Terug

2014_CBS_00515 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - Russo bvba, Taxandriastraat 41, 2170 Merksem-Antwerpen. Dossiernummer AN2013/663/AV - Goedkeuring

college van burgemeester en schepenen
vr 24/01/2014 - 09:00 Collegezaal, stadhuis
Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig

Bart De Wever, burgemeester; Koen Kennis, schepen; Philip Heylen, schepen; Ludo Van Campenhout, schepen; Claude Marinower, schepen; Rob Van de Velde, schepen; Nabilla Ait Daoud, schepen; Liesbeth Homans, schepen; Roel Verhaert, stadssecretaris

Afwezig

Marc Van Peel, schepen; Serge Muyters, korpschef

Secretaris

Roel Verhaert, stadssecretaris

Voorzitter

Bart De Wever, burgemeester
2014_CBS_00515 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - Russo bvba, Taxandriastraat 41, 2170 Merksem-Antwerpen. Dossiernummer AN2013/663/AV - Goedkeuring 2014_CBS_00515 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - Russo bvba, Taxandriastraat 41, 2170 Merksem-Antwerpen. Dossiernummer AN2013/663/AV - Goedkeuring

Motivering

Regelgeving: bevoegdheid

Artikel 36,4° van Vlarem I bepaalt dat het college een uitspraak dient te doen over een milieuvergunningsaanvraag klasse 2.

Aanleiding en context

Aanvrager: Russo bvba - Gasthuishoevestraat 86 - 2170 Merksem-Antwerpen. De aanvraag omvat de exploitatie van een industrieel schildersbedrijf.

Argumentatie

Het college beslist op basis van het verslag van de dienst milieuvergunningen, dat als bijlage bij dit besluit is gevoegd.

Juridische grond

Het milieuvergunningendecreet van 28 juni 1985, meermaals gewijzigd, en haar uitvoeringsbesluiten (Vlarem I en II) bepalen dat niemand zonder vergunning of melding een hinderlijk inrichting mag exploiteren.

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college beslist een milieuvergunning klasse 2 goed te keuren aan Russo bvba, Gasthuishoevestraat 86, 2170 Merksem-Antwerpen, voor de inrichting gelegen op het adres: Taxandriastraat 41, 2170 Merksem-Antwerpen. De vergunning heeft als voorwerp: de exploitatie van een industrieel schildersbedrijf.

Artikel 2

Het college wijst erop dat voor de exploitant de volgende algemene en sectorale voorwaarden van toepassing zijn:

algemene milieuvoorwaarden – algemeen

hoofdstuk 4.1 , 4.7, 4.9 en bijlagen 4.1.9.1.6, 4.1.9.2.3.1, 4.1.9.2.3.2, 4.1.9.2.3.4 en 4.8;

algemene milieuvoorwaarden – geluid

hoofdstuk 4.5 en bijlagen 2.2.1, 2.2.2, 4.5.1, 4.5.2, 4.5.3, 4.5.4, 4.5.5 en 4.5.6;

algemene milieuvoorwaarden – oppervlaktewater

hoofdstuk 4.2 en bijlagen 4.2.5.1, 4.2.5.2 en 4.2.5.4;

garages, parkeerplaatsen en herstellingswerkplaatsen voor motorvoertuigen

hoofdstuk 5.15;

opslag van gevaarlijke stoffen / ondergrondse en bovengrondse houders

hoofdstuk 5.17.1 en bijlage 5.17.1;

opslag van gevaarlijke stoffen: bovengrondse houders

afdeling 5.17.3 en bijlagen 5.17.2 tot 5.17.4 en bijlage 5.17.7;

brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen

afdeling 5.17.5. 

Artikel 3

Het college beslist dat de exploitant volgende bijzondere voorwaarden en brandweervoorwaarden dient na te leven:

1.   Bijzondere voorwaarden: 

  • de opslagplaatsen dienen uitgerust te worden met een afdoende natuurlijke of kunstmatige verluchting;
  • de opslagplaats voor thinner (1 m³) dient van de ruimte voor stallen van voertuigen gescheiden te worden door naar buiten openende brandwerende deuren voorzien van een deurpomp;
  • het stallen van de bedrijfsvoertuigen en laad- en losactiviteiten dient inpandig plaats te vinden;
  • het opslagrek voor gevaarlijke producten in het magazijn dient verankerd te worden tegen de wand en beschermd te worden tegen aanrijding;
  • een uitvoeringsplan op schaal 1/200 met aanduiding van de opslagplaatsen- en tanks, opslaghoeveelheden, aanduiding van de opgeslagen producten en de tankpiste wordt binnen een periode van zes maanden na het verlenen van de vergunning overgemaakt aan het college(p/a dienst milieuvergunningen, Grote Markt 1 te 2000 Antwerpen of naar milieuvergunningen@stad.antwerpen.be).

 

2.   Brandweervoorwaarden: 

  • C Specifieke brandvoorzorgsmaatregelen

Onderstaande maatregelen dienen getroffen door de exploitant/eigenaar. De exploitant/eigenaar is verantwoordelijke voor de goede werking, voor het onderhoud en indien toepasselijk voor de bereikbaarheid bij brand van de onderstaande brandvoorzorgsmaatregelen.

  • C1

Men dient snelblustoestellen van minstens één bluseenheid conform NBN EN 3-7 - bij voorkeur 6 kg poeder type ABC - doelmatig te verdelen over de inrichting tot men in totaal over 1 toestel per 150 m² beschikt.

  • C2

Muurhaspels met axiale voeding (conform NBN EN 671-1) + muurhydrant  (volgens de norm  NBN 571 en voorzien van vaste koppelstukken doormeter 45 mm volgens koninklijk besluit van 30 januari 1975) met gemeenschappelijke watertoevoer met een binnendiameter van tenminste 70 mm dienen op oordeelkundig gekozen plaatsen opgesteld zodanig dat elk punt van de inrichting kan bespoten worden. Hun aantal wordt zodanig bepaald dat de af te leggen afstand vanaf om het even welk punt tot het dichtst bijgelegen toestel niet meer bedraagt dan de lengte van de gebruikte haspels. De haspels dienen gevoed met een leiding onder druk zodanig dat het debiet bij de minst bedeelde haspel gelijk is aan of groter dan 24 liter per minuut. De leidingen voor bluswater dienen vervaardigd in staal of in een metaal dat minstens dezelfde waarborgen biedt. De geplaatste muurhaspels dienen voorzien van een vergrendeling derwijze dat men het afsluitmondstuk niet kan verwijderen zonder het openen van een handbediende afsluiter op de watertoevoer.

  • C3

De inrichting dient uitgerust met een automatische branddetectie installatie, van het type algemene bewaking. De automatische branddetectie installatie is ontworpen en uitgevoerd volgens de vigerende reglementen en normen, in het bijzonder de Belgische norm NBN S21-100. De keuze van de detectoren is aangepast aan de aanwezige risico's en in functie van een snelle ontdekking van de brand. De branddetectie installatie geeft automatisch een aanduiding van de brandmelding en de plaats ervan.

  • C4

(cfr Bijlage 6 basisnorm)

Om de ontwikkeling en de verspreiding van brand en rook in het getroffen compartiment te beperken, dient het industriegebouw uitgerust met een rook- en warmte afvoerinstallatie (RWA-installatie). De RWA-installatie voldoet aan de voorwaarden vastgelegd in de norm NBN S 21-208-1, behoudens punten 18 en 19 van deze norm. Voor compartimenten waarvan de vloeroppervlakte kleiner is dan of gelijk is aan 2 000 m² wordt evenwel de aerodynamische oppervlakte van de RWA-verluchters en de luchttoevoer berekend à rato van ten minste 2 % van de dakoppervlakte, dit op voorwaarde dat de hoogte van de gestapelde goederen en de hoogte van de bovenkant van de luchttoevoeropeningen maximaal 70 % van de hoogte tot de RWA-verluchters bedragen. De RWA-installatie wordt bediend door de automatische branddetectie installatie, met uitzondering van die gevallen waarin het compartiment uitgerust is met een automatische blusinstallatie van het type sprinkler of ruimtebeveiliging. Hierbij wordt, in afwijking van NBN S21-208-1, de RWA-installatie bediend door de alarmklep van de automatische blusinstallatie. Ze moet eveneens handmatig kunnen worden bediend door brandweer vanaf een centraal bedieningspaneel (ondergebracht in de centrale controle- en bedieningspost).

  • C5 Bluswatervoorziening

Primair bluswater

Voor industriegebouwen van klasse B met oppervlakte < 1 000 m² is de primaire bluswatervoorziening vastgelegd op een voeding door middel van het openbaar leidingnet van minimaal Ø 110 mm met een onmiddellijke beschikbaar debiet van tenminste 1600 lpm, gedurende tenminste 2 uur [benaderd debiet van 2 ondergrondse hydranten type OH80]. Indien er geen twee hydranten die minimum van het type OH80 zijn, indien de hydranten niet binnen de 60 meter van de inrichting liggen en indien de hydranten niet gevoed zijn door het openbaar leidingnet van minimaal Ø 110 mm dient men over een eigen watervoorraad (1600l/min * 120 min = 192 m³) en een eigen leidingnet op druk voorzien van minimum twee BH80 te beschikken. De bewijsvoering van het vereiste debiet is ten laste van de eigenaar/exploitant en dient op eenvoudige vraag voorgelegd te kunnen worden. Voor wat betreft de openbare waterleiding kan een debietmeting aangevraagd worden bij de waterleverancier. De primaire bluswatervoorziening dient voorzien op niveau van het perceel.

Artikel 4

Het college beslist dat de milieuvergunning ingaat op 24 januari 2014 en eindigt op 24 januari 2034.

Artikel 5

Dit besluit heeft in principe geen financiƫle gevolgen voor de stad of het OCMW.