De autofabriek van Opel in Antwerpen sloot eind 2010 haar deuren. De discussie over wat er met de gronden ging gebeuren sleepte aan tot april dit jaar, toen GM de site voor 41.8 miljoen euro verkocht aan het Antwerpse Havenbedrijf. Pas onlangs werden de gronden vrijgegeven door GM en nu kan het Havenbedrijf eindelijk beginnen met het aanprijzen van de site op de markt.
Zowel de Vlaamse regering als het Havenbedrijf heeft de voorbije jaren een duidelijke toekomstvisie ontwikkeld voor de Opelterreinen. De volledige site zou voor onbepaalde duur in concessie gegeven worden aan één speler actief in de maakindustrie, bij voorkeur chemie of metaal. Minister-president Bourgeois verkondigde tijdens de plenaire vergadering van 15 oktober ondubbelzinnig dat “het om industriële activiteiten moet gaan”. Ook de topman van het Antwerpse Havenbedrijf, Eddy Bruyninckx, bevestigde onlangs nog in een artikel dat in De Tijd verscheen:
“We zoeken naar één project. Een duurzame investering, zowel ecologisch als economisch. Toegevoegde waarde en werkgelegendheid zijn belangrijk. We mikken op de maakindustrie: metaal- of chemie-industrie, geen logistiek”.
Deze toekomstvisie voor de site onderschrijf ik volledig en kan ik alleen maar toejuichen. In hetzelfde artikel uit de tijd laat Bruyninckx echter een heel ander geluid horen en zegt hij dat “een verkoop van de gronden tot de mogelijkheden behoort als een kandidaat-investeerder daar een breekpunt van maakt”. We hebben in het verleden al genoeg problemen gehad met haventerreinen die verkocht en dus niet in concessie gegeven werden. Dit is een fundamentele en totaal onaanvaardbare koerswijziging.
Als klap op de vuurpijl staat in het Vlaams regeerakkoord te lezen “We ondersteunen verder de reconversie van de Opelterreinen als ‘TechCity Antwerp’”.
Mijn vragen aan de schepen zijn: