Ja
Artikel 4.7.12. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening stelt dat het college bevoegd is om de beslissing te nemen over een aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning.
| Aanvragers: | NV Tunnelplaats |
| De aanvraag omvat: | slopen van de bestaande gebouwen en nieuwbouw van appartementen, studentenkamers, handelsruimtes en ondergrondse parking |
| Dossiernummer: | AN1/B/20141134 |
Voorafgaand aan zijn beslissing neemt het college conform artikel 4.7.17 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening kennis van het verslag van de gemeentelijk stedenbouwkundig ambtenaar dat bij dit besluit is toegevoegd.
Het beleid volgt de zienswijze van de GSA niet en wel om volgende redenen:
Door zijn specifieke ligging op een punt dat als het ware een drielandenpunt vormt van Antwerpse RUPS (RUP 2060, RUP Binnenstad en RUP Eilandje) is de site stedenbouwkundig niet enkel toewijsbaar aan een welbepaalde omgeving. De speciale ligging uit zich in een eigenzinnige overgang naar het RUP Eilandje, de omhelzing door 3 belangrijke invals-uitvalswegen, een belangrijke zichtas en haar “zijn” als een fysiek eiland tussen de voornoemde wegenstructuur. De site vormt daar als het ware een markant overgangsgebied, waarbij de afstand tussen de site en de dichtstbijzijnde gebouwen in het eigen en andere RUP’s telkens 200 m bedraagt.
Het opwerpen van een “welstandsregel” in een te enge interpretatie op deze site zou wijzen op een star stedenbouwkundig inzicht, temeer daar (ook)in de nieuwe bouwcode expliciet staat ingeschreven dat de harmonieregel vanuit een evolutief karakter dient te worden toegepast.
Voor de doelstelling van goede ruimtelijk ordening dient rekening gehouden te worden met de mobiliteit (hiervoor werd een grondige analyse gemaakt), maar tevens met de doelstelling om in het kader van de te verwachten bevolkingstoename op een flexibele manier om te springen met de beschikbare bouwvolumes. Deze gedachte wordt letterlijk ondersteund in BPA binnenstad en in de screeningnota in het kader van de plan-MER-procedure RUP Binnenstad op p 11/27 van 19 december 2008:
“Nieuwe porositeit: recente oefeningen vanuit de bouwblokstrategie geven nieuwe inzichten. De algemene principes van het BPA Binnenstad (de zgn. harmonieregel) kunnen behouden blijven, maar het BPA dient op een correcte, maar flexibele manier toegepast te worden, teneinde kwalitatief om te gaan met de veranderingen die de stad ondergaat. …”
Ook de Gecoro (Advies van 11 juni 2014) is duidelijk de mening toegedaan dat de specifieke ligging een prominente (lees opvallend en dens) bebouwing toelaat:
“hoogbouw of niet, deze plek vereist een hoogkwalitatief project dat ingebed is in een visie die verder reikt dan een perceel of bouwblok. ….
Gezien de positieve impuls voor de omgeving die in het vooruitzicht wordt gesteld, is het nodig dat de meerwaarde die het project aan de omgeving kan bieden, evenals de wederzijdse kansen en inspanningen die hiermee gepaard gaan voor bouwheer en stad, in beeld komen.”
Binnen de te verwachten bevolkingstoename is een efficiënt gebruik van ruimte een belangrijke opdracht voor het huidige college. Hierdoor geldt niet alleen de kwaliteit van het voorliggende project, maar eveneens de ruimtebalans als een waarderingscriterium van het project.
De aanvraag respecteert de essentie van wat in het RUP Binnenstad (gemeenteraad 5 maart 2012) onder art 2.1.2. wordt bedoeld: “Het referentiebeeld wordt opgebouwd uit de bouwschil van de bestaande gebouwde omgeving. Dit beeld bestaat uit de gebouwen welke inzake harmonische samenhang het talrijkste zijn en dus kenmerkend voor de betreffende omgeving kunnen genoemd worden. Men bekijkt het gebouw steeds vanuit een logisch geheel in de omgeving waar een harmonische samenhang merkbaar is.”
De toelichting zegt: “Bij de toepassing van de harmonieregel kijkt men naar een lijn of een gebied. Soms is het aangewezen om het gebouw in een ruimer gebied te plaatsen waar een harmonie duidelijk merkbaar is. Andere keren is de straat zelf een uitstekend referentiebeeld voor de harmonieregel, maar meestal zijn dit de gebouwen langs dezelfde zijde van de straat als het gebouw van de bouwaanvraag en dit van straathoek tot straathoek.”
In het specifieke geval is een voorbeeld een “van straathoek tot straathoek”-benadering of elke andere afgemeten benadering, arbitrair. Beleidsmatig wordt er duidelijk geopteerd voor een ruimere (helikopter)benadering waarbij goede ruimtelijk ordening, juridisch kader, leefkwaliteit en ruime omgeving met elkaar verzoend worden.
Dit laat zich ook gevoelen op het vlak van de hoogte van het aangevraagde gebouw. De niet-toewijsbaarheid van de site aan een specifieke en welbepaalde omgeving, verlangt net een toetsing aan de omgeving en moet beoordeeld worden vanuit een logisch geheel met de (ruime)omgeving.
Een gebruikelijke hoogte in de binnenstad is 33 meter. Het huidige project voldoet hieraan grotendeels. Anderzijds zal 20% van het project bestaan uit een hoogteaccent van 44,34 meter. Geoordeeld wordt dat de huidige site zich daartoe leent. Daarenboven is een hoogte van 44 meter niet van die aard dat ze het panorama van de stad Antwerpen (negatief) zou beïnvloeden. Dit wordt versterkt door de analyse in onze hoogbouwnota (college 20 september 2013) p34, 1.4. Analyse, waarin onder meer wordt verwezen naar de aftekening van gebouwen vanaf 50-60 meter. Wanneer men dan de onmiddellijke omgeving van de site onder de loep neemt, dient men vast te stellen dat er reeds een aantal hoge gebouwen aanwezig zijn.
Op pagina 64 van de hoogbouwnota wordt hiervan een opsomming gemaakt MAS, Kattendijk Westkaai, Noorderlaan, Spoor Noord, .. en vele andere. Met andere woorden, recentelijk zijn een groot aantal gebouwen in de buurt van hoger dan 50 meter opgetrokken. Maar eveneens wordt in de hoogbouwnota verwezen naar de Leien. Op pagina 41 staat letterlijk:
“De Leien kunnen beschouwd worden als een verhoogd bebouwingslint die de binnenstad omarmt. De strip van bebouwing gelegen aan de Leien heeft een gemiddelde hoogte van 25m. dit is het dubbele van de hoogte in de kernstad. …… De bebouwing op de Leien vormt een apart soort van hoogte gebied tussen de historische binnenstad en de negentiende-eeuwse gordel. De lintontwikkeling langsheen de Leien is hoger dan de gemiddelde bebouwing aan de beide kanten. Het fungeert als een lasnaad die beide gebieden aan elkaar rijgt.”
Opvallend in deze passage is dat bestuurlijk naar de Leien wordt verwezen als een lint, een lasnaad. Een lange sliert gebouwen die een harmonisch geheel vormen. Nogmaals reden waarom de restrictieve harmonie-benadering faalt. Maar daarenboven is het zeker niet correct om de voorname hoge gebouwen op de Leien (Theaterbuilding -74m- en Antwerp Tower -87m-) uit het referentiebeeld van de aanvraag te weren. Onze eigen hoogbouwnota stelt:
“Deze twee torens hebben een oriënterende werking. Het zijn punten of objecten in het bebouwd weefsel. Vanuit verschillende straten in de wijde omgeving zijn de gebouwen ruimtelijke accenten. …”
Binnen een stedelijk weefsel kan deze nieuwe bebouwing absoluut een nieuw lokaal referentiepunt worden. Daarom aanvaardt het beleid dat de aanvraag als referentie neemt en harmonie nastreeft met de Leien en haar gebouwen als London Tower, Theaterbuilding, Antwerp Tower, Vlaamse Opera, Nieuw Gerechtsgebouw, ….
De diverse RUPS mogen dan al administratief onderscheiden zijn, in de realiteit is de omgeving veel breder. Dit zou betekenen dat harmonie eindigt op een administratieve scheidingslijn?
De GSA kan in casu niet gevolgd worden in de stelling dat uit de harmonieregel moet worden afgeleid dat (enkel) naar de aanpalende gebouwen moet worden gekeken om te beoordelen of een gebouw in harmonie is, noch kan het beleid de GSA volgen om qua hoogte van bebouwing niet naar de ruimere omgeving van de Tunnelplaats te kijken. Zowel BPA, RUP, Hoogbouwnota als nieuwe bouwcode, toekomstige belichaming van de uitgezette beleidslijnen, verlangen een ruimere context als basis.
Op juridisch vlak mag worden gemeld dat eerder ook de Raad voor Vergunningsbetwistingen oordeelde dat een gepland hoger gebouw niet automatisch in disharmonie is met de bestaande laagbouw uit de omgeving. Bovendien, zo stelde de Raad, kan met niet volstaan met aan te voeren dat een gebouw te hoog is om te oordelen dat het daarom in disharmonie met de omgeving zou zijn. Er is een bijzondere motivering nodig.
RvV, 4 februari 2014, nummer A/2014/0112,58:
“De verzoekende partij kan zich niet beperken tot de algemene bewering dat de harmonie tussen de geplande hoogbouw en de reeds bestaande laagbouw volledig zoek is om een schending van goede ruimtelijke ordening aan te tonen. De tweede tussenkomende partij brengt in dit verband concrete feitelijke gegevens bij met name een fotodossier, die niet ernstig tegengesproken worden door verzoekende partij, waaruit blijkt dat er in de directe omgeving verschillende gebouwen met drie bouwlagen en een zadeldak of met vier bouwlagen en een vergelijkbare hoogte voorkomen.”
Tot slot voldoet het project aan de MER-voorwaarden opgelegd tijdens de opmaak van het RUP Binnenstad. Het RUP zal op het vlak van bebouwing geen noemenswaardige veranderingen opleveren dan de bestaande referentiesituatie. En de bestaande visie van het BPA Binnenstad dat de onbebouwde ruimtes in het plangebied schaars zijn en gevrijwaard dienen te worden, wordt overgenomen in het RUP.
Daarenboven is het nogal raar om MER-screening RUP als een mogelijke weigeringsgrond te zien, wanneer in het verlag van de GSA op pagina twee over MER het volgende wordt gesteld:
“Mer-screening
Rekening houdend met de kenmerken van de aanvraag en zijn omgeving wordt geoordeeld dat de mogelijke milieueffecten van het project niet aanzienlijk zijn.”
De Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en zijn uitvoeringsbesluiten.