Artikel 36,4° van Vlarem I bepaalt dat het college een uitspraak dient te doen over een milieuvergunningsaanvraag klasse 2.
Aanvrager(s): Autobedrijf Y & N Claessens bvba - Boomsesteenweg 67 - 2610 Wilrijk-Antwerpen. De aanvraag omvat het verder exploiteren na verandering door toevoeging en uitbreiding van een autobedrijf.
Het college beslist op basis van het verslag van de dienst milieuvergunningen, dat als bijlage bij dit besluit is gevoegd.
Het milieuvergunningendecreet van 28 juni 1985, meermaals gewijzigd, en haar uitvoeringsbesluiten (Vlarem I en II) bepalen dat niemand zonder vergunning of melding een hinderlijk inrichting mag exploiteren.
Het college beslist de milieuvergunning klasse 2, zoals geformuleerd in de argumentatie, goed te keuren aan Autobedrijf Y & N Claessens bvba, Boomsesteenweg 67, 2610 Wilrijk-Antwerpen, voor de verdere exploitatie na verandering door toevoeging en uitbreiding van een autobedrijf, gelegen te 2610 Wilrijk-Antwerpen, Boomsesteenweg 57-73.
Het college wijst erop dat voor de exploitant de volgende algemene en sectorale voorwaarden van toepassing zijn:
Algemene voorwaarden:
| algemene milieuvoorwaarden – algemeen | hoofdstuk 4.1, 4.7, 4.9 en bijlagen 4.1.9.1.6, 4.1.9.2.3.1, 4.1.9.2.3.2, 4.1.9.2.3.4 en 4.8; |
| algemene milieuvoorwaarden – geluid | hoofdstuk 4.5 en bijlagen 2.2.1, 2.2.2, 4.5.1, 4.5.2, 4.5.3, 4.5.4, 4.5.5 en 4.5.6; |
| algemene milieuvoorwaarden – oppervlaktewater | hoofdstuk 4.2 en bijlagen 4.2.5.1, 4.2.5.2 en 4.2.5.4; |
| algemene milieuvoorwaarden – lucht | hoofdstuk 4.4 en bijlagen 4.4.1 tot 4.4.6. en hoofdstuk 4.10; |
| algemene milieuvoorwaarden – licht | hoofdstuk 4.6. |
Sectorale voorwaarden:
| bedekkingsmiddelen (verven, vernissen, inkten, emails, metaalpoeders en analoge producten, afbijt en beitsmiddelen), kleurstoffen en pigmenten – algemene bepalingen | afdeling 5.4.1; |
| bedekkingsmiddelen (verven, vernissen, inkten, emails, metaalpoeders en analoge producten, afbijt en beitsmiddelen), kleurstoffen en pigmenten – aanbrengen van bedekkingsmiddelen | afdeling 5.4.3; |
| elektriciteit | hoofdstuk 5.12; |
| garages, parkeerplaatsen en herstellingswerkplaatsen voor motorvoertuigen | hoofdstuk 5.15; |
| gassen – gemeenschappelijke bepalingen | afdeling 5.16.1 en bijlage 5.16.5; |
| gassen – koelinrichtingen / compressoren | afdeling 5.16.3; |
| opslag van gevaarlijke stoffen / ondergrondse en bovengrondse houders | afdeling 5.17.1, en bijlage 5.17.1; |
| opslag van gevaarlijke stoffen: ondergrondse houders | afdeling 5.17.2 en bijlagen 5.17.2 tot 5.17.7; |
| metalen | hoofdstuk 5.29; |
| rubber | hoofdstuk 5.36; |
| niet in rubriek 2 en 28 begrepen verbrandingsinrichtingen - algemene bepalingen en immissiecontroleprocedures | afdeling 5.43.1 + 5.43.4; |
| niet in rubriek 2 en 28 begrepen verbrandingsinrichtingen - stookinstallaties, met uitzondering van gasturbines en stoom- en gasturbine-installaties – kleine stookinstallaties (300 kW – 5 MW) | subafdeling 5.43.2.3. |
Het college beslist dat de exploitant de volgende bijzondere voorwaarden en brandweervoorwaarden dient na te leven:
Bijzondere voorwaarden:
Brandweervoorwaarden:
Onafhankelijk van de verplichtingen aan de houder van de milieuvergunning opgelegd via de vigerende milieureglementering alsmede via het milieuvergunningsbesluit, en onverminderd de maatregelen ter voorkoming en bestrijding van brand, door de houder van de milieuvergunning te treffen in uitvoering van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden, dient de houder van de milieuvergunning reeds te voorzien in de hiernavermelde blusmiddelen voor eerste tussenkomst:
Snelblustoestellen
Snelblustoestellen van minstens één bluseenheid conform NBN EN 3-7 - bij voorkeur 6 kg poeder type ABC - dienen goed verdeeld aangebracht à rato van 1 toestel per 150 m² (binnenruimte). Voor brandcompartimenten kleiner dan 300 m² dienen er in elk geval minstens twee toestellen aanwezig te zijn. Er mogen nochtans gedeeltelijk mobiele bluseenheden of snelblustoestellen van een ander type aangewend worden op de plaatsen waar zij meer aangewezen zijn, voor zover de aangebrachte blusmiddelen minstens eenzelfde bluseenheid conform NBN EN 3-7 bezitten en evenwaardig zijn aan de bovenvermelde.
Snelblustoestellen van minstens één bluseenheid conform NBN EN 3-7 - bij voorkeur 6 kg poeder type ABC - dienen aangebracht bij elk punt of lokaal met verhoogd risico, zoals ondermeer pompen, compressoren, lasposten, belangrijke elektriciteitsborden, enzovoort. In de inrichting dienen minstens twee toestellen aanwezig te zijn. Er mogen nochtans gedeeltelijk mobiele bluseenheden of snelblustoestellen van een ander type aangewend worden op de plaatsen waar zij meer aangewezen zijn, voor zover de aangebrachte blusmiddelen minstens eenzelfde bluseenheid conform NBN EN 3-7 bezitten en evenwaardig zijn aan de bovenvermelde.
Een snelblustoestel van 5 kg CO2 - ½ bluseenheid conform NBN EN 3-7 - dient aangebracht nabij de toegang tot de hoogspanningscabine.
Muurhaspels + muurhydrant
Muurhaspels met axiale voeding (conform NBN EN 671-1) + muurhydrant (volgens de norm NBN 571 en voorzien van vaste koppelstukken doormeter 45 mm volgens KB van 30 januari 1975) met gemeenschappelijke watertoevoer met een binnendiameter van tenminste 70 mm dienen op oordeelkundig gekozen plaatsen opgesteld zodanig dat elk punt van de inrichting kan bespoten worden. Hun aantal wordt zodanig bepaald dat de af te leggen afstand vanaf om het even welk punt tot het dichtst bijgelegen toestel niet meer bedraagt dan de lengte van de gebruikte haspels. De haspels dienen gevoed met een leiding onder druk zodanig dat het debiet bij de minst bedeelde haspel gelijk is aan of groter dan 24 liter per minuut. De leidingen voor bluswater dienen vervaardigd in staal of in een metaal dat minstens dezelfde waarborgen biedt. De geplaatste muurhaspels dienen voorzien van een vergrendeling derwijze dat men het afsluitmondstuk niet kan verwijderen zonder het openen van een handbediende afsluiter op de watertoevoer. De waterlevering moet te allen tijde, ook tijdens vorstperiode, gewaarborgd zijn.
Bovengrondse hydrant
Minstens 4 bovengrondse hydranten BH 100, conform de norm NBN S 21.019, maar met afsluiters op beide uitgeefkanten van 70 mm Ø dienen voorzien. De voeding gebeurt rechtstreeks op het net van de openbare waterbedeling, door een leiding waarvan de minimale binnendiameter 150 mm bedraagt, hetzij in eigen beheer gevoed. De aansluiting op het voedingsnet dient zodanig te zijn dat het maximumdebiet onmiddellijk beschikbaar is bij gebruik van de hydranten. De kosten voor de installatie, het onderhoud en de signalering van de BH100 is en blijft ten laste van de bouwheer/eigenaar en dit gedurende de levensduur van het gebouw.
Branddetectie
De inrichting dient uitgerust te worden met een algemene en automatische branddetectie-installatie, aangevuld met een manueel systeem om ontruiming te bevelen. Het aantal, de aard en de plaatsing van de toestellen wordt bepaald door de afmetingen van de lokalen en het risico in de lokalen.
Rook- en warmteafvoersysteem
Vanaf 1 500 m² (autobergplaats) dient een aan de situatie aangepaste rookdetectie-installatie worden geplaatst. Deze dient gekoppeld aan een permanent bewaakte alarmcentrale. Deze installatie dient uitgevoerd volgens gangbare normen of voorschriften. De nodige bewijsstukken in dit verband moeten daartoe later kunnen voorgelegd worden. Na installatie zal door een bevoegd persoon of instelling een attest afgeleverd worden waaruit blijkt dat aan de gangbare normen of voorschriften is voldaan.
Vanaf 2 500 m² (autobergplaats) dient een automatisch en gestuwd rook- en warmteafvoersysteem worden geplaatst, aangepast aan het volume van het parkeergebouw. Deze installatie dient uitgevoerd volgens gangbare normen of voorschriften. De nodige bewijsstukken in dit verband moeten daartoe later kunnen voorgelegd worden. Na installatie zal door een bevoegd persoon of instelling een attest afgeleverd worden waaruit blijkt dat aan de gangbare normen of voorschriften is voldaan.
Het college beslist dat de milieuvergunning ingaat op 8 augustus 2014 en eindigt op 8 augustus 2034.