Het Masterplan 2020 werd eind september 2010 goedgekeurd door de Vlaamse overheid. Eén van de doelstellingen van dit plan is het aanpakken van de problemen inzake mobiliteit en leefbaarheid van de brede rand rond Antwerpen door de aanleg van de A102 en de ondertunneling van de R11. De aanleg van deze infrastructuren kan eveneens de verkeersdruk op de R1 verminderen. Vóór deze nieuwe infrastructuren kunnen worden gerealiseerd, moet er eerst een plan-MER worden opgemaakt.
In het kader van deze plan-MER-procedure werd door de initiatiefnemer, het Agentschap Wegen en Verkeer, een kennisgevingsnota opgemaakt die informatie geeft over de doelstellingen, reikwijdte en detailleringsgraad van het voorgenomen plan. Deze ligt ter inzage van 15 januari tot en met 14 februari.
Op 9 januari heeft het college via brief (VIP14 001-2014-001974) de vraag gekregen om advies over de kennisgeving te bezorgen aan de dienst MER (milieueffectrapportage) van de Vlaamse overheid en dit uiterlijk op 15 februari 2014.
Na de terinzagelegging zal de dienst MER een beslissing nemen aangaande de inhoud van het plan-MER en de bijzondere richtlijnen voor het opstellen van het plan-MER.
De stad Antwerpen streeft samen met de Vlaamse overheid naar een sterk en multimodaal bovenlokaal netwerk van wegen, tramlijnen, spoorlijnen en bovenlokale knooppunten naar de stad. Om tot een oplossing voor de zuidoostrand van Antwerpen te komen, zet het Masterplan 2020 in op een verbetering van de ontsluiting via de weg én het openbaar vervoer, het realiseren van een gebiedsdekkend fietsnetwerk en het aanbieden van alternatieven voor het vrachtvervoer (water en spoor).
De geplande oostelijke tangenten of bretellen A102 en R11bis zijn voor het wegennet fundamentele en prioritaire bouwstenen van het Masterplan 2020, naast de 3de Scheldekruising. Het Masterplan 2020 geeft verder ook prioriteit aan het aanpakken van de knelpunten op de toegangswegen van de Antwerpse ring (E34/E313) en het aanpakken van het sluipverkeer door het ontlasten van het onderliggend wegennet.
In haar advies over de ontwerp plan-MER Oosterweelverbinding stelde het college reeds het volgende: “Het oplossend vermogen van de projecten A102 en R11bis, in combinatie met een bijkomende Scheldekruising, is onderzocht en aangetoond. De A102 en R11bis maken integraal deel van uit van het Masterplan 2020 en zijn onlosmakelijk verbonden met een globale oplossing voor de bereikbaarheid van, naar, in en rond Antwerpen. (…) Een globale uitvoering van het Masterplan 2020 is noodzakelijk waarbij de van start gaande plan-MER A102/R11bis moet uitmaken welke de meeste optimale vorm is die deze oostelijke tangent aanneemt.” (04/12/2013, 2013_CBS_12450)
Om een open en transparant planningsproces te garanderen wordt aan de start van dit plan-MER een kennisgevingsnota ter inzage gelegd van het publiek. De nota beschrijft het plan, de alternatieven en uitvoeringsvarianten. Bijkomende alternatieven op basis van inspraakreacties worden meegenomen in het plan-MER-proces, indien ze als redelijk beoordeeld worden. Daarvoor moeten ze technisch haalbaar zijn en voldoen aan beide plandoelstellingen inzake mobiliteit: “het ontlasten van de R1 en het verhogen van de bereikbaarheid, de verkeersveiligheid en de verkeersleefbaarheid in de oostrand van de Antwerpse agglomeratie.” (kennisgeving p.7) Het college onderschrijft deze doelstellingen, maar wijst erop dat hier ook de zuidrand van de agglomeratie en de bereikbaarheid van het havengebied moeten vermeld worden.
De stad Antwerpen focust zich in dit advies uiteraard op haar grondgebied en doet geen uitspraken die andere adviesinstanties toekomen zoals de randgemeenten of het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen. Grote delen van het basistracé en de tracéalternatieven hebben evenwel betrekking op de stad. Het college geeft dan ook graag een aantal aanbevelingen voor het verdere plan-MER-onderzoek.
De stad Antwerpen verwacht van de oostelijke tangenten dat deze delen van het doorgaande noord-zuid verkeer kunnen opvangen en idealiter ook ingezet kunnen worden voor gevaarlijk transport (ADR) en als alternatief bij calamiteiten op de R1. Hoofdwegen die volwaardig verknopen met het TEN-T netwerk, maar ook goed gelokaliseerde aansluitingen hebben met het onderliggend multimodaal netwerk. Het is zoeken naar de juiste combinatie van aansluitingen (op- en afritten) en knooppunten (uitwisselingscomplexen) tussen de hoofdwegen. Het plan-MER-onderzoek moet in eerste instantie nagaan welke combinaties ten minste aan de plandoelstellingen - ontlasten R1 en ontlasting onderliggend wegennet - kunnen voldoen.
De kennisgevingsnota beschrijft voor het basistracé A102+R11bis immers verschillende varianten: verschillende manieren om de knooppunten te organiseren en verschillende locaties voor op- en afrit(ten). Het is echter niet duidelijk welke methodiek gehanteerd zal worden om klaarheid te scheppen in de veelvoud aan mogelijke combinaties van tracéalternatieven met hun uitvoerings-, uitwisselings- en aansluitingsvarianten. De stad Antwerpen heeft zich aan deze oefening gewaagd en geeft in dit advies, op basis van de uitgangspunten in de kennisgeving, aan welke combinatiescenario’s relevant zijn en verder dienen onderzocht te worden.
Naast het basistracé A102+R11bis (met verscheidene uitvoerings- en aansluitingsvarianten), zijn er twee tracéalternatieven: een capaciteitsverhoging van de R1 en een alternatief tracé voor het zuidelijk deel van de R11bis. Dit advies heeft niet de intentie om zich uit te spreken ten voor- of nadele van een specifiek alternatief. Het milieueffectenrapport moet de verschillende alternatieven zo objectief mogelijk onderscheiden van elkaar. Het college vraagt dat elk alternatief op een gelijkwaardige manier wordt uitgewerkt en beoordeeld.
Het college neemt kennis van het voornemen om geen scenario’s met exploitatievarianten door te laten rekenen in het verkeersmodel en verwijst naar haar advies op het ontwerp plan-MER OWV: “Dit advies focust zich dus wel op de weergave van het onderzoek, en vooral op de beoordeling van de naakte infrastructuur, de scenario’s zonder exploitatievarianten. Dit omdat de stad ervan overtuigd is dat de ‘hardware’ voldoende oplossend vermogen moet hebben en voldoende robuust moet zijn. Dit laat toe om verschillende ’software’ sturingsmaatregelen toe te passen.”
Om tot een kwalitatief en onderbouwd advies te komen, werden verschillende administraties binnen de stad Antwerpen betrokken. Per cluster van disciplines worden in dit advies bepaalde aandachtspunten en gebieden in de omgeving van het plan opgesomd, waarop het plan een impact kan hebben en waarvan de kennisgeving geen melding maakt.
Met betrekking tot de discipline mens-verkeer neemt het college kennis van het voornemen om door middel van een verfijnd verkeersmodel ook de lokale effecten in beeld te brengen. Om de werking van elke uitvoeringsvariant te kunnen beoordelen moet deze immers in voldoende detail worden onderzocht. De stad Antwerpen onderschrijft deze ambitie en doet een aantal suggesties voor de aanpak van de verkeersanalyse.
Parallel aan de opmaak van het plan-MER worden de alternatieven (en eventueel bijkomende op basis van de inspraakperiode) op technische haalbaarheid onderzocht. Enkel technisch haalbare voorstellen die potentieel aan de plandoelstellingen voldoen, worden als redelijk beoordeeld en verder onderzocht. De stad Antwerpen wil graag betrokken worden in dit onderzoek èn het verdere plan-MER-proces. Het studiewerk van de stedelijke administratie wordt alvast aan de initiatiefnemer en de dienst MER ter beschikking gesteld, het betreft o.m. onderzoek inzake de haalbaarheid van overkapping en de splitsing van de R1.
Het college vraagt verder dat deze plan-MER maximaal wordt afgestemd op de lopende plan-MER-procedures van de 3de Scheldekruising en de Tweede spoorontsluiting van de haven van Antwerpen. Deze worden in de kennisgevingsnota als ontwikkelingsscenario’s benoemd. Ook de plan-MER voor de verbreding van de E313 dient als ontwikkelingsscenario opgenomen te worden.
De stad Antwerpen verwijst tenslotte ook naar de adviezen van het college terzake en in het bijzonder naar het advies van het College van 4 december 2013 over de plan-MER voor de Oosterweelverbinding en de bespreking ervan met de andere actoren op 12 december 2013. Er dient maximaal rekening gehouden te worden met de methodieken en inzichten uit het definitieve rapport.
Decreet van 27 april 2007 houdende wijziging van titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en van artikel 36ter van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.
Het college beslist het advies over de kennisgevingsnota van het plan-MER A102/R11bis goed te keuren en te bezorgen aan de dienst Mer.