Terug

2013_CBS_11196 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - Vlaamse Jeugdherbergen vzw - Bogaardeplein 1 bus II - 2000 Antwerpen. Dossiernummer AN2013/535/JW - Goedkeuring

college van burgemeester en schepenen
vr 08/11/2013 - 09:00 Collegezaal, stadhuis
Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig

Bart De Wever, burgemeester; Koen Kennis, schepen; Philip Heylen, schepen; Ludo Van Campenhout, schepen; Claude Marinower, schepen; Marc Van Peel, schepen; Rob Van de Velde, schepen; Nabilla Ait Daoud, schepen; Liesbeth Homans, schepen; Roel Verhaert, stadssecretaris

Afwezig

Serge Muyters, waarnemend korpschef

Secretaris

Roel Verhaert, stadssecretaris

Voorzitter

Bart De Wever, burgemeester
2013_CBS_11196 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - Vlaamse Jeugdherbergen vzw - Bogaardeplein 1 bus II - 2000 Antwerpen. Dossiernummer AN2013/535/JW - Goedkeuring 2013_CBS_11196 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - Vlaamse Jeugdherbergen vzw - Bogaardeplein 1 bus II - 2000 Antwerpen. Dossiernummer AN2013/535/JW - Goedkeuring

Motivering

Regelgeving: bevoegdheid

Artikel 36,4° van Vlarem I bepaalt dat het college een uitspraak dient te doen over een milieuvergunningsaanvraag klasse 2.

Aanleiding en context

Aanvrager: Vlaamse Jeugdherbergen vzw - Beatrijslaan 72 - 2050 Antwerpen. De aanvraag omvat een nieuwe jeugdherberg.

Argumentatie

Het college beslist op basis van het verslag van de dienst milieuvergunningen, dat als bijlage bij dit besluit is gevoegd.

Juridische grond

Het milieuvergunningendecreet van 28 juni 1985, meermaals gewijzigd, en haar uitvoeringsbesluiten (Vlarem I en II) bepalen dat niemand zonder vergunning of melding een hinderlijk inrichting mag exploiteren.

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college beslist een milieuvergunning, zoals geformuleerd in de argumentatie, goed te keuren aan Vlaamse Jeugdherbergen vzw, Beatrijslaan 72, 2050 Antwerpen, voor de inrichting gelegen te 2000 Antwerpen, Bogaardeplein 1 bus II. De vergunning heeft als voorwerp het exploiteren van een jeugdherberg.

Artikel 2

Het college wijst erop dat de volgende algemene en sectorale voorwaarden van toepassing zijn:

Algemene voorwaarden:

algemene milieuvoorwaarden – algemeen

hoofdstuk 4.1, 4.7, 4.9 en bijlagen 4.1.9.1.6, 4.1.9.2.3.1, 4.1.9.2.3.2, 4.1.9.2.3.4 en 4.8;

algemene milieuvoorwaarden – geluid

hoofdstuk 4.5 en bijlagen 2.2.1, 2.2.2, 4.5.1, 4.5.2, 4.5.3, 4.5.4, 4.5.5 en 4.5.6;

algemene milieuvoorwaarden – oppervlaktewater

hoofdstuk 4.2 en bijlagen 4.2.5.1, 4.2.5.2 en 4.2.5.4.

Sectorale voorwaarden:

elektriciteit

hoofdstuk 5.12;

gassen – gemeenschappelijke bepalingen

afdeling 5.16.1 en bijlage 5.16.5;

gassen – koelinrichtingen / compressoren

afdeling 5.16.3;

niet in rubriek 2 en 28 begrepen verbrandingsinrichtingen - algemene bepalingen en immissiecontroleprocedures

afdeling 5.43.1 + 5.43.4.;

niet in rubriek 2 en 28 begrepen verbrandingsinrichtingen - stookinstallaties, met uitzondering van gasturbines en stoom- en gasturbine-installaties – kleine stookinstallaties (300 kW – 5 MW)

subafdeling 5.43.2.3.

Artikel 3

Het college beslist dat de exploitant de volgende brandweervoorwaarden dient na te leven:

  1. Snelblustoestellen van het type 6 kg poeder ABC dienen aangebracht op volgende plaatsen:
  • In de nabijheid van iedere haspel
  • 1 stuk/verdieping
  • In ieder binnentrappenhuis
  • 1 stuk / verdieping
  • In nabijheid van iedere berging
  • 1 stuk
  • In de overige delen
  • 1 stuk /150 m² met een minimum van 2 stuks, gelijkmatig verdeeld
  • Vuilnislokaal (lokaal 14)
  • 1 stuk
  • Werkplaats (lokaal 17)
  • 1 stuk
  • Lakenwagens (lokaal 54)
  • 1 stuk

Er mogen snelblustoestellen van een ander type aangewend worden op de plaatsen waar zij meer aangewezen zijn, voor zover de aangebrachte blusmiddelen minstens evenwaardig zijn aan de bovenvermelde.

 2. Snelblustoestellen van het type 5 kg poeder CO2 dienen aangebracht op volgende plaatsen:

  • aan de toegang van het hoogspanningslokaal
  • 1 stuk
  • in de omgeving van elk belangrijk elektriciteitsbord
  • 1 stuk
  • aan elke liftmachinekamer
  • 1 stuk

3.  Muurhaspels met axiale voeding (conform NBN EN 671-1) + muurhydrant  (volgens de norm  NBN 571 en  voorzien van vaste koppelstukken doormeter 45 mm volgens KB van 30 januari 1975) met gemeenschappelijke watertoevoer met een binnendiameter van tenminste 70 mm dienen op oordeelkundig gekozen plaatsen opgesteld zodanig dat elk punt van de inrichting kan bespoten worden. Hun aantal wordt zodanig bepaald dat de af te leggen afstand vanaf om het even welk punt tot het dichtst bijgelegen toestel niet meer bedraagt dan de lengte van de gebruikte haspels. De haspels dienen gevoed met een leiding onder druk zodanig dat het debiet bij de minst bedeelde haspel gelijk is aan of groter dan 24 liter per minuut. De leidingen voor bluswater dienen vervaardigd in staal of in een metaal dat minstens dezelfde waarborgen biedt. De geplaatste muurhaspels dienen voorzien van een vergrendeling derwijze dat men het afsluitmondstuk niet kan verwijderen zonder het openen van een handbediende afsluiter op de watertoevoer.

4.  Een mogelijkheid dient voorzien om de druk van de binneninstallatie op te voeren; dit ofwel via een aansluitpunt in de inkomhall ofwel via een brandweerput. Hiervoor dient het brandweerwaterleidingsnet voorzien van een ophoudklep en een vertakking van minimaal 70 mm Ø, waarop de persleiding van de stedelijke brandweerpompen kan aangesloten worden. Deze vertakking dient van een afsluitkraan en een aangepast koppelstuk van 70 mm Ø (DSP - KB van 30 januari 1975) voorzien. De brandweerput wordt rechts van de ingang geplaatst in het voetpad. De put wordt afgesloten met een deksel in de aard van het type Elkington 1522A. De plaats hiervan dient duidelijk op de gevel gesignaleerd.

5.  In iedere keuken moet een branddeken aanwezig zijn.

6. Wanneer de keuken niet gecompartimenteerd is ten opzichte van het restaurant, moet elk vast frituurtoestel, bak- en braadtoestel voorzien worden van een vaste automatische blusinstallatie die gekoppeld wordt aan een toestel dat de toevoer van energie naar deze toestellen onderbreekt.

7. Indien de machine zich in de liftschacht bevindt, dient bovenaan de liftschacht een rookdetectie-installatie geplaatst te worden. De detectie-installatie in de schacht moet zo voorzien worden dat het onderhoud en de controle ervan van buiten de schacht kunnen geschieden.

8.  De inrichting dient uitgerust met een automatische branddetectie installatie, van het type algemene bewaking. De automatische branddetectie installatie is ontworpen en uitgevoerd volgens de vigerende reglementen en normen, in het bijzonder de Belgische norm NBN S21-100. De keuze van de detectoren is aangepast aan de aanwezige risico's en in functie van een snelle ontdekking van de brand. De branddetectie installatie geeft automatisch een aanduiding van de brandmelding en de plaats ervan. De automatische branddetectie installatie dient aangevuld te worden met een manueel systeem om ontruiming te bevelen.

9.  De inrichting moet voorzien worden van veiligheidsverlichting, die onmiddellijk en automatisch in dienst treedt bij het uitvallen van de stroom.

Minimaal dienen armaturen aangebracht te worden boven elke uitgangsdeur, in alle evacuatiewegen (gangen en trappen), in de nabijheid van de brandbestrijdingsmiddelen en in alle lokalen die uitsluitend door kunstlicht bediend worden.

De veiligheidsverlichting dient verder uitgebreid te worden zodanig dat de plaatsing en de verlichtingssterkte voldoende is om een gemakkelijke ontruiming te waarborgen.

De veiligheidsverlichting moet tenminste gedurende 1 uur zonder onderbreking kunnen functioneren.

Artikel 4

Het college beslist dat de milieuvergunning ingaat op 8 november 2013 en eindigt op 8 november 2033.

Artikel 5

Het college beslist dat de vergunde inrichting in gebruik moet genomen worden binnen de 3 jaar vanaf de startdatum van de vergunning, zoniet vervalt deze vergunning van rechtswege.

Artikel 6

Dit besluit heeft in principe geen financiƫle gevolgen voor de stad of het OCMW.