Terug

2014_CBS_10712 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - Venneshop bvba, Middelmolenlaan 86, 2100 Deurne-Antwerpen. Dossiernummer MV2014/443/JW - Goedkeuring

college van burgemeester en schepenen
vr 24/10/2014 - 16:30 Kasteel Rivierenhof
Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig

Bart De Wever, burgemeester; Koen Kennis, schepen; Philip Heylen, schepen; Ludo Van Campenhout, schepen; Claude Marinower, schepen; Marc Van Peel, schepen; Rob Van de Velde, schepen; Nabilla Ait Daoud, schepen; Fons Duchateau, schepen; Roel Verhaert, stadssecretaris

Afwezig

Serge Muyters, korpschef

Secretaris

Roel Verhaert, stadssecretaris

Voorzitter

Bart De Wever, burgemeester
2014_CBS_10712 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - Venneshop bvba, Middelmolenlaan 86, 2100 Deurne-Antwerpen. Dossiernummer MV2014/443/JW - Goedkeuring 2014_CBS_10712 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - Venneshop bvba, Middelmolenlaan 86, 2100 Deurne-Antwerpen. Dossiernummer MV2014/443/JW - Goedkeuring

Motivering

Gekoppelde besluiten

Regelgeving: bevoegdheid

Artikel 36,4° van Vlarem I bepaalt dat het college een uitspraak dient te doen over een milieuvergunningsaanvraag klasse 2.

Aanleiding en context

Aanvrager(s): Venneshop bvba, Middelmolenlaan 86, 2100 Deurne-Antwerpen. De aanvraag omvat de exploitatie van een droogkuis en wasserij.

Argumentatie

Het college beslist op basis van het verslag van de dienst milieuvergunningen, dat als bijlage bij dit besluit is gevoegd.

Juridische grond

Het milieuvergunningendecreet van 28 juni 1985, meermaals gewijzigd, en haar uitvoeringsbesluiten (Vlarem I en II) bepalen dat niemand zonder vergunning of melding een hinderlijk inrichting mag exploiteren.

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college beslist een milieuvergunning, zoals geformuleerd in de argumentatie, goed te keuren aan Venneshop bvba, Middelmolenlaan 86, 2100 Deurne-Antwerpen, voor de inrichting gelegen op hetzelfde adres. De vergunning heeft als voorwerp het exploiteren van een droogkuis en wasserij.

Artikel 2

Het college wijst erop dat de volgende algemene en sectorale voorwaarden van toepassing zijn:

algemene milieuvoorwaarden – algemeen

hoofdstuk 4.1, 4.7, 4.9 en bijlagen 4.1.9.1.6, 4.1.9.2.3.1, 4.1.9.2.3.2, 4.1.9.2.3.4 en 4.8;

algemene milieuvoorwaarden – geluid

hoofdstuk 4.5 en bijlagen 2.2.1, 2.2.2, 4.5.1, 4.5.2, 4.5.3, 4.5.4, 4.5.5 en 4.5.6;

algemene milieuvoorwaarden – oppervlaktewater

hoofdstuk 4.2 en bijlagen 4.2.5.1, 4.2.5.2 en 4.2.5.4;

algemene milieuvoorwaarden – lucht

hoofdstuk 4.4 en bijlagen 4.4.1 tot 4.4.6. en hoofdstuk 4.10;

algemene milieuvoorwaarden – licht

hoofdstuk 4.6;

algemene milieuvoorwaarden – oppervlaktewater

hoofdstuk 4.2 en bijlagen 4.2.5.1, 4.2.5.2 en 4.2.5.4;

bedrijfsafvalwaters + sector 54.b

afdeling 5.3.2 + bijlage 5.3.2;

gassen – gemeenschappelijke bepalingen

afdeling 5.16.1 en bijlage 5.16.5;

gassen – koelinrichtingen / compressoren

afdeling 5.16.3;

opslag van gevaarlijke stoffen / ondergrondse en bovengrondse houders

afdeling 5.17.1 en bijlage 5.17.1;

stoomtoestellen

hoofdstuk 5.39;

textiel

hoofdstuk 5.41;

niet in rubriek 2 en 28 begrepen verbrandingsinrichtingen - algemene bepalingen en immissiecontroleprocedures

afdeling 5.43.1 + 5.43.4.;

niet in rubriek 2 en 28 begrepen verbrandingsinrichtingen - stookinstallaties, met uitzondering van gasturbines en stoom- en gasturbine-installaties – kleine stookinstallaties (300 kW – 5 MW)

subafdeling 5.43.2.3;

wasserijen

hoofdstuk 5.46;

winning van grondwater

hoofdstuk 5.53 en bijlage 5.53.1;

activiteiten met gebruik organische oplosmiddelen

hoofdstuk 5.59 en bijlage 5.59.1, 5.59.2 en 5.59.3.

Artikel 3

Het college beslist dat de exploitant de volgende bijzondere- en brandweer voorwaarden dient na te leven:

Bijzondere voorwaarden:

-      na het aanleggen van de grondwaterwinning dient een kopie van het ijkverslag van de debietmeter bezorgd te worden aan dienst milieuvergunningen van stad Antwerpen (milieuvergunningen@stad.antwerpen.be);

-      de sectorale lozingsvoorwaarden van 54.b worden aangevuld met volgende bijzondere voorwaarden:

  • stikstof: 15 mg/liter
  • fosfor: 10 mg/liter
  • AOX: 1 mg/liter
  • detergenten:
    • anionische: 20 mg/liter
    • kationische en non-ionische: 15 mg/liter
  • fenantreen: 0,5 µg/liter

-      om te controleren of de branders voldoen aan verbrandingswaarden, dienen de reinigings- en verbrandingsattesten binnen de 3 maanden na het verlenen van de vergunning bezorgd te worden aan dienst milieuvergunningen van stad Antwerpen (milieuvergunningen@stad.antwerpen.be);

-      het waterverbruik mag nooit de waarden overschrijden zoals vastgesteld in tabel 6-5 van de BBT voor de sector wasserijen en linnenverhuurders (maart 2010).

Brandweervoorwaarden:

Onafhankelijk van de verplichtingen aan de houder van de milieuvergunning opgelegd via de vigerende milieureglementering alsmede via het milieuvergunningsbesluit, en onverminderd de maatregelen ter voorkoming en bestrijding van brand, door de houder van de milieuvergunning te treffen in uitvoering van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden, dient de houder van de milieuvergunning reeds te voorzien in de hiernavermelde blusmiddelen voor eerste tussenkomst:

  • Snelblustoestellen van minstens één bluseenheid conform NBN EN 3-7 - bij voorkeur 6 kg poeder type ABC - dienen goed verdeeld aangebracht à rato van 1 toestel per 150 m² (binnenruimte). Voor brandcompartimenten kleiner dan 300 m² dienen er in elk geval minstens twee toestellen aanwezig te zijn.

Er mogen nochtans gedeeltelijk mobiele bluseenheden of snelblustoestellen van een ander type aangewend worden op de plaatsen waar zij meer aangewezen zijn, voor zover de aangebrachte blusmiddelen minstens eenzelfde bluseenheid conform NBN EN 3-7 bezitten en evenwaardig zijn aan de bovenvermelde.

  • Snelblustoestellen van minstens één bluseenheid conform NBN EN 3-7 - bij voorkeur 6 kg poeder type ABC - dienen aangebracht bij elk punt of lokaal met verhoogd risico, zoals ondermeer pompen, compressoren, lasposten, belangrijke elektriciteitsborden, enz.
  • Muurhaspels met axiale voeding (conform NBN EN 671-1) + muurhydrant (volgens de norm NBN 571 en voorzien van vaste koppelstukken doormeter 45 mm volgens KB van 30 januari 1975) met gemeenschappelijke watertoevoer met een binnendiameter van tenminste 70 mm dienen op oordeelkundig gekozen plaatsen opgesteld zodanig dat elk punt van de inrichting kan bespoten worden.
  • Hun aantal wordt zodanig bepaald dat de af te leggen afstand vanaf om het even welk punt tot het dichtst bijgelegen toestel niet meer bedraagt dan de lengte van de gebruikte haspels.

De haspels dienen gevoed met een leiding onder druk zodanig dat het debiet bij de minst bedeelde haspel gelijk is aan of groter dan 24 liter per minuut.

De leidingen voor bluswater dienen vervaardigd in staal of in een metaal dat minstens dezelfde waarborgen biedt.

De geplaatste muurhaspels dienen voorzien van een vergrendeling derwijze dat men het afsluitmondstuk niet kan verwijderen zonder het openen van een handbediende afsluiter op de watertoevoer.

De waterlevering moet te allen tijde, ook tijdens vorstperiode, gewaarborgd zijn.

  • Eén bovengrondse hydrant BH 100, conform NBN S 21.019, maar met afsluiters op beide uitgeefkanten van 70 mm Ø dient voorzien bij de toegang van het gebouw.

De voeding gebeurt rechtstreeks op het net van de openbare waterbedeling, door een leiding waarvan de minimale binnendiameter 150 mm bedraagt.

De aansluiting op het voedingsnet dient zodanig te zijn dat het maximum debiet onmiddellijk beschikbaar is bij gebruik van de hydrant.

  • In het gebouw dienen maatregelen genomen om melding van brand en alarm door te geven.
  • Het gebouw dient uitgerust te worden met een manueel systeem om ontruiming te bevelen (drukknoppen + sirenes).
  • De inrichting moet voorzien worden van veiligheidsverlichting, die onmiddellijk en automatisch in dienst treedt bij het uitvallen van de stroom.

Minimaal dienen armaturen aangebracht te worden boven elke uitgangsdeur, in alle evacuatiewegen (gangen en trappen), in de nabijheid van de brandbestrijdingsmiddelen en in alle lokalen die uitsluitend door kunstlicht bediend worden.

De veiligheidsverlichting dient verder uitgebreid te worden zodanig dat de plaatsing en de verlichtingssterkte voldoende is om een gemakkelijke ontruiming te waarborgen.

De veiligheidsverlichting moet tenminste gedurende 1 uur zonder onderbreking kunnen functioneren.

Artikel 4

Het college beslist dat de milieuvergunning ingaat op 24 oktober 2014 en eindigt op 24 oktober 2034.

Artikel 5

Het college beslist dat de vergunde inrichting in gebruik moet genomen worden binnen de 3 jaar vanaf de startdatum van de vergunning, zoniet vervalt deze vergunning van rechtswege.

Artikel 6

Dit besluit heeft in principe geen financiƫle gevolgen voor de stad of het OCMW.