Terug

2014_CBS_10233 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 3 bijzondere voorwaarden - Lifting Gear Hire bvba, Belcrownlaan 3/2, 2100 Deurne-Antwerpen. Dossiernummer MV2014/489/PV - Kennisneming

college van burgemeester en schepenen
vr 10/10/2014 - 09:00 Collegezaal, stadhuis
Kennis genomen

Samenstelling

Aanwezig

Bart De Wever, burgemeester; Koen Kennis, schepen; Ludo Van Campenhout, schepen; Claude Marinower, schepen; Marc Van Peel, schepen; Rob Van de Velde, schepen; Nabilla Ait Daoud, schepen; Fons Duchateau, schepen; Roel Verhaert, stadssecretaris

Afwezig

Philip Heylen, schepen; Serge Muyters, korpschef

Secretaris

Roel Verhaert, stadssecretaris

Voorzitter

Bart De Wever, burgemeester
2014_CBS_10233 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 3 bijzondere voorwaarden - Lifting Gear Hire bvba, Belcrownlaan 3/2, 2100 Deurne-Antwerpen. Dossiernummer MV2014/489/PV - Kennisneming 2014_CBS_10233 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 3 bijzondere voorwaarden - Lifting Gear Hire bvba, Belcrownlaan 3/2, 2100 Deurne-Antwerpen. Dossiernummer MV2014/489/PV - Kennisneming

Motivering

Regelgeving: bevoegdheid

Artikel 4 § 1 van Vlarem I bepaalt dat het college akte moet nemen van meldingen van klasse 3-inrichtingen.

Aanleiding en context

Meldingen van klasse 3-inrichtingen worden conform de wetgeving aan het college bekendgemaakt. De melding opgenomen als bijlage werd op de afdeling milieuvergunningen binnengebracht en geregistreerd.

Argumentatie

De volgende melding van klasse 3-inrichting(en) werd volledig en ontvankelijk bevonden zodat van deze melding akte kan worden genomen zoals voorzien in de Vlarem-procedure.

Juridische grond

Het milieuvergunningendecreet van 28 juni 1985, meermaals gewijzigd, en haar uitvoeringsbesluiten (Vlarem I en II) bepalen dat niemand zonder voorafgaande en schriftelijke vergunning of melding een als hinderlijk ingedeelde inrichting klasse 1, 2 of 3 mag exploiteren of veranderen.
Artikel 4 § 2 van het milieuvergunningendecreet bepaalt dat niemand zonder daarvan vooraf melding te hebben gemaakt, een inrichting die tot de klasse 3 behoort, mag exploiteren of veranderen.
Artikel 20 van het milieuvergunningendecreet en artikel 3.3.0.2 van Vlarem II bepalen dat aan inrichtingen van klasse 3 bijzondere vergunningswaarden kunnen worden opgelegd.

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college neemt akte van de klasse 3-inrichting zoals vermeld in het verslag van de dienst milieuvergunningen dat werd opgenomen als bijlage.

Artikel 2

Het college wijst erop dat volgende algemene en sectorale voorwaarden van toepassing zijn:

algemene milieuvoorwaarden – algemeen

hoofdstuk 4.1, 4.7, 4.9 en bijlagen 4.1.9.1.6, 4.1.9.2.3.1, 4.1.9.2.3.2, 4.1.9.2.3.4 en 4.8;

algemene milieuvoorwaarden – geluid

hoofdstuk 4.5 en bijlagen 2.2.1, 2.2.2, 4.5.1, 4.5.2, 4.5.3, 4.5.4, 4.5.5 en 4.5.6;

algemene milieuvoorwaarden – lucht

hoofdstuk 4.4 en bijlagen 4.4.1 tot 4.4.6. en hoofdstuk 4.10;

gassen – gemeenschappelijke bepalingen

afdeling 5.16.1 en bijlage 5.16.5;

opslag van gevaarlijke stoffen / ondergrondse en bovengrondse houders

afdeling 5.17.1 en bijlage 5.17.1;

opslag van gevaarlijke stoffen: bovengrondse houders

afdeling 5.17.3 en bijlagen 5.17.2 tot 5.17.4 en bijlage 5.17.7;

metalen

hoofdstuk 5.29.

Artikel 3

Het college beslist dat de exploitant de volgende bijzondere voorwaarden en brandweervoorwaarden dient na te leven:

1. Bijzondere voorwaarden:

- de gastoevoer naar het verwarmingstoestel boven de spuitinstallatie wordt afgekoppeld zodat het gebruik ervan niet mogelijk is. Een alternatief dat minimaal dezelfde garanties geeft, is eveneens toegestaan;

- voor de afzuigwand wordt een halfopen spuitcabine ingericht waarin alle spuitwerkzaamheden uitgevoerd kunnen worden. Deze dient geplaatst te worden uiterlijk 3 maanden na vergunningverlening.

2. Brandweervoorwaarden:

Onafhankelijk van de verplichtingen aan de houder van de milieuvergunning opgelegd via de vigerende milieureglementering alsmede via het milieuvergunningsbesluit, en onverminderd de maatregelen ter voorkoming en bestrijding van brand, door de houder van de milieuvergunning te treffen in uitvoering van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden, dient de houder van de milieuvergunning reeds te voorzien in de hiernavermelde blusmiddelen voor eerste tussenkomst:

Er dienen minstens twee snelblustoestellen van minstens één bluseenheid conform NBN EN 3-7 - bij voorkeur 6 kg poeder type ABC - gelijkmatig verdeeld over de inrichting, te worden aangebracht.

Artikel 4

Dit besluit heeft in principe geen financiƫle gevolgen voor de stad of het OCMW.