Terug

2014_CBS_01750 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 3 bijzondere voorwaarden - Ceylan & Co bvba, Van Kerckhovenstraat 20, 2060 Antwerpen. Dossiernummer AN2013/769/PV - Kennisneming

college van burgemeester en schepenen
vr 21/02/2014 - 09:00 Collegezaal, stadhuis
Kennis genomen

Samenstelling

Aanwezig

Bart De Wever, burgemeester; Koen Kennis, schepen; Philip Heylen, schepen; Ludo Van Campenhout, schepen; Claude Marinower, schepen; Marc Van Peel, schepen; Rob Van de Velde, schepen; Nabilla Ait Daoud, schepen; Liesbeth Homans, schepen; Roel Verhaert, stadssecretaris

Afwezig

Serge Muyters, korpschef

Secretaris

Roel Verhaert, stadssecretaris

Voorzitter

Bart De Wever, burgemeester
2014_CBS_01750 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 3 bijzondere voorwaarden - Ceylan & Co bvba, Van Kerckhovenstraat 20, 2060 Antwerpen. Dossiernummer AN2013/769/PV - Kennisneming 2014_CBS_01750 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 3 bijzondere voorwaarden - Ceylan & Co bvba, Van Kerckhovenstraat 20, 2060 Antwerpen. Dossiernummer AN2013/769/PV - Kennisneming

Motivering

Regelgeving: bevoegdheid

Artikel 4 § 1 van Vlarem I bepaalt dat het college akte moet nemen van meldingen van klasse 3-inrichtingen.

Aanleiding en context

Meldingen van klasse 3-inrichtingen worden conform de wetgeving aan het college bekendgemaakt. De melding opgenomen als bijlage werd op de dienst milieuvergunningen binnengebracht en geregistreerd.

Argumentatie

De volgende melding van klasse 3-inrichting(en) werd volledig en ontvankelijk bevonden zodat van deze melding akte kan worden genomen zoals voorzien in de Vlarem-procedure.

Juridische grond

Het milieuvergunningendecreet van 28 juni 1985, meermaals gewijzigd, en haar uitvoeringsbesluiten (Vlarem I en II) bepalen dat niemand zonder voorafgaande en schriftelijke vergunning of melding een als hinderlijk ingedeelde inrichting klasse 1, 2 of 3 mag exploiteren of veranderen.
Artikel 4 § 2 van het milieuvergunningendecreet bepaalt dat niemand zonder daarvan vooraf melding te hebben gemaakt, een inrichting die tot de klasse 3 behoort, mag exploiteren of veranderen.
Artikel 20 van het milieuvergunningendecreet en artikel 3.3.0.2 van Vlarem II bepalen dat aan inrichtingen van klasse 3 bijzondere vergunningswaarden kunnen worden opgelegd.

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college neemt akte van de klasse 3-inrichting zoals vermeld in het verslag van de dienst milieuvergunningen dat werd opgenomen als bijlage.

Artikel 2

Het college wijst erop dat de volgende algemene en sectorale voorwaarden van toepassing zijn:

algemene milieuvoorwaarden - algemeen  hoofdstuk 4.1, 4.7, 4.9 en bijlagen 4.1.9.1.6, 4.1.9.2.3.1, 4.1.9.2.3.2, 4.1.9.2.3.4 en 4.8; 
algemene milieuvoorwaarden - geluid  hoofdstuk 4.5 en bijlagen 2.2.1, 2.2.2, 4.5.1, 4.5.2, 4.5.3, 4.5.4, 4.5.5 en 4.5.6; 
algemene milieuvoorwaarden - oppervlaktewater  hoofdstuk 4.2 en bijlagen 4.2.5.1, 4.2.5.2 en 4.2.5.4; 
garages, parkeerplaatsen en herstellingswerkplaatsen voor motorvoertuigen  hoofdstuk 5.15; 
gassen - gemeenschappelijke bepalingen  afdeling 5.16.1 en bijlage 5.16.5; 
gassen - koelinrichtingen / compressoren  afdeling 5.16.3; 
niet in rubriek 2 en 28 begrepen verbrandingsinrichtingen - algemene bepalingen en immissiecontroleprocedures  afdeling 5.43.1 + 5.43.4; 
niet in rubriek 2 en 28 begrepen verbrandingsinrichtingen - stookinstallaties, met uitzondering van gasturbines en stoom- en gasturbine-installaties - kleine stookinstallaties (300 kW - 5 MW)  subafdeling 5.43.2.3. 

 

Artikel 3

Het college beslist dat de exploitant volgende bijzondere voorwaarden dient na te leven:

  • het gebruik van het pand als bandencentrale is enkel mogelijk wanneer een stedenbouwkundige functiewijziging werd goedgekeurd;
  • alle gegevens van de afvalstoffen (de hoeveelheid, de aard en de samenstelling, het identificatienummer van de inzamelaar die de afvalstoffen ophaalt, de verwerkingswijze van de afvalstoffen en de naam, het adres en het identificatienummer van de verwerker) worden bijgehouden in een afvalstoffenregister;
  • alle activiteiten verbonden aan de uitbating, inclusief het aan- en afvoeren van banden en het stallen van wagens van klanten, dienen inpandig te gebeuren;
  • de nodige brandbestrijdingsmiddelen dienen in overleg met de brandweer voorzien te worden;
  • tijdens de exploitatie dienen ramen en poorten gesloten te blijven.

Artikel 4

Dit besluit heeft in principe geen financiƫle gevolgen voor de stad of het OCMW.