Artikel 57 § 3, 5° van het Gemeentedecreet van 15 juli 2005 stelt dat het college bevoegd is voor het vaststellen van de wijze van gunning en de voorwaarden van overheidsopdrachten als het gaat om een opdracht van dagelijks bestuur.
De stad Antwerpen heeft zichzelf in haar klimaatplan en door de ondertekening van het Covenant of Mayors duidelijke klimaatdoelstellingen gesteld. De realisatie van warmte- en koudenetten, daar waar zinvol en economisch haalbaar, is één van de middelen om deze doelstelling te bereiken. Ze reduceren de uitstoot van broeikasgassen door een efficiëntere productie van warmte en koude op grote schaal en ze verbinden de stedelijke energievraag met het aanbod van duurzame energiebronnen zoals restwarmte, bodemenergie en biomassa. De stedelijke energievraag wordt op dit moment nauwkeurig in kaart gebracht in samen werking met EANDIS. Het potentieel van stedelijke warmte- en koudenetten is slechts volledig in kaart te brengen als ook de aanbodzijde gekend is. Op dit moment zijn restwarmte en bodemenergie naar capaciteit de meest veelbelovende bronnen.
Het bestek dat ter goedkeuring wordt voorgelegd behelst 2 percelen. Voor elk van deze percelen wordt de argumentatie aangegeven in onderstaande tekst. De resultaten van beide onderzoeken zullen de stad Antwerpen in staat stellen om in haar stadsontwikkelingsprojecten de mogelijkheden (technisch-economisch) van deze duurzame bronnen correct in te schatten. De (gedeeltelijk) publieke beschikbaarheid van de resultaten stelt derde partijen in staat hetzelfde te doen.
Perceel 1: Restwarmte
Het gemeentelijke havenbedrijf liet reeds het aanbod aan restwarmte in de haven in kaart brengen. Voor de rest van het stedelijke grondgebied gebeurde dit nog niet. Toch is het te verwachten dat ook daar een zeker potentieel bestaat, onder meer, maar niet uitsluitend, op de stedelijke bedrijventerreinen. De identificatie van deze bronnen betekent meteen een grotere geografische spreiding ervan. Dit resulteert in een grotere flexibiliteit in de stedelijke energieplanning.
Het onderzoek zoals beschreven in dit bestek wil middels analyse van beschikbare gegevens uit de verruimde kruispuntbank voor ondernemingen (VKBO) en het stedelijk register van milieuvergunningen de mogelijke restwarmtebronnen identificeren en lokaliseren. Voor elke mogelijke bron worden een aantal parameters ingeschat: Beschikbaarheidsgraad(%), (piek)vermogen, jaaropbrengst, temperatuurniveaus.
Voor die bedrijven waarvan het restwarmtepotentieel hoog wordt ingeschat wordt een bijkomend detailonderzoek uitgevoerd. Het detailonderzoek zal een nauwkeurigere bepaling van de parameters toelaten. De op te leveren resultaten behelzen volgende elementen:
Perceel 2: Bodemenergie
Ook voor bodemwarmte wordt aanzienlijk potentieel verwacht. De technieken voor de benutting van deze bodemwarmte bestaan reeds vele jaren en zijn dus in grote mate doorontwikkeld. De mogelijke toepassing er van is echter sterk afhankelijk van ruimtelijke factoren. Er is open ruimte nodig voor de inpassing er van maar, de techniek zelf is nauwelijks zichtbaar in deze open ruimte.
Het onderzoek zoals beschreven in dit bestek onderzoekt 2 bekende technieken voor de benutting van bodemwarmte. De techniek van de boorgatenergieopslag (BEO) is het breedst inzetbaar omdat er in tegenstelling tot de techniek van warmte-koude-opslag(WKO) geen geschikte watervoerende lagen (aquifers) noodzakelijk zijn. Beide technieken worden onderzocht. In een eerste fase wordt het ruwe potentieel ingeschat op basis van het geologisch 3D model van Vlaanderen. Daarna wordt dit ruw potentieel getoetst aan de ruimtelijke eigenschappen van de stad (beschikbare open ruimte en de bereikbaarheid er van). Zo kan het realistisch potentieel worden bepaald en uitgezet op kaart.
De op te leveren resultaten behelzen de volgende elementen
De stad Antwerpen is de aanbestedende overheid.
Juridische situatie van de inschrijver (uitsluitingscriteria) = toegangsrecht
Door het enkele feit van deel te nemen aan deze gunningsprocedure, verklaren de inschrijvers op erewoord dat ze zich niet in één van de uitsluitingsgevallen bedoeld in artikel 61 §§ 1 en 2 van het KB plaatsing bevinden.
Technische bekwaamheid van de inschrijver (selectiecriteria)
De inschrijver toont zijn technische bekwaamheid aan door opgave van referenties en curriculum van de bij onderhavige opdracht betrokken medewerkers.
De inschrijver toont aan dat hij tegelijk ervaring heeft in het algemene domein en in de domeinen specifiek voor de opdrachtpercelen waarvoor hij en offerte indient.. Deze ervaring moet concreet aantoonbaar zijn aan de hand van tijdens de laatste voorbije 5 jaar uitgevoerde opdrachten (te bepalen ten opzichte van de datum van de openingszitting van de offertes). De als referentie ingeroepen opdrachten moeten reeds opgeleverd zijn.
Een opdracht kan de ervaring in diverse domeinen aantonen. Er zal in dat geval duidelijk omschreven worden voor welke domeinen de ervaring voor het beschouwde project ingeroepen wordt. Deze ervaring zal naar inhoud telkens bondig omschreven worden.
Per domein worden er hoe dan ook minimaal 3 referenties gevraagd, in totaal moeten minimaal 5 referentieprojecten opgegeven worden, ook indien slechts een offerte wordt ingediend voor 1 opdrachtperceel. Domeinen:
Gunningscriteria:
|
Nr. |
Beschrijving |
Gewicht |
|
1 |
Prijs |
50 |
|
Regel van drie; score offerte = (prijs laagste offerte / prijs offerte) * gewicht van het criterium prijs |
||
|
2 |
Plan van aanpak |
50 |
|
||
In toepassing van artikel 26§2, 1° d) van de wet van 15 juni 2006 betreffende de overheidsopdrachten, zal deze opdracht gegund worden bij vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met bekendmaking omdat het geraamde bedrag van de opdracht zonder belasting over de toegevoegde waarde de door het artikel 105 §2, 2° van het Koninklijk Besluit van 15 juli 2011 vastgestelde bedragen niet bereikt, die alleszins lager moeten zijn dan de bedragen voor de Europese bekendmaking.
Het geraamde opdrachtenbedrag bedoeld in artikel 26§2, 1° d) mag de drempels vermeld in artikel 32, eerste lid, 3° voor de opdrachten voor diensten, niet bereiken.
In toepassing van artikel 58 van het Koninklijk Besluit van 15 juli 2011 betreffende de overheidsopdrachten, dient de dienstverlener van een opdracht voor diensten overeenkomstig de bepalingen van artikelen 67 en 72, zijn financiële en economische draagkracht en zijn technische bekwaamheid aan te tonen.
In toepassing van artikel 50 van de Koninklijk Besluit van 15 juli 2011 betreffende de overheidsopdrachten, vermeldt de aanbestedende overheid het gunningscriterium of de gunningscriteria in de uitnodiging om een offerte in te dienen of in de opdrachtdocumenten.
Het college keurt bestek GAC/2014/2370 voor het opmaken van een aanbodkaart restwarmte en bodemenergie goed en keurt eveneens goed dat hiervoor een vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met bekendmaking wordt uitgeschreven.
De financieel beheerder verleent zijn visum en regelt de financiële aspecten als volgt:
|
Omschrijving |
Bedrag |
Boekingsadres |
Bestelbon |
|
Aanbodkaart restwarmte en bodemenergie |
|
Budgetplaats: 5152500000 |
10113410 |
|
|
Budgetplaats: 5152500000 |