Terug

2014_CBS_09413 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - Associated Terminal Operators (ATO) nv, Zandvoort 2, 2030 Antwerpen. Dossiernummer AN2014/349/AVG - Goedkeuring

college van burgemeester en schepenen
vr 19/09/2014 - 09:00 Collegezaal, stadhuis
Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig

Bart De Wever, burgemeester; Koen Kennis, schepen; Philip Heylen, schepen; Ludo Van Campenhout, schepen; Claude Marinower, schepen; Marc Van Peel, schepen; Rob Van de Velde, schepen; Nabilla Ait Daoud, schepen; Fons Duchateau, schepen; Roel Verhaert, stadssecretaris

Afwezig

Serge Muyters, korpschef

Secretaris

Roel Verhaert, stadssecretaris

Voorzitter

Bart De Wever, burgemeester
2014_CBS_09413 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - Associated Terminal Operators (ATO) nv, Zandvoort 2, 2030 Antwerpen. Dossiernummer AN2014/349/AVG - Goedkeuring 2014_CBS_09413 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - Associated Terminal Operators (ATO) nv, Zandvoort 2, 2030 Antwerpen. Dossiernummer AN2014/349/AVG - Goedkeuring

Motivering

Gekoppelde besluiten

Regelgeving: bevoegdheid

Artikel 36,4° van Vlarem I bepaalt dat het college een uitspraak dient te doen over een milieuvergunningsaanvraag klasse 2.

Aanleiding en context

Aanvrager(s): Associated Terminal Operators (ATO) nv - Zandvoort 2 - 2030 Antwerpen. De aanvraag omvat: uitbreiding, wijziging en toevoeging van een inrichting voor de overslag, herstelling en reiniging van containers.

Argumentatie

Het college beslist op basis van het verslag van de dienst milieuvergunningen, dat als bijlage bij dit besluit is gevoegd.

Juridische grond

Het milieuvergunningendecreet van 28 juni 1985, meermaals gewijzigd, en haar uitvoeringsbesluiten (Vlarem I en II) bepalen dat niemand zonder vergunning of melding een hinderlijk inrichting mag exploiteren.

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college beslist een milieuvergunning klasse 2 goed te keuren aan Associated Terminal Operators nv (ATO), Zandvoort 2, 2030 Antwerpen, om op hetzelfde adres een inrichting voor de overslag, herstelling en reiniging van containers uit te breiden, te wijzigen en een kadastraal perceel toe te voegen.

Artikel 2

Het college wijst erop dat de volgende algemene en sectorale milieuvoorwaarden van toepassing zijn:

Algemene milieuvoorwaarden:

algemene milieuvoorwaarden – algemeen

hoofdstuk 4.1, 4.7, 4.9 en bijlagen   4.1.9.1.6, 4.1.9.2.3.1, 4.1.9.2.3.2, 4.1.9.2.3.4 en 4.8;

algemene milieuvoorwaarden – geluid

hoofdstuk 4.5 en bijlagen 2.2.1, 2.2.2,   4.5.1, 4.5.2, 4.5.3, 4.5.4, 4.5.5 en 4.5.6;

algemene milieuvoorwaarden   – oppervlaktewater

hoofdstuk 4.2 en bijlagen   4.2.5.1, 4.2.5.2 en 4.2.5.4;

algemene milieuvoorwaarden – lucht

hoofdstuk 4.4 en bijlagen 4.4.1 tot   4.4.6. en hoofdstuk 4.10;

algemene milieuvoorwaarden – licht

hoofdstuk 4.6.

Sectorale milieuvoorwaarden:

bedrijfsafvalwaters  

afdeling 5.3.2 en   bijlage 5.3.2 (sector 59.);

elektriciteit

hoofdstuk 5.12

garages,   parkeerplaatsen en herstellingswerkplaatsen voor motorvoertuigen

hoofdstuk 5.15;

gassen –   gemeenschappelijke bepalingen

afdeling 5.16.1   en bijlage 5.16.5;

gassen –   opslagplaatsen in verplaatsbare recipiënten

afdeling 5.16.5.   en bijlagen 5.16.1 en 5.16.2;

opslag van   gevaarlijke stoffen / ondergrondse en bovengrondse houders

afdeling 5.17.1,   en bijlage 5.17.1;

opslag van   gevaarlijke stoffen / ondergrondse en bovengrondse houders

afdeling 5.17.1,   en bijlage 5.17.1;

opslag van   gevaarlijke stoffen: bovengrondse houders

afdeling 5.17.3   en bijlagen 5.17.2 tot 5.17.4 en bijlage 5.17.7.

Artikel 3

Het college beslist dat de exploitant de volgende bijzondere en brandweervoorwaarden dient na te leven:

Bijzondere milieuvoorwaarden:

  • de bijzondere milieuvoorwaarden opgelegd in besluit AN2007/182/PV de dato 29 juni 2007 met betrekking tot de wasplaats voor containers gelden tevens voor de nieuwe wasplaats;
  • zes maanden na aflevering van de milieuvergunning dient een studie overgemaakt te worden aan de dienst milieuvergunningen waarbij de haalbaarheid van hergebruik van hemelwater wordt beoordeeld. Deze studie bevat tevens een actieplan van de maatregelen inzake het niet verontreinigd-hemelwater die op korte termijn haalbaar worden geacht.

Brandweervoorwaarden:

Snelblustoestellen

Er dienen minstens twee snelblustoestellen van minstens één blus eenheid conform NBN EN 3-7 – bij voorkeur 6 kg poeder type ABC – gelijkmatig verdeeld over de inrichting, te worden aangebracht. Snelblustoestellen van minstens één bluseenheid conform NBN EN 3-7 – bij voorkeur 6 kg poeder type ABC – dienen aangebracht bij elk punt of lokaal met verhoogd risico, zoals ondermeer pompen, compressoren, lasposten, belangrijke elektriciteitsborden, enzovoort. In de inrichting dienen minstens twee toestellen aanwezig te zijn.

Een snelblustoestel van 5 kg CO2 – ½ bluseenheid conform NBN EN 3-7 – dient aangebracht nabij de toegang tot de hoogspanningscabine.

Muurhaspels

Muurhaspels met axiale voeding (conform NBN EN 671-1) aangesloten via een aangepaste leiding op de openbare waterbedeling of ander gelijkwaardig voedingssysteem, dienen op oordeelkundig gekozen plaatsen opgesteld zodanig dat elk punt van de inrichting kan bespoten worden.

Hun aantal wordt zodanig bepaald dat de af te leggen afstand vanaf om het even welk punt tot het dichtst bijgelegen toestel niet meer bedraagt dan de lengte van de gebruikte haspels.

De haspels dienen gevoed met een leiding onder druk zodanig dat het debiet bij de minst bedeelde haspel gelijk is aan of groter dan 24 liter per minuut.

De leidingen voor bluswater dienen vervaardigd in staal of in een metaal dat minstens dezelfde waarborgen biedt.

De geplaatste muurhaspels dienen voorzien van een vergrendeling derwijze dat men het afsluitmondstuk niet kan verwijderen zonder het openen van een handbediende afsluiter op de watertoevoer. De waterlevering moet te allen tijde, ook tijdens vorstperiode, gewaarborgd zijn.

Bovengrondse hydrant

Minstens één bovengrondse hydrant BH 100, conform NBN S 21.019, maar met afsluiters op beide uitgeefkanten van 70 mm diameter dient voorzien.

De voeding gebeurt rechtstreeks op het net van de openbare waterbedeling, door een leiding waarvan de minimale binnendiameter 150 mm bedraagt.

De aansluiting op het voedingsnet dient zodanig te zijn dat het maximum debiet onmiddellijk beschikbaar is bij gebruik van de hydrant.

Artikel 4

Het college beslist dat de milieuvergunning ingaat op 19 september 2014 en eindigt op 29 juni 2027, de eindtermijn van de lopende vergunning.

Artikel 5

Het college wijst erop dat alle opgelegde voorwaarden uit de lopende vergunning met als kenmerk AN2007/182/PV onverminderd van kracht blijven.

Artikel 6

Dit besluit heeft in principe geen financiƫle gevolgen voor de stad of het OCMW.