Terug

2014_CBS_07289 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - CWT Commodities nv, Kruisweg zonder nummer (zn), haven 650, 2040 Antwerpen. Dossiernummer AN/2014/235/AVG - Goedkeuring

college van burgemeester en schepenen
vr 18/07/2014 - 09:00 Collegezaal, stadhuis
Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig

Bart De Wever, burgemeester; Koen Kennis, schepen; Philip Heylen, schepen; Ludo Van Campenhout, schepen; Claude Marinower, schepen; Marc Van Peel, schepen; Rob Van de Velde, schepen; Nabilla Ait Daoud, schepen; Roel Verhaert, stadssecretaris

Afwezig

Liesbeth Homans, schepen; Serge Muyters, korpschef

Secretaris

Roel Verhaert, stadssecretaris

Voorzitter

Bart De Wever, burgemeester
2014_CBS_07289 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - CWT Commodities nv, Kruisweg zonder nummer (zn), haven 650, 2040 Antwerpen. Dossiernummer AN/2014/235/AVG - Goedkeuring 2014_CBS_07289 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - CWT Commodities nv, Kruisweg zonder nummer (zn), haven 650, 2040 Antwerpen. Dossiernummer AN/2014/235/AVG - Goedkeuring

Motivering

Gekoppelde besluiten

Regelgeving: bevoegdheid

Artikel 36,4° van Vlarem I bepaalt dat het college een uitspraak dient te doen over een milieuvergunningsaanvraag klasse 2.

Aanleiding en context

Aanvrager: CWT Commodities nv, Kruisweg zn, haven 650, 2040 Antwerpen. De aanvraag omvat het hernieuwen, uitbreiden en wijzigen van een inrichting voor de op- en overslag van niet IMDG-goederen.

Argumentatie

Het college beslist op basis van het verslag van de dienst milieuvergunningen, dat als bijlage bij dit besluit is gevoegd.

Juridische grond

Het milieuvergunningendecreet van 28 juni 1985, meermaals gewijzigd, en haar uitvoeringsbesluiten (Vlarem I en II) bepalen dat niemand zonder vergunning of melding een hinderlijke inrichting mag exploiteren.

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college beslist een milieuvergunning klasse 2 goed te keuren aan CWT Commodities nv, Kruisweg zonder nummer (zn), haven 650, 2040 Antwerpen, om op hetzelfde adres de vergunning voor een inrichting voor de op- en overslag van niet IMDG-goederen te hernieuwen na uitbreiding en wijziging.

Artikel 2

Het college wijst erop dat de volgende algemene en sectorale milieuvoorwaarden van toepassing zijn:

Algemene milieuvoorwaarden:

algemene milieuvoorwaarden –   hoofdstuk 4.1, 4.7, 4.9 en bijlagen 4.1.9.1.6, 4.1.9.2.3.1, 4.1.9.2.3.2,   4.1.9.2.3.4 en 4.8;

algemene milieuvoorwaarden, geluid –   hoofdstuk 4.5 en bijlagen 2.2.1, 2.2.2, 4.5.1, 4.5.2,4.5.3, 4.5.4, 4.5.5   en 4.5.6;

algemene milieuvoorwaarden, oppervlaktewater   – hoofdstuk 4.2. en bijlagen 4.2.5.1, 4.2.5.2 en 4.2.5.4;

algemene milieuvoorwaarden, lucht –   hoofdstuk 4.4 en bijlagen 4.4.1 tot 4.4.6 en hoofdstuk 4.10;

algemene milieuvoorwaarden, licht –   hoofdstuk 4.6.

Sectorale milieuvoorwaarden:

elektriciteit – hoofdstuk 5.12;

parkeerplaatsen voor motorvoertuigen –   hoofdstuk 5.15;

gassen – gemeenschappelijke bepalingen –   hoofdstuk 5.16.1 en bijlage 5.16.5;

gassen – koelinrichtingen / compressoren –   hoofdstuk 5.16.3;

opslag van gevaarlijke stoffen /   ondergrondse en bovengrondse houders – hoofdstuk 5.17.1 en bijlage 5.17.1;

opslag van gevaarlijke stoffen: ondergrondse   houders – hoofdstuk 5.17.2 en bijlagen 5.17.2 tot 5.17.7;

opslag van gevaarlijke stoffen: bovengrondse   houders – hoofdstuk 5.17.3 en bijlagen 5.17.2 tot 5.17.4 en bijlage 5.17.7;

brandstofverdeelinstallaties voor   motorvoertuigen – hoofdstuk 5.17.5.

 

Artikel 3

Het college beslist dat de exploitant de volgende bijzondere en brandweervoorwaarden dient na te leven:

Bijzondere milieuvoorwaarde:

  • Ter hoogte van de brandstofverdeelinstallatie dient een vloeistofdichte piste geplaatst te worden ter voorkoming van bodemverontreiniging. Bijkomend zal eerst de verontreinigingsvlek dienen verwijderd te worden en de onderliggende bodem onderzocht worden.

Brandweervoorwaarden:

Snelblustoestellen

Snelblustoestellen van minstens één bluseenheid conform NBN EN 3-7 - bij voorkeur 6 kg poeder type ABC - dienen goed verdeeld aangebracht à rato van 1 toestel per 150 m² (binnenruimte). Voor brandcompartimenten kleiner dan 300 m² dienen er in elk geval minstens twee toestellen aanwezig te zijn.

Er mogen nochtans gedeeltelijk mobiele bluseenheden of snelblustoestellen van een ander type aangewend worden op de plaatsen waar zij meer aangewezen zijn, voor zover de aangebrachte blusmiddelen minstens eenzelfde bluseenheid conform NBN EN 3-7 bezitten en evenwaardig zijn aan de bovenvermelde.

Snelblustoestellen van minstens één bluseenheid conform NBN EN 3-7 - bij voorkeur 6 kg poeder type ABC - dienen aangebracht bij elk punt of lokaal met verhoogd risico, zoals ondermeer pompen, compressoren, lasposten, belangrijke elektriciteitsborden, enzovoort.

In de inrichting dienen minstens twee toestellen aanwezig te zijn.

Er mogen nochtans gedeeltelijk mobiele bluseenheden of snelblustoestellen van een ander type aangewend worden op de plaatsen waar zij meer aangewezen zijn, voor zover de aangebrachte blusmiddelen minstens eenzelfde bluseenheid conform NBN EN 3-7 bezitten en evenwaardig zijn aan de bovenvermelde. Een snelblustoestel van 5 kg CO2 – ½ bluseenheid conform NBN EN 3-7 - dient aangebracht nabij de toegang tot de hoogspanningscabine.

Muurhaspels + muurhydrant

Muurhaspels met axiale voeding (conform NBN EN 671-1) + muurhydrant (volgens de norm NBN 571 en voorzien van vaste koppelstukken doormeter 45 mm volgens koninklijk besluit van 30 januari 1975) met gemeenschappelijke watertoevoer met een binnendiameter van tenminste 70 mm dienen op oordeelkundig gekozen plaatsen opgesteld zodanig dat elk punt van de inrichting kan bespoten worden.

Hun aantal wordt zodanig bepaald dat de af te leggen afstand vanaf om het even welk punt tot het dichtst bijgelegen toestel niet meer bedraagt dan de lengte van de gebruikte haspels.

De haspels dienen gevoed met een leiding onder druk zodanig dat het debiet bij de minst bedeelde haspel gelijk is aan of groter dan 24 liter per minuut.

De leidingen voor bluswater dienen vervaardigd in staal of in een metaal dat minstens dezelfde waarborgen biedt.

De geplaatste muurhaspels dienen voorzien van een vergrendeling derwijze dat men het afsluitmondstuk niet kan verwijderen zonder het openen van een handbediende afsluiter op de watertoevoer. De waterlevering moet te allen tijde, ook tijdens vorstperiode, gewaarborgd zijn.

Bluswater

Als voorzieningen voor bluswater stelt de brandweer Antwerpen – in onderling overleg met brandweer Beveren – dat er een onderscheid gemaakt dient te worden tussen primaire, secundaire en tertiaire bluswater voorzieningen.

De primaire voorzieningen dienen onmiddellijk bruikbaar te zijn, de secundaire voorzieningen mogen iets meer tijd vergen voor ingebruikname. Het bedrijf dient zelf in te staan voor de primaire en secundaire bluswatervoorraad.

De tertiaire voorzieningen zijn deze van nagenoeg onuitputbare capaciteit zoals een kanaal, een rivier of een waterbekken van aanzienlijke capaciteit.

Al de voorraden dienen vlot toegankelijk te zijn en desgevallend voorzien te zijn van specifieke opstelplaatsen.

Teneinde de totale watervoorraad Vtotaal van een bedrijf te bepalen gaat men als volgt te werk:

  • bepalen grootste magazijn/compartiment met grootste brandklasse ter bepaling van de klasse;
  • Q=50*sqrt (vierkantswortel van oppervlak) voor klasse A (debiet in liter per minuut (lpm));
  • Q=80*sqrt (vierkantswortel van oppervlak) voor klasse C (debiet in lpm);
  • gedurende 2 uur voorzien;
  • Vtotaal = Q * 120 min.

Voor de bepaling van de klassen verwijst de brandweer naar het koninklijk besluit van 7 juli 1994, bijlage 6 - Industriegebouwen.

Indien het onduidelijk is welke klasse gehanteerd moet worden, wordt uitgegaan van de zwaarste klassering.

De primaire bluswatervoorziening

De primaire bluswatervoorziening is vastgelegd op een voeding door middel van het openbaar leidingnet van minimaal 150 mm diameter met een onmiddellijke beschikbaar debiet van tenminste 3 600 lpm, gedurende tenminste 2 uur [debiet over twee bovengrondse hydranten type BH100].

Bij ontstentenis van het vereiste debiet van tenminste 3 600 lpm door middel van de voeding van het openbaar leidingnet van minimaal 150 mm , zoals hierboven bepaald, dient men over een eigen (ring)leidingnet op druk in eigen beheer te beschikken.

De bewijsvoering van het vereiste debiet is ten laste van de eigenaar/exploitant en dient op eenvoudige vraag voorgelegd te kunnen worden. Voor wat betreft de openbare waterleiding kan een debietmeting aangevraagd worden bij de waterleverancier.

De primaire bluswatervoorziening dient voorzien op niveau van het perceel.

Vanaf dat het totale vereiste debiet, zoals hierboven bepaald meer dan 3 600 lpm bedraagt, dient men over een secundaire bluswatervoorziening te beschikken.

De secundaire bluswatervoorziening

Indien het totale vereiste debiet groter is dan 3 600 lpm dient men over een secundaire bluswatervoorziening te beschikken onder de vorm van een watervoorraad. De totale watervoorraad Vtotaal (=Q*120min) kan verminderd worden met het volume van de primaire bluswatervoorziening.

De secundaire bluswatervoorziening kan op enkele honderden meters ver [richtlijn 400 meter] van het gebouw liggen, maar niet te ver zodat het water nog met een eenvoudige opstelling bestaande uit een haler en een blusser tot aan het industriegebouw kan worden gebracht.

Hiervoor dient een opstelplaats voor de voertuigen van de brandweer voorzien.

De secundaire bluswatervoorziening kan worden voorzien op niveau van een bedrijventerrein.

Een gemeenschappelijke waterbuffer, kan dus afhankelijk van de ligging hiervan en de garantie van de beschikbaarheid ervan, een nuttig gegeven zijn.

Gezien in de onmiddellijke nabijheid een tertiaire bron aanwezig is (Kanaaldok) dient geen secundaire bluswatervoorziening voorzien te worden.

De tertiaire bluswatervoorziening

Binnen een straal van 2 000 meter van de voorgenoemde bedrijven (industriegebouwen volgens de definitie van koninklijk besluit van 7 juli 1994 en aanpassingen, bijlage 1) is een tertiaire, onuitputtelijke voorraad (> 5 000 m³) aanwezig (Kanaaldok). Deze dient goed bereikbaar te zijn voor de voertuigen van de brandweer

Artikel 4

Het college beslist dat de milieuvergunning ingaat op 18 juli 2014 en eindigt op 18 juli 2034.

Artikel 5

Dit besluit heeft in principe geen financiƫle gevolgen voor de stad of het OCMW.