemene milieuvoorwaarden – geluid |
hoofdstuk 4.5 en bijlagen 2.2.1, 2.2.2, 4.5.1, 4.5.2, 4.5.3, 4.5.4, 4.5.5 en 4.5.6; |
|
algemene milieuvoorwaarden – oppervlaktewater |
hoofdstuk 4.2 en bijlagen 4.2.5.1, 4.2.5.2 en 4.2.5.4; |
|
algemene milieuvoorwaarden – lucht |
hoofdstuk 4.4 en bijlagen 4.4.1 tot 4.4.6. en hoofdstuk 4.10; |
|
algemene milieuvoorwaarden – licht |
hoofdstuk 4.6; |
|
algemene milieuvoorwaarden – oppervlaktewater |
hoofdstuk 4.2 en bijlagen 4.2.5.1, 4.2.5.2 en 4.2.5.4; |
|
bedrijfsafvalwaters + sector 54.b |
afdeling 5.3.2 + bijlage 5.3.2; |
|
gassen – gemeenschappelijke bepalingen |
afdeling 5.16.1 en bijlage 5.16.5; |
|
gassen – koelinrichtingen / compressoren |
afdeling 5.16.3; |
|
opslag van gevaarlijke stoffen / ondergrondse en bovengrondse houders |
afdeling 5.17.1 en bijlage 5.17.1; |
|
stoomtoestellen |
hoofdstuk 5.39; |
|
textiel |
hoofdstuk 5.41; |
|
niet in rubriek 2 en 28 begrepen verbrandingsinrichtingen - algemene bepalingen en immissiecontroleprocedures |
afdeling 5.43.1 + 5.43.4.; |
|
niet in rubriek 2 en 28 begrepen verbrandingsinrichtingen - stookinstallaties, met uitzondering van gasturbines en stoom- en gasturbine-installaties – kleine stookinstallaties (300 kW – 5 MW) |
subafdeling 5.43.2.3; |
|
wasserijen |
hoofdstuk 5.46; |
|
winning van grondwater |
hoofdstuk 5.53 en bijlage 5.53.1; |
|
activiteiten met gebruik organische oplosmiddelen |
hoofdstuk 5.59 en bijlage 5.59.1, 5.59.2 en 5.59.3. |
Het college beslist dat de exploitant de volgende bijzondere- en brandweer voorwaarden dient na te leven:
Bijzondere voorwaarden:
- na het aanleggen van de grondwaterwinning dient een kopie van het ijkverslag van de debietmeter bezorgd te worden aan dienst milieuvergunningen van stad Antwerpen (milieuvergunningen@stad.antwerpen.be);
- de sectorale lozingsvoorwaarden van 54.b worden aangevuld met volgende bijzondere voorwaarden:
- om te controleren of de branders voldoen aan verbrandingswaarden, dienen de reinigings- en verbrandingsattesten binnen de 3 maanden na het verlenen van de vergunning bezorgd te worden aan dienst milieuvergunningen van stad Antwerpen (milieuvergunningen@stad.antwerpen.be);
- het waterverbruik mag nooit de waarden overschrijden zoals vastgesteld in tabel 6-5 van de BBT voor de sector wasserijen en linnenverhuurders (maart 2010).
Brandweervoorwaarden:
Onafhankelijk van de verplichtingen aan de houder van de milieuvergunning opgelegd via de vigerende milieureglementering alsmede via het milieuvergunningsbesluit, en onverminderd de maatregelen ter voorkoming en bestrijding van brand, door de houder van de milieuvergunning te treffen in uitvoering van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden, dient de houder van de milieuvergunning reeds te voorzien in de hiernavermelde blusmiddelen voor eerste tussenkomst:
Er mogen nochtans gedeeltelijk mobiele bluseenheden of snelblustoestellen van een ander type aangewend worden op de plaatsen waar zij meer aangewezen zijn, voor zover de aangebrachte blusmiddelen minstens eenzelfde bluseenheid conform NBN EN 3-7 bezitten en evenwaardig zijn aan de bovenvermelde.
De haspels dienen gevoed met een leiding onder druk zodanig dat het debiet bij de minst bedeelde haspel gelijk is aan of groter dan 24 liter per minuut.
De leidingen voor bluswater dienen vervaardigd in staal of in een metaal dat minstens dezelfde waarborgen biedt.
De geplaatste muurhaspels dienen voorzien van een vergrendeling derwijze dat men het afsluitmondstuk niet kan verwijderen zonder het openen van een handbediende afsluiter op de watertoevoer.
De waterlevering moet te allen tijde, ook tijdens vorstperiode, gewaarborgd zijn.
De voeding gebeurt rechtstreeks op het net van de openbare waterbedeling, door een leiding waarvan de minimale binnendiameter 150 mm bedraagt.
De aansluiting op het voedingsnet dient zodanig te zijn dat het maximum debiet onmiddellijk beschikbaar is bij gebruik van de hydrant.
Minimaal dienen armaturen aangebracht te worden boven elke uitgangsdeur, in alle evacuatiewegen (gangen en trappen), in de nabijheid van de brandbestrijdingsmiddelen en in alle lokalen die uitsluitend door kunstlicht bediend worden.
De veiligheidsverlichting dient verder uitgebreid te worden zodanig dat de plaatsing en de verlichtingssterkte voldoende is om een gemakkelijke ontruiming te waarborgen.
De veiligheidsverlichting moet tenminste gedurende 1 uur zonder onderbreking kunnen functioneren.
Het college beslist dat de milieuvergunning ingaat op 24 oktober 2014 en eindigt op 24 oktober 2034.
Het college beslist dat de vergunde inrichting in gebruik moet genomen worden binnen de 3 jaar vanaf de startdatum van de vergunning, zoniet vervalt deze vergunning van rechtswege.