Terug

2014_CBS_10969 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - Transport Th. Wouters nv, Klein Zuidland 4, haven 380, 2030 Antwerpen. Dossiernummer MV2014/457/AVG - Goedkeuring

college van burgemeester en schepenen
vr 31/10/2014 - 09:00 Digitaal
Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig

Bart De Wever, burgemeester; Koen Kennis, schepen; Philip Heylen, schepen; Ludo Van Campenhout, schepen; Claude Marinower, schepen; Marc Van Peel, schepen; Nabilla Ait Daoud, schepen; Fons Duchateau, schepen; Sven Cauwelier, waarnemend stadssecretaris

Afwezig

Rob Van de Velde, schepen; Serge Muyters, korpschef; Roel Verhaert, stadssecretaris

Secretaris

Sven Cauwelier, waarnemend stadssecretaris

Voorzitter

Bart De Wever, burgemeester
2014_CBS_10969 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - Transport Th. Wouters nv, Klein Zuidland 4, haven 380, 2030 Antwerpen. Dossiernummer MV2014/457/AVG - Goedkeuring 2014_CBS_10969 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - Transport Th. Wouters nv, Klein Zuidland 4, haven 380, 2030 Antwerpen. Dossiernummer MV2014/457/AVG - Goedkeuring

Motivering

Gekoppelde besluiten

Regelgeving: bevoegdheid

Artikel 36,4° van Vlarem I bepaalt dat het college een uitspraak dient te doen over een milieuvergunningsaanvraag klasse 2.

Aanleiding en context

Aanvrager(s): Transport Th. Wouters - Klein Zuidland 4, haven 380, 2030 Antwerpen. De aanvraag omvat: exploitatie van een transportbedrijf.

Argumentatie

Het college beslist op basis van het verslag van de dienst milieuvergunningen, dat als bijlage bij dit besluit is gevoegd.

Juridische grond

Het milieuvergunningendecreet van 28 juni 1985, meermaals gewijzigd, en haar uitvoeringsbesluiten (Vlarem I en II) bepalen dat niemand zonder vergunning of melding een hinderlijk inrichting mag exploiteren.

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college beslist een milieuvergunning klasse 2 goed te keuren aan Transport Th. Wouters nv, Klein Zuidland 4, haven 380, 2030 Antwerpen, om op de percelen gelegen op hetzelfde adres, een transportbedrijf te exploiteren.

Artikel 2

Het college wijst erop dat de volgende algemene en sectorale milieuvoorwaarden van toepassing zijn:

Algemene milieuvoorwaarden:

algemene milieuvoorwaarden – hoofdstuk 4.1, 4.7, 4.9 en bijlagen   4.1.9.1.6, 4.1.9.2.3.1, 4.1.9.2.3.2, 4.1.9.2.3.4 en 4.8;

algemene milieuvoorwaarden, geluid – hoofdstuk 4.5 en bijlagen   2.2.1, 2.2.2, 4.5.1, 4.5.2,4.5.3, 4.5.4, 4.5.5 en 4.5.6;

algemene milieuvoorwaarden, oppervlaktewater – hoofdstuk 4.2. en   bijlagen 4.2.5.1, 4.2.5.2 en 4.2.5.4;

algemene milieuvoorwaarden, licht – hoofdstuk 4.6.

Sectorale milieuvoorwaarden:

bedrijfsafvalwaters – afdeling 5.3.2 en bijlage 5.3.2, sector 52;

elektriciteit – hoofdstuk 5.12;

garages, parkeerplaatsen en herstellingswerkplaatsen voor   motorvoertuigen – hoofdstuk 5.15;

gassen – gemeenschappelijke bepalingen – afdeling 5.16.1 en bijlage   5.16.5;

gassen – installaties voor het fysisch behandelen van gassen onder   andere koelinstallaties, compressoren – afdeling 5.16.3;

gassen – opslagplaatsen in verplaatsbare recipiënten – afdeling 5.16.5   en bijlage 5.16.1, bijlage 5.16.2

opslag van gevaarlijke producten – algemene bepalingen – afdeling   5.17.1 en bijlage 5.17.1;

opslag van gevaarlijke producten – opslag van gevaarlijke vloeistoffen   in ondergrondse houders – afdeling 5.17.2 en bijlagen 5.17.2, 5.17.3, 5.17.4,   5.17.5, 5.17.6 en 5.17.7;

opslag van gevaarlijke producten – opslag van gevaarlijke vloeistoffen   in bovengrondse houders – afdeling 5.17.3 en bijlage 5.17.2, bijlage 5.17.3,   5.17.4,5.17.7;

beheersing van de uitstoot van vluchtige organische stoffen (VOS) bij   de opslag en verlading van gevaarlijke vloeistoffen – afdeling 5.17.4 en   bijlagen 5.17.9, 5.17.10 en 5.17.11 en 5.17.12;

doorvoeropslagplaatsen in zeehavengebieden – hoofdstuk 5.48.

Artikel 3

Het college beslist dat de exploitant de volgende bijzondere en brandweervoorwaarden dient na te leven:

Bijzondere milieuvoorwaarden:

  • het lozen van huishoudelijk afvalwater in oppervlaktewater is enkel toegestaan mits het plaatsen van een goed gedimensioneerde individuele waterbehandelingsinstallatie (IBA). Het huishoudelijk afvalwater kan ook worden opgevangen en afgevoerd door een erkende afvalverwerker. Een bewijs van plaatsing van een IBA of van opvang en afhaling wordt binnen 6 maanden na aflevering van de milieuvergunning overgemaakt aan het college, p/a dienst milieuvergunningen, Grote Markt 1, 2000 Antwerpen;
  • de aanwezige KWS-afscheider moet voorzien worden van een coalescentiefilter. Een bewijs van plaatsing wordt binnen zes maanden na aflevering van de milieuvergunning overgemaakt aan het college, p/a dienst milieuvergunningen, Grote Markt 1, 2000 Antwerpen.

Brandweervoorwaarden:

Snelblustoestellen

Er dienen minstens twee snelblustoestellen van minstens één bluseenheid conform NBN EN 3-7 – bij voorkeur 6 kg poeder type ABC - gelijkmatig verdeeld over de inrichting, te worden aangebracht. Snelblustoestellen van minstens één bluseenheid conform NBN EN 3-7 - bij voorkeur 6 kg poeder type ABC - dienen goed verdeeld aangebracht à rato van 1 toestel per 150 m² (binnenruimte). Voor brandcompartimenten kleiner dan 300 m² dienen er in elk geval minstens twee toestellen aanwezig te zijn.

Er mogen nochtans gedeeltelijk mobiele bluseenheden of snelblustoestellen van een ander type aangewend worden op de plaatsen waar zij meer aangewezen zijn, voor zover de aangebrachte blusmiddelen minstens eenzelfde bluseenheid conform NBN EN 3-7 bezitten en evenwaardig zijn aan de bovenvermelde.

Snelblustoestellen van minstens één bluseenheid conform NBN EN 3-7 – bij voorkeur 6 kg poeder type ABC – dienen aangebracht bij elk punt of lokaal met verhoogd risico, zoals ondermeer pompen, compressoren, lasposten, belangrijke elektriciteitsborden, enzovoort.

In de inrichting dienen minstens twee toestellen aanwezig te zijn.

Een snelblustoestel van 5 kg CO2 – ½ bluseenheid conform NBN EN 3-7 - dient aangebracht nabij de toegang tot de hoogspanningscabine.

Muurhaspels

Muurhaspels met axiale voeding (conform NBN EN 671-1) aangesloten via een aangepaste leiding op de openbare waterbedeling of ander gelijkwaardig voedingssysteem, dienen op oordeelkundig gekozen plaatsen opgesteld zodanig dat elk punt van de inrichting kan bespoten worden.

Hun aantal wordt zodanig bepaald dat de af te leggen afstand vanaf om het even welk punt tot het dichtst bijgelegen toestel niet meer bedraagt dan de lengte van de gebruikte haspels.

De haspels dienen gevoed met een leiding onder druk zodanig dat het debiet bij de minst bedeelde haspel gelijk is aan of groter dan 24 liter per minuut.

De leidingen voor bluswater dienen vervaardigd in staal of in een metaal dat minstens dezelfde waarborgen biedt.

De geplaatste muurhaspels dienen voorzien van een vergrendeling derwijze dat men het afsluitmondstuk niet kan verwijderen zonder het openen van een handbediende afsluiter op de watertoevoer. De waterlevering moet te allen tijde, ook tijdens vorstperiode, gewaarborgd zijn.

Bovengrondse hydrant

Eén bovengrondse hydrant BH 100, conform NBN S 21.019, maar met afsluiters op beide uitgeefkanten van 70 mm diameter dient voorzien.

De voeding gebeurt rechtstreeks op het net van de openbare waterbedeling, door een leiding waarvan de minimale binnendiameter 150 mm bedraagt.

De aansluiting op het voedingsnet dient zodanig te zijn dat het maximum debiet onmiddellijk beschikbaar is bij gebruik van de hydrant.

Artikel 4

Het college beslist dat de milieuvergunning ingaat op 31 oktober 2014 en eindigt op 31 oktober 2034.

Artikel 5

Dit besluit heeft in principe geen financiƫle gevolgen voor de stad of het OCMW.