Samenstelling
Aanwezig
Bart De Wever, burgemeester;
Koen Kennis, schepen;
Ludo Van Campenhout, schepen;
Claude Marinower, schepen;
Marc Van Peel, schepen;
Rob Van de Velde, schepen;
Nabilla Ait Daoud, schepen;
Liesbeth Homans, schepen;
Roel Verhaert, stadssecretaris
Afwezig
Philip Heylen, schepen;
Serge Muyters, waarnemend korpschef
Secretaris
Roel Verhaert, stadssecretaris
Voorzitter
Bart De Wever, burgemeester
2013_CBS_11426 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - Alpha nv, Ekersesteenweg 6, 2030 Antwerpen. Dossiernummer AN2013/548/IB - Goedkeuring
Motivering
Regelgeving: bevoegdheid
Artikel 36,4° van Vlarem I bepaalt dat het college een uitspraak dient te doen over een milieuvergunningsaanvraag klasse 2.
Aanleiding en context
Aanvrager: Alpha nv - Ekersesteenweg 6 - 2030 Antwerpen. De aanvraag omvat een doe-het-zelf zaak.
Argumentatie
Het college beslist op basis van het verslag van de dienst milieuvergunningen, dat als bijlage bij dit besluit is gevoegd.
Juridische grond
Het milieuvergunningendecreet van 28 juni 1985, meermaals gewijzigd, en haar uitvoeringsbesluiten (Vlarem I en II) bepalen dat niemand zonder vergunning of melding een hinderlijk inrichting mag exploiteren.
Besluit
Het college van burgemeester en schepenen beslist:
Artikel 1
Het college beslist een milieuvergunning klasse 2 goed te keuren aan Alpha nv, Ekersesteenweg 6, 2030 Antwerpen, om op de percelen gelegen te 2030 Antwerpen, Ekersesteenweg 6, een doe-het-zelf zaak te exploiteren.
Artikel 2
Het college wijst erop dat de volgende algemene en sectorale milieuvoorwaarden van toepassing zijn:
1. Algemene voorwaarden:
|
algemene milieuvoorwaarden – algemeen
|
hoofdstuk 4.1, 4.7, 4.9 en bijlagen 4.1.9.1.6, 4.1.9.2.3.1, 4.1.9.2.3.2, 4.1.9.2.3.4 en 4.8;
|
|
algemene milieuvoorwaarden – geluid
|
hoofdstuk 4.5 en bijlagen 2.2.1, 2.2.2, 4.5.1, 4.5.2, 4.5.3, 4.5.4, 4.5.5 en 4.5.6;
|
|
algemene milieuvoorwaarden – oppervlaktewater
|
hoofdstuk 4.2 en bijlagen 4.2.5.1, 4.2.5.2 en 4.2.5.4;
|
|
algemene milieuvoorwaarden – lucht
|
hoofdstuk 4.4 en bijlagen 4.4.1 tot 4.4.6. en hoofdstuk 4.10;
|
2. Sectorale voorwaarden:
|
opslag van gevaarlijke stoffen / ondergrondse en bovengrondse houders
|
afdeling 5.17.1 en bijlage 5.17.1;
|
|
opslag van gevaarlijke stoffen: bovengrondse houders
|
afdeling 5.17.3 en bijlagen 5.17.2 tot 5.17.4 en bijlage 5.17.7;
|
|
hout – algemeen
|
afdeling 5.19.1.
|
Artikel 3
Het college beslist dat de exploitant de volgende brandweervoorwaarden dient na te leven:
Brandweervoorwaarden:
- A1 Onafhankelijk van de verplichtingen aan de houder van de milieuvergunning opgelegd via de vigerende milieureglementering alsmede via het milieuvergunningsbesluit, en onverminderd de maatregelen ter voorkoming en bestrijding van brand, door de houder van de milieuvergunning te treffen in uitvoering van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden, dient de houder van de milieuvergunning reeds te voorzien in de hierna vermelde blusmiddelen voor eerste tussenkomst;
- A2 Snelblustoestellen van minstens één bluseenheid conform NBN EN 3-7 - bij voorkeur6 kgpoeder type ABC - dienen goed verdeeld aangebracht à rato van 1 toestel per150 m²(binnenruimte). Voor brandcompartimenten kleiner dan300 m²dienen er in elk geval minstens twee toestellen aanwezig te zijn. Er mogen nochtans gedeeltelijk mobiele bluseenheden of snelblustoestellen van een ander type aangewend worden op de plaatsen waar zij meer aangewezen zijn, voor zover de aangebrachte blusmiddelen minstens eenzelfde bluseenheid conform NBN EN 3-7 bezitten en evenwaardig zijn aan de bovenvermelde;
- A3 Snelblustoestellen van minstens één bluseenheid conform NBN EN 3-7 - bij voorkeur6 kgpoeder type ABC - dienen aangebracht bij elk punt of lokaal met verhoogd risico, zoals ondermeer pompen, compressoren, lasposten, belangrijke elektriciteitsborden, enz. In de inrichting dienen minstens twee toestellen aanwezig te zijn. Er mogen nochtans gedeeltelijk mobiele bluseenheden of snelblustoestellen van een ander type aangewend worden op de plaatsen waar zij meer aangewezen zijn, voor zover de aangebrachte blusmiddelen minstens eenzelfde bluseenheid conform NBN EN 3-7 bezitten en evenwaardig zijn aan de bovenvermelde;
- A4 Muurhaspels met axiale voeding (conform NBN EN 671-1) + muurhydrant (volgens de norm NBN 571 en voorzien van vaste koppelstukken doormeter45 mmvolgens KB van 30 januari 1975) met gemeenschappelijke watertoevoer met een binnendiameter van tenminste70 mmdienen op oordeelkundig gekozen plaatsen opgesteld zodanig dat elk punt van de inrichting kan bespoten worden. Hun aantal wordt zodanig bepaald dat de af te leggen afstand vanaf om het even welk punt tot het dichtst bijgelegen toestel niet meer bedraagt dan de lengte van de gebruikte haspels. De haspels dienen gevoed met een leiding onder druk zodanig dat het debiet bij de minst bedeelde haspel gelijk is aan of groter dan24 literper minuut. De leidingen voor bluswater dienen vervaardigd in staal of in een metaal dat minstens dezelfde waarborgen biedt. De geplaatste muurhaspels dienen voorzien van een vergrendeling derwijze dat men het afsluitmondstuk niet kan verwijderen zonder het openen van een handbediende afsluiter op de watertoevoer. De waterlevering moet te allen tijde, ook tijdens vorstperiode, gewaarborgd zijn.
- A5 één bovengrondse hydrant BH 100, conform NBN S 21.019, maar met afsluiters op beide uitgeefkanten van70 mmØ dient voorzien. De voeding gebeurt rechtstreeks op het net van de openbare waterbedeling, door een leiding waarvan de minimale binnendiameter150 mmbedraagt. De aansluiting op het voedingsnet dient zodanig te zijn dat het maximum debiet onmiddellijk beschikbaar is bij gebruik van de hydrant.
Artikel 4
Het college beslist dat de milieuvergunning ingaat op 15 november 2013 en eindigt op 15 november 2033.
Artikel 5
Dit besluit heeft in principe geen financiƫle gevolgen voor de stad of het OCMW.