Artikel 130bis van De Nieuwe Gemeentewet (laatste aanpassing: decreet van 1 februari 2008) dat bepaalt dat het college van burgemeester en schepenen bevoegd is voor de tijdelijke politieverordeningen op het wegverkeer.
De gemeenteraadsbeslissingen van 20 maart 2000 (jaarnummer 619) en 21 oktober 2002 (jaarnummer 2307) waarbij de districtsbesturen bevoegd zijn tot het verlenen van advies inzake lokaal verkeersbeleid. Indien het stadsbestuur deze adviezen niet opvolgt, dient de beslissing uitdrukkelijk gemotiveerd te worden.
De te reglementeren openbare weg behoort tot het beheer van de stad Antwerpen.
Het college keurde op 7 maart 2014 (jaarnummer 2517) het aanvullend reglement met betrekking tot de politie van het wegverkeer voor de Gemeentestraat, in het district Antwerpen, goed.
In de Gemeentestraat geldt de reglementering op het parkeren met beperkte parkeertijd op de stadswegen “binnen de Singel” met het oog op het betalend- en bewonersparkeren.
De verkeerspolitie heeft met de Vlaamse Overheid, Het Agentschap Wegen en Verkeer Antwerpen een overeenkomst gemaakt om alle tram-busbanen te signaleren met verkeersborden bijzondere overrijdbare bedding, zodat de prioritaire voertuigen gebruik kunnen maken van deze infrastructuur.
Het aanvullend verkeersreglement voor de Gemeentestraat wordt aangepast zodat hulpdiensten toegelaten worden op de tram-busbaan.
Parkeerbalans: het toelaten van hulpdiensten op de tram-busbaan heeft geen invloed op het aantal parkeerplaatsen.
De districtsraad Antwerpen keurt eenparig het volgende besluit goed.
De districtsraad geeft gunstig advies over het volgend ontwerp van een aanvullend reglement met betrekking tot de politie van het wegverkeer voor de Gemeentestraat, in het district Antwerpen, ter vervanging van het aanvullend reglement, goedgekeurd in collegezitting van 7 maart 2014 (jaarnummer 2517):
Artikel 1: de bestuurders rijdend op de Gemeentestraat genieten voorrang op de bestuurders rijdend in alle daarop uitmondende openbare wegen.
De verkeersborden B9 worden aangebracht.
In alle zijstraten worden de verkeersborden B1 aangebracht.
In de Breydelstraat wordt het verkeersbord B5 aangebracht.
Artikel 2: de toegang wordt verboden, voor ieder bestuurder, uitgezonderd voor De Lijn, hulpdiensten, laden- en lossen, fietsers en bromfietsen klasse A.
Het verkeersbord C3 met onderbord "uitgezonderd De Lijn, hulpdiensten, laden en lossen, fietsers en bromfietsen klasse A" wordt aangebracht langs de even zijde:
- ter hoogte van de Anneessensstraat;
- ter hoogte van de Breydelstraat.
Het verkeersbord C3 met onderbord "uitgezonderd De Lijn en hulpdiensten" wordt aangebracht op de middenberm:
- ter hoogte van de Van Arteveldestraat;
- ter hoogte van de Van Wesenbekestraat
Artikel 3: de verplichting wordt opgelegd rechtuit of naar rechts te rijden aan het kruispunt met de Van Stralenstraat, voor het verkeer rijdend in de richting van de Franklin Rooseveltplaats.
Het verkeersbord D3 wordt aangebracht.
Artikel 4: een fietspad, uitgezonderd voor de bestuurders van tweewielige bromfietsen klasse B, wordt aangelegd langs beide zijden.
De verkeersborden D7 met onderbord en fietsmarkeringen in de dwarsstraten worden aangebracht.
Artikel 5: het parkeren wordt verboden langs de even zijde:
- van het nummer 2-4, over een afstand van 15 meter;
- van het nummer 10, over een afstand van 15 meter;
- vanaf het nummer 16, over een afstand van 15 meter;
- vanaf het nummer 26, over een afstand van 15 meter.
De verkeersborden E1 met onderbord worden aangebracht.
Artikel 6: de rijbaan wordt tussen de Franklin Rooseveltplaats en de Koningin Astridplein verdeeld in rijstroken.
Een stopstreep wordt gemarkeerd voor de verkeerslichten:
- aan het kruispunt met de Franklin Rooseveltplaats;
- aan het kruispunt met de Koningin Astridplein.
Artikel 7: een oversteekplaats voor voetgangers wordt gemarkeerd door witte banden, evenwijdig met de as van de rijbaan:
- ter hoogte van de Franklin Rooseveltplaats;
- langs de beide zijden van het kruispunt met de Van de Arteveldestraat;
- ter hoogte van de Koningin Astridplein.
Artikel 8: de plaatsen die eigen beddingen of bijzondere overrijdbare beddingen, voorbehouden aan voertuigen van geregelde diensten voor gemeenschappelijk vervoer, met elkaar verbinden, worden gemarkeerd door een dambord markering, aangeduid door witte vierkanten.