Terug

2015_CBS_00648 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - Kooij Antwerpen bvba, Vosseschijnstraat 192A, 2030 Antwerpen, Dossiernummer MV2014/477/AVG. - Goedkeuring

college van burgemeester en schepenen
vr 30/01/2015 - 09:00 Collegezaal, stadhuis
Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig

Bart De Wever, burgemeester; Koen Kennis, schepen; Philip Heylen, schepen; Ludo Van Campenhout, schepen; Claude Marinower, schepen; Marc Van Peel, schepen; Rob Van de Velde, schepen; Nabilla Ait Daoud, schepen; Fons Duchateau, schepen; Roel Verhaert, stadssecretaris

Afwezig

Serge Muyters, korpschef

Secretaris

Roel Verhaert, stadssecretaris

Voorzitter

Bart De Wever, burgemeester
2015_CBS_00648 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - Kooij Antwerpen bvba, Vosseschijnstraat 192A, 2030 Antwerpen, Dossiernummer MV2014/477/AVG. - Goedkeuring 2015_CBS_00648 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - Kooij Antwerpen bvba, Vosseschijnstraat 192A, 2030 Antwerpen, Dossiernummer MV2014/477/AVG. - Goedkeuring

Motivering

Regelgeving: bevoegdheid

Artikel 36,4° van Vlarem I bepaalt dat het college een uitspraak dient te doen over een milieuvergunningsaanvraag klasse 2.

Aanleiding en context

Aanvrager(s): Kooij Antwerpen bvba - Vosseschijnstraat 192A 2030 Antwerpen. De aanvraag omvat: nieuwe exploitatie van een bananenrijperij.

Argumentatie

Het college beslist op basis van het verslag van de dienst milieuvergunningen, dat als bijlage bij dit besluit is gevoegd.

Juridische grond

Het milieuvergunningendecreet van 28 juni 1985, meermaals gewijzigd, en haar uitvoeringsbesluiten (Vlarem I en II) bepalen dat niemand zonder vergunning of melding een hinderlijk inrichting mag exploiteren.

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college beslist een milieuvergunning klasse 2 goed te keuren aan Kooij Antwerpen bvba, Vosseschijnstraat 192 bus A, 2030 Antwerpen, om op de percelen gelegen op hetzelfde adres een bananenrijperij te exploiteren en lozingsnormen aan te vragen.

Artikel 2

Het college wijst erop dat de volgende algemene en sectorale milieuvoorwaarden van toepassing zijn:

Algemene milieuvoorwaarden:

algemene milieuvoorwaarden – algemeen

hoofdstuk 4.1, 4.7, 4.9 en bijlagen 4.1.9.1.6, 4.1.9.2.3.1, 4.1.9.2.3.2, 4.1.9.2.3.4 en 4.8

algemene milieuvoorwaarden – geluid

hoofdstuk 4.5 en bijlagen 2.2.1, 2.2.2, 4.5.1, 4.5.2, 4.5.3, 4.5.4, 4.5.5 en 4.5.6

algemene milieuvoorwaarden – oppervlaktewater

hoofdstuk 4.2 en bijlagen 4.2.5.1, 4.2.5.2 en 4.2.5.4

algemene milieuvoorwaarden – lucht

hoofdstuk 4.4 en bijlagen 4.4.1 tot 4.4.6. en hoofdstuk 4.10

algemene milieuvoorwaarden – licht

hoofdstuk 4.6

Sectorale milieuvoorwaarden:

bedrijfsafvalwaters

afdeling 5.3.2 + bijlage 5.3.2

elektriciteit

hoofdstuk 5.12

garages, parkeerplaatsen en herstellingswerkplaatsen voor motorvoertuigen

hoofdstuk 5.15

gassen – koelinrichtingen / compressoren

afdeling 5.16.3

gassen – opslagplaatsen in verplaatsbare recipiënten

afdeling 5.16.5. en bijlagen 5.16.1 en 5.16.2

opslag van gevaarlijke stoffen

afdeling 5.17.1 en bijlage 5.17.1

doorvoeropslagplaatsen in zeehavengebieden

hoofdstuk 5.48

Artikel 3

Het college beslist dat de exploitant de volgende bijzondere en brandweervoorwaarden dient na te leven:

Bijzondere milieuvoorwaarden:

  • voor de lozing van het bedrijfsafvalwater worden volgende lozingsnormen toegekend:
    • COD: 125 mg/l
    • N totaal: 10 mg/l
    • P totaal: 1 mg/l
  • om aan te tonen of de aangevraagde lozingsnormen kunnen gerespecteerd worden, dient het bedrijf een wateranalyse uit te voeren van de parameters BOC, COD, N totaal, P totaal en zwevende stoffen. Een analyseresultaat wordt binnen drie maanden na aflevering van de milieuvergunning overgemaakt aan het college, p/a dienst milieuvergunningen, Grote Markt 1, 2000 Antwerpen;
  • om te controleren of er in de rijpcellen geen koelmiddel gebruikt wordt dat onderhevig is aan de uitfasering, dient de exploitant een fiche van de koelinstallatie of verslag van een onderhoudsbeurt te bezorgen. Dit document wordt binnen drie maanden na aflevering van de milieuvergunning overgemaakt aan het college, p/a dienst milieuvergunningen, Grote Markt 1, 2000 Antwerpen;
  • conform Subafdeling 6.2.2.4. (VIarem II) moet de lozing van huishoudelijk afvalwater in het individueel te optimaliseren buitengebied gezuiverd worden door middel van een individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater, waarvan de capaciteit is afgestemd op het aangesloten inwonersequivalenten (I.E.). Aan deze verplichting kan eveneens worden voldaan door het huishoudelijk afvalwater op te vangen en af te voeren door een erkend afvalverwerker.

Brandweervoorwaarden:

Bovengrondse hydranten

Rondom de inrichting dienen, op onderlinge afstanden van circa 80 m, bovengrondse hydranten, van het type BH 100, volgens de norm NBN S 21.019 geplaatst te worden, welke mogen aangesloten worden, met een aansluiting van het directe type op een leiding van minimaal 150 mm hetzij op het net van de openbare waterleiding, hetzij in eigen beheer gevoed, waarbij tenminste gedurende 2 uren voldoende waterdebiet onder de vereiste druk kan geleverd worden.

De uitgeefkanten van 70 mm diameter dienen bijkomend met gepaste afsluitkranen te worden uitgerust.

De aansluiting op het voedingsnet dient zodanig te zijn dat het maximum debiet onmiddellijk beschikbaar is bij gebruik van de hydranten.

De kosten voor de installatie, het onderhoud en de signalering van de BH l00 is en blijft ten laste van de bouwheer/eigenaar en dit gedurende de levensduur van de inrichting.

Muurhaspels

Muurhaspels met axiale voeding (conform NBN EN 671-1) + muurhydrant (volgens de norm NBN 571 en voorzien van vaste koppelstukken doormeter 45 mm volgens Koninklijk Besluit van 30 januari 1975) met gemeenschappelijke watertoevoer met een binnendiameter van tenminste 70 mm dienen op oordeelkundig gekozen plaatsen opgesteld zodanig dat elk punt van de inrichting kan bespoten worden.

Hun aantal wordt zodanig bepaald dat de af te leggen afstand vanaf om het even welk punt tot het dichtst bijgelegen toestel niet meer bedraagt dan de lengte van de gebruikte haspels.

De haspels dienen gevoed met een leiding onder druk zodanig dat het debiet bij de minst bedeelde haspel gelijk is aan of groter dan 24 liter per minuut.

De leidingen voor bluswater dienen vervaardigd in staal of in een metaal dat minstens dezelfde waarborgen biedt.

De geplaatste muurhaspels dienen voorzien van een vergrendeling derwijze dat men het afsluitmondstuk niet kan verwijderen zonder het openen van een handbediende afsluiter op de watertoevoer.

Snelblustoestellen

Snelblustoestellen van minstens één bluseenheid conform NBN EN 3-7 - bij voorkeur 6 kg poeder type ABC - dienen aangebracht op volgende plaatsen:

  • veiligheidskast opslag ontvlambare producten
  • opslagplaats gassen
  • lasposten
  • nabij de muurhaspels 
  • in en uitgangen
  • langsheen centrale doorgangen

Verder dient men de overige snelblustoestellen van minstens één bluseenheid conform NBN EN 3-7 - bij voorkeur 6 kg poeder type ABC - doelmatig te verdelen over de inrichting tot men in totaal over 1 toestel per 150 m² beschikt.

Er mogen nochtans gedeeltelijk mobiele bluseenheden of snelblustoestellen van een ander type aangewend worden op de plaatsen waar zij meer aangewezen zijn, voor zover de aangebrachte blusmiddelen minstens eenzelfde bluseenheid conform NBN EN 3-7 bezitten en evenwaardig zijn aan de bovenvermelde.

Een snelblustoestel van 5 kg CO2 – ½ bluseenheid conform NBN EN 3-7 - dient bijkomend aangebracht nabij:

  • de hoogspanningscabine /transformator;
  • elk belangrijk elektriciteitsbord;
  • laadposten heftrucks;
  • bij elke compressor of groep compressors

Veiligheidsverlichting

De inrichting moet voorzien worden van veiligheidsverlichting, die onmiddellijk en automatisch in dienst treedt bij het uitvallen van de stroom.

Minimaal dienen armaturen aangebracht te worden boven elke uitgangsdeur, in alle evacuatiewegen (gangen en trappen), in de nabijheid van de brandbestrijdingsmiddelen en in alle lokalen die uitsluitend door kunstlicht bediend worden.

De veiligheidsverlichting dient verder uitgebreid te worden zodanig dat de plaatsing en de verlichtingssterkte voldoende is om een gemakkelijke ontruiming te waarborgen.

De veiligheidsverlichting moet tenminste gedurende 1 uur zonder onderbreking kunnen functioneren.

Melding brand en alarm

In het gebouw dienen maatregelen genomen om melding van brand en alarm door te geven.

Divers

De opslagruimte voor AZETHYL dient over een permanente verluchting te beschikken dit in het kader van het verstikkingsgevaar bij mogelijke lekken zie MSDS fiche.

De opslag gevaarlijke producten dient te gescheiden in een veiligheidskast welke minimaal REI 60 garandeert.

Artikel 4

Het college beslist dat de milieuvergunning ingaat op 30 januari 2015 en eindigt op 30 januari 2035.

Artikel 5

Dit besluit heeft in principe geen financiƫle gevolgen voor de stad of het OCMW.