De gemeenteraad keurde op 20 oktober 2014 (jaarnummer 824) het belastingreglement op de horeca voor de aanslagjaren 2015 tot en met 2019 goed.
Naar aanleiding van de opmerkingen die de provincie telefonisch gaf op 26 november 2014 dienen enkele technische aanpassingen te worden doorgevoerd.
Na afstemming met de provincie werd overeengekomen een aantal verduidelijkingen en technische aanpassingen aan het reglement aan te brengen.
In het belastingreglement is er voor gekozen om twee verschillende categorieën horecagelegenheden op te nemen nl. de tijdelijke en de andere (‘vaste’). Beide categorieën horecagelegenheden zijn afzonderlijk gedefinieerd op basis van hun eigen aard en doel en zijn onderhevig aan een verschillende berekeningsbasis. Voor tijdelijke horecagelegenheden is een deelbare belasting voorzien, op basis van het aantal maanden uitbating. Voor vaste horecagelegenheden heeft de stad gekozen voor een ondeelbare belasting, waarbij belast wordt op basis van de toestand op 1 januari van het aanslagjaar, net zoals in het belastingreglement op de vestigingen. De facto betekent dit dat er een vrijstelling is voor horecazaken die starten in de loop van het jaar. Aangezien er van vaste horecagelegenheden wordt verwacht dat deze een grote opstartfase/investeringsfase hebben en een langzame opbouw van cliënteel, in tegenstelling tot tijdelijke horecagelegenheden, die zich net richten op het tijdelijke, is dit onderscheid proportioneel. Indien de exploitatie van een tijdelijke horecagelegenheid langer dan 12 maanden duurt, valt deze uitbating niet onder de belasting op tijdelijke horecagelegenheden, maar wordt deze beschouwd als een vaste horecagelegenheid. Het belastingreglement wordt op dit punt niet aangepast.
In artikel 1.5, punt A en in artikel 2.5, punt A is een vrijstelling met betrekking tot het terrasgedeelte voorzien, respectievelijk voor gewone horecagelegenheden en tijdelijke horecagelegenheden. Aangezien er in de eerste zin staat dat de gehele of gedeeltelijke vrijstelling kan verleend worden, kan ongewild de indruk ontstaan dat de vrijstelling willekeurig wordt toegepast. Uiteraard wordt de vrijstelling toegepast van zodra aan de in deze artikelen opgenomen voorwaarden is voldaan. Om dit te verduidelijken worden beide artikelen aangepast waarbij ‘kan’ vervangen wordt door ‘wordt’.
De formulering van deze vrijstelling bij de tijdelijke horecagelegenheden is dezelfde als deze bij de gewone horecagelegeheden. Rekening houdend met de berekeningsbasis van de tijdelijke horecagelegenheden is deze formulering technisch niet correct en dient dan ook te worden aangepast. Op deze manier is duidelijk dat het aantal maanden vrijstelling wordt berekend in verhouding met het aantal maanden uitbating en niet op basis van twaalfden, omdat de tijdelijke uitbating meestal geen 12 maanden duurt. Dit wordt rechtgezet in artikel 2.5, punt A.
In artikel 1.5, punt B.2.a. en in artikel 2.5, punt B.1.a. is een vermindering met betrekking tot de gepensioneerde zelfstandige uitbater voorzien, respectievelijk voor gewone horecagelegenheden en tijdelijke horecagelegenheden. In de argumentatie van het gemeenteraadbesluit van 20 oktober 2014 (jaarnummer 824) wordt deze vrijstelling gemotiveerd, nl. “omdat deze wettelijk slechts een beperkt inkomen mag hebben”. De voorwaarde met betrekking tot het beperkt wettelijk inkomen wordt uitdrukkelijk opgenomen in het reglement zelf.
Het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen en latere wijzigingen.
De omzendbrief BB 2011/01 van 10 juni 2011 betreffende de coördinatie van de onderrichtingen over de gemeentefiscaliteit.
Het college legt het belastingreglement op de horeca voor de aanslagjaren 2015 tot en met 2019 ter goedkeuring voor aan de gemeenteraad.
De financieel beheerder regelt de financiële aspecten als volgt:
| Omschrijving | Bedrag | Boekingsadres | Bestelbon |
| Belasting op de horeca | 2.748.318,43 EUR |
budgetplaats: 5173000000 |
n.v.t. |