In de meerjarenplanning zal budget voorzien worden voor de uitgaven die aan het LEZ-project verbonden zijn. Het betreft de uitgaven voor de ontwikkeling en beheer van software en databank, de installatie en onderhoud van het ANPR-netwerk, het aanbrengen van signalisatie, de communicatiecampagne en operationele kosten voor handhaving. Er zullen tevens ontvangsten voorzien worden uit de toekenning van vrijstellingen en ontheffingen en uit de inning van retributies in geval van overtreding.
Op 11 juni 2008 werden verschillende Europese richtlijnen met betrekking tot luchtkwaltiteit gebundeld in één geïntegreerde richlijn. De normen die vandaag van kracht zijn voor fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) werden in 2010 verscherpt en zullen nogmaals bijgesteld worden tegen 2015 en 2020. Met het oog op die nieuwe normen maakten de Vlaamse milieuadministratie, het gemeentelijk havenbedrijf en de stad Antwerpen in onderling overleg in 2008 een actieplan op om de uitstoot van NO2 en fijn stof in de hele agglomeratie te beperken. In 2009 liet de stad Antwerpen met steun van de Vlaamse overheid voor de agglomeratie luchtkwaliteitskaarten opmaken. Deze kaarten worden tegen eind 2013 geactualiseerd.
Op 6 mei 2011 (jaarnummer 10155) nam het college kennis van het eindrapport "voorstel van maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren en de geluidshinder te beheersen in de stad Antwerpen" zoals opgemaakt door Technum Tractebel Engineering en VITO en besliste het om een eerste selectie van maatregelen goed te keuren (jaarnummer 10156). Een belangrijk aantal van de voorgestelde maatregelen uit de studie werd opgenomen in het actieplan dat België indiende bij de Europese Commissie met het oog op het verkrijgen van uitstel voor het naleven van de strengere NO2-grenswaarden. Op 6 juli 2012 keurde de Europese Commissie het uitstel voor de Antwerpse luchtkwaliteitszones goed, op voorwaarde dat tijdig uitvoering wordt gegeven aan de extra maatregelen die in het ingediende luchtkwaliteitsplan zijn opgesomd.
In de maatregelenstudie werd aangetoond dat de meest effectieve maatregelen die door de stad zelf kunnen genomen worden, bestaan uit de invoering van een lage emissiezone en een congestietaks. De haalbaarheid van de invoering van een lage emissiezone werd in de loop van 2012 in opdracht van de stad verder onderzocht. Op 30 november 2012 (jaarnummer 12443) nam het college kennis van de resultaten van de "Haalbaarheidsstudie voor invoering en beheer van lage emissiezone(s) in de stad Antwerpen", uitgevoerd door Transport & Mobility Leuven, in samenwerking met PricewaterhouseCoopers (PwC) en de Nederlandse Organisatie voor toegepast natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO). De studie werd uitgevoerd en deels gefinancierd in het kader van het Europese JOAQUIN-project waarvan de stad Antwerpen partner is. Ze is ook te beschouwen als aanvulling en verdere concretisering van de studies die in 2011 door het departement Leefmilieu, Natuur en Energie van de Vlaamse overheid (Onderzoek naar invoering lage-emissiezones in Vlaanderen) en door het gemeentelijk havenbedrijf Antwerpen (Haalbaarheidsstudie LEZ Haven Antwerpen) zijn uitgevoerd.
De haalbaarheidsstudie wijst uit dat de invoering van een lage emissiezone tot een versnelde verbetering van de luchtkwaliteit leidt, bovenop de verwachte verbetering door de autonome verjonging van het wagenpark. Dit leidt op zijn beurt tot gezondheidsbaten. Invoering van een lage emissiezone in 2015 en verstrenging van de toegangsvoorwaarden in 2020 zou leiden tot:
De opgelegde EU-normen voor PM10 en NO2 zullen door de invoering van een LEZ nog niet gehaald worden, maar er is een aanzienlijke positieve impact op de volksgezondheid door de zeer sterke bijkomende reductie in de emissies van EC. EC is een sterk verkeersgerelateerde indicator waardoor de daling in emissies onmiddellijk leidt tot daling in de concentraties in de lucht.
Het bestuursakkoord 2013-2018 "Respect voor A" stipuleert in resolutie 159 dat de Antwerpen een lage emissiezone zal invoeren om voertuigen die niet voldoen aan bepaalde milieunormen uit de kernstad te weren.
Om de invoering van de lage emissiezone (LEZ) te kunnen voorbereiden is het noodzakelijk een aantal beleidsprincipes en -uitgangspunten te bepalen op vlak van:
1. Gebiedsafbakening, startdatum en toegangsvoorwaarden
Naar analogie met de vele voorbeelden in andere Europese steden bestaat een LEZ bij voorkeur uit een aaneengesloten zone rond het stadscentrum, afgebakend door duidelijk herkenbare fysische grenzen (Schelde, belangrijke wegen) en gekenmerkt door een hoge bevolkingsdichtheid. De haalbaarheidsstudie onderzocht diverse mogelijke afbakeningen en hield daarbij rekening met de effecten op vlak van luchtkwaliteit, de duidelijkheid en eenvoud voor de gebruiker, de handhaafbaarheid, de mogelijkheden voor doorgaand verkeer, de mogelijkheid tot flankerend beleid en de complementariteit met het mobiliteitsbeleid van de stad. Het meest efficiënte en effectieve gebied voor afbakening van de lage emissiezone is de zone kernstad, inclusief kaaien, Leien en Singel, met uitzondering van de wegvakken op de Singel tussen Kol. Silvertoplaan en Generaal Lemanstraat (bereikbaarheid parking Desguinlei) en tussen Turnhoutsebaan en Stenenbrug/Herentalsebaan (verbinding tussen Deurne Noord en Deurne Zuid).
De haalbaarheidsstudie gaat uit van invoering van een lage emissiezone vanaf januari 2015. Deze datum is niet realistisch gezien het uitgebreide pakket aan voorbereidend werk dat nog uitgevoerd moet worden (zie verder). Om die reden wordt 4 januari 2016 als streefdatum voor invoering van de lage emissiezone genomen.
Volgende minimale toegangsvoorwaarden worden als uitgangspunt genomen voor 2016 en 2020:
| 2016 | Personenwagen - benzine | Euro 1 |
| Personenwagen - diesel | Euro 3 + roetfilter | |
| Vrachtwagen (diesel) | Euro 3 + roetfilter | |
| 2020 |
Personenwagen - benzine |
Euro 2 |
|
Personenwagen - diesel |
Euro 5 | |
| Vrachtwagen (diesel) | Euro 5 |
Dit betekent in praktijk dat in 2016 dieselwagens ouder dan 15 jaar in principe niet meer in de kernstad worden toegelaten. Dieselwagens ouder dan 10 jaar dienen over een roetfilter te beschikken. Benzinewagens geproduceerd na 1992 kunnen de stad binnenrijden. Deze toegangsvoorwaarden zijn in overeenstemming met buitenlandse voorbeelden en aanvaardbaar op basis van de te verwachten milieueffecten en op basis van de maatschappelijke aanvaardbaarheid gegeven de samenstelling van het huidige wagenpark. Er wordt geschat dat in 2016 ruim 75% van de voertuigen voldoet, minder dan 10% niet voldoet en het resterende aandeel van ongeveer 15% kan voldoen mits het installeren van een roetfilter.
2. Praktische modaliteiten voor invoering, beheer en handhaving
In tegenstelling tot vele andere Europese landen zijn er in België nog geen steden met een lage emissiezone. Dat betekent dat op verschillende domeinen nog voorbereidend werk verricht moet worden om de invoering, het beheer en de handhaving van de lage emissiezone in Antwerpen mogelijk te maken. De verschillende aspecten waarvoor praktische modaliteiten uitgewerkt moeten worden zijn:
|
Reglementering > Aankondiging > Erkenning en ontheffing > Handhaving > Inning |
2.1. Reglementering
Er werd nagegaan welke wettelijke mogelijkheden bestaan of wenselijk zijn voor het invoeren van een lage emissiezone. Onderzochte mogelijkheden zijn: via een gemeentelijke politiereglementering, via een aanvullend verkeersregelement, via een nieuw bovenlokaal reglementair kader en via een aanpassing van de parkeerreglementering. De aanbevolen optie is het creëren van een nieuw bovenlokaal reglementair kader om een toegangsbeperking in te voeren. Dit heeft als voordeel dat de stedelijke lage emissiezone ingebed is in een hoger beleidskader en dat andere lage emissiezones op een gelijke manier zullen werken als de Antwerpse. De stad biedt daarom aan de Vlaamse en de federale overheid haar medewerking aan om dit beleidskader mee vorm te geven en Antwerpen als pilootstad te gebruiken voor de toepassing ervan.
In het geval een nieuw bovenlokaal reglementair kader niet of niet binnen afzienbare tijd tot stand komt, zal de stad haar mogelijkheden uitputten om via bestaande bevoegdheden op vlak van parkeerreglementering een lage emissiezone in te voeren.
2.2. Aankondiging
Als de LEZ ingevoerd wordt via een toegangsbeperking zijn er vier opties voor de aankondiging van de toegangsbeperking:
De beste optie bestaat erin een nieuw zonaal bord te creëren dat de toegangsvoorwaarden tot de LEZ aanduidt en cumuleerbaar is met andere zonale reglementeringen (zone 30, parkeerzone ...). De bevoegdheid voor het creëren van verkeersborden ligt bij de federale overheid en maakt deel uit van de bovenvermelde totstandkoming van een hoger reglementair kader.
In het geval een nieuw zonaal verkeersbord niet tot stand komt, zal de stad voor de aankondiging van het toegangsverbod een alternatieve oplossing uitwerken in de vorm van bordengordel met bestaande verkeersborden op de stedelijke invalswegen en of met aanduiding van de bijkomende voorwaarden voor parkeren.
2.3. Erkenning en ontheffing
Voertuigen die conform de toegangsvoorwaarden zijn, kunnen vrij en zonder kosten de LEZ betreden. Voor de erkenning en registratie van de voertuigen die toegelaten worden in de LEZ bestaan diverse mogelijkheden:
De voorkeur van de stad gaat uit naar centraal LEZ-registratiesysteem gekoppeld aan bestaande databanken. In België ingeschreven voertuigen die bij inschrijving voldeden aan de toegangsvoorwaarden dienen geen verdere stappen te ondernemen om de LEZ te betreden. Andere voertuigen, zoals wagens waarin achteraf een roetfilter is geïnstalleerd of buitenlandse voertuigen, zullen zich vooraf via een website dienen te registreren. Zo is de erkenning en registratie van alle toegelaten voertuigen en vervolgens de geautomatiseerde handhaving (zie verder) mogelijk. De ontwikkeling van de LEZ-databank wordt mee opgenomen in de samenwerking met de hogere overheden. Bij de invoering van de LEZ zullen de LEZ-toegangsvoorwaarden ook van toepassing zijn op de bewonerskaarten die in de kernstad uitgereikt worden.
De stad wil vrijstellingen en ontheffingen toestaan voor doelgroepen die onevenredige lasten oplopen door de invoering van de LEZ. Voor voertuigen met een ontheffing wordt de LEZ voor een bepaalde periode, al dan niet tegen betaling, vrij toegankelijk. De ontheffingen zijn belangrijk voor het maatschappelijk draagvlak voor de LEZ. Tegelijk zal het aantal uitgereikte ontheffingen beperkt blijven om de milieueffecten van de LEZ niet te sterk te ondermijnen. De precieze modaliteiten voor vrijstelling en ontheffing worden in de voorbereidingsfase vastgelegd.
2.4. Handhaving en inning
Door gebruik te maken van een centrale LEZ-databank kan de handhaving georganiseerd worden via een netwerk van camera's met automatische nummerplaatcontrole (ANPR: automatic number plate recognition) op in- en uitgaand verkeer. Voertuigen die niet in de LEZ-databank zijn opgenomen, worden dan gesignaleerd door een ANPR-camera aan één van de invalswegen. De initiële investeringskost van deze vorm van handhaving ligt hoger, maar de operationele kosten zijn beduidend lager dan bij visuele controle van vignetten of geparkeerde voertuigen. Het is bovendien een sluitend systeem met hoge effectiviteit (pakkans) en sluit aan bij andere stedelijke projecten met ANPR-camera's.
Voertuigen die niet conform zijn met de toegangsvoorwaarden en niet beschikken over een vrijstelling of ontheffing zullen beboet worden. De inning kan op verscheidene manieren gebeuren, afhankelijk van de totstandkoming van het bovenvermeld reglementair kader. De stad zal de federale overheid vragen om de bevoegdheid voor de inning te delegeren naar het lokaal bestuur.
2.5. Communicatie en flankerend beleid
De invoering van de LEZ zal ondersteund worden met een langlopende informatiecampagne zodat alle voertuiggebruikers die door de LEZ gevat kunnen worden tijdig op de hoogte zijn van doel en uitwerking van de LEZ, de toegangsvoorwaarden en hoe zij zich hieraan kunnen aanpassen. Ook de maatschappelijke baten door de verbeterde luchtkwaliteit komen in de communicatie aan bod. De LEZ zal tevens deel uitmaken van het gehele mobiliteitsbeleid van de stad.
3. Projectaanpak
Er wordt een politieke stuurgroep samengesteld om de invoering van de LEZ in goede banen te leiden. De stuurgroep bestaat uit de burgemeester en schepenen of hun afgevaardigden bevoegd voor politie en veiligheid, mobiliteit, leefmilieu, publiek domein en haven.
Een ambtelijke kerngroep staat in voor de (coördinatie van de) praktische uitwerking van de verschillende werkpakketten. Zij bestaat uit :
Het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie en het Agentschap Wegen en Verkeer van de Vlaamse overheid worden als externen bij de kerngroep betrokken om maximale afstemming en synergie te realiseren.
Thematische werkgroepen worden in de loop van het project samengesteld naargelang noodzaak.
De planning op hoofdlijnen omvat:
Het college keurt goed dat een lage emissiezone wordt ingevoerd vanaf 4 januari 2016.
Het college keurt goed dat de lage emissiezone het gebied van de kernstad omvat, inclusief kaaien, Leien en Singel, met uitzondering van de wegvakken op de Singel tussen Kolonel Silvertoplaan en Generaal Lemanstraat en tussen Turnhoutsebaan en Stenenbrug/Herentalsebaan.
Het college keurt goed dat in de lage emissiezone vanaf de datum van invoering voertuigen in geval van diesel dienen te beschikken over een motor volgens Euro 3 norm plus roetfilter en Euro 1 norm in geval van benzine en dat vanaf 1 januari 2020 voor alle dieselvoertuigen de Euro 5 norm en voor benzinewagens de Euro 2 norm geldt.
Het college keurt het principe goed dat de stedelijke lage emissiezone bij voorkeur georganiseerd wordt in samenspraak met en conform het daartoe door de federale en Vlaamse overheid op te maken reglementair kader met betrekking tot juridische basis, aankondiging met specifiek verkeersbord, erkenning en registratie van voertuigen en bevoegdheid tot handhaving en inning.
Het college keurt de samenstelling van een stuurgroep bestaande uit de burgemeester en schepenen of hun afgevaardigden bevoegd voor politie en veiligheid, mobiliteit, leefmilieu, publiek domein en haven goed.
Het college keurt de samenstelling van een kerngroep voor de praktische uitwerking van de lage emissiezone bestaande uit vertegenwoordigers van stadsontwikkeling, lokale politie, Digipolis, ondernemen en stadsmarketing, samen leven, financiën, gemeentelijk havenbedrijf, departement Leefmilieu, Natuur en Energie en Agentschap Wegen en Verkeer goed.