Eerst en vooral wens ik in naam van de Antwerpse moslimgemeenschap mijn medeleven te betuigen aan de slachtoffers van de waanzinnige moordpartijen in Parijs en elders. Deze moordpartijen zijn uitgevoerd onder het mom van het verdedigen van de eer van de profeet Mohammed. De islamitische geschiedenis en overleveringen tonen duidelijk aan dat de Islam een religie is van vergevingsgezindheid en barmhartigheid. De zogenaamde ‘eerwraak’ van de profeet Mohammed is in principe onbestaand binnen de historische islamitische traditie. Sowieso worden alle vormen van wraak binnen de islam niet getolereerd, laat staan aangemoedigd.
Het is de evidentie zelve dat geen enkele moslim kan aanvaarden dat eender welke religie of levensbeschouwing wordt bespot of dat gemeenschappen tegen elkaar worden opgezet. Ook andere religies en levensbeschouwingen worstelen hiermee. Dit is zeker niet louter inherent aan de moslimgemeenschap. Maar, dit kan en mag geen vrijgeleide zijn om gruweldaden te plegen zoals in Parijs, Syrië of elders in de wereld. Ik wens dan ook met de sterkst mogelijke bewoordingen het gewelddadige extremisme in naam van de islam te veroordelen.
Het gegeven dat de eer van een profeet zou afhangen van een cartoon die al dan niet ergens zou verschijnen is ongetwijfeld zwakzinnig en zelfs krankzinnig. Er lopen nu eenmaal gekken rond in deze wereld, ze zijn er trouwens altijd geweest. De vraag die rijst is hoe dat wij dit probleem gaan beheersen. Radicalisme van eender welke aard zit tussen de oren en is bijzonder moeilijk te bestrijden. Niets doen is geen optie. Op een hysterische en buiten proportionele manier reageren ook niet.
Een essentieel onderdeel van een plan van aanpak moet een intense betrokkenheid van de moslimgemeenschap inhouden. Daar waar onze rechtsstaat beperkt is tot het sanctioneren, kan het middenveld en de hulpverlening vanuit de moslimgemeenschap een hefboom vormen voor ‘deradicalisering’ waarbij kwetsbare en geradicaliseerde jongeren worden bijgestaan om zich te onttrekken van extremistische milieus.
Mijns inziens kan het District Antwerpen een belangrijke ondersteunende rol vervullen in dit verhaal. Door middel van (bijkomende) financiële ondersteuning van organisaties in het veld kunnen heel wat dringende noden geledigd worden. Ik ben mij bewust van het feit dat het District Antwerpen over beperkte bevoegdheden en middelen beschikt. Niettemin, lijkt het mij hier aangeraden om minstens te bekijken wat de mogelijkheden zijn met o.a. een aantal jeugdwelzijnswerkingen waarmee het District Antwerpen reeds samenwerkt.
Mijn vragen aan het schepencollege zijn:
Heeft het districtsbestuur weet van een concreet uitgewerkt plan door hogere overheden om radicalisering in te dijken? Zoja, wordt het districtsbestuur hierin betrokken en kan ze haar rol binnen deze stedelijke of bovenlokale context toelichten?