Artikel 36,4° van Vlarem I bepaalt dat het college een uitspraak dient te doen over een milieuvergunningsaanvraag klasse 2.
Aanvrager: Antwerp Bulk Terminal nv - Nieuwe Westweg 14, haven 750, 2040 Antwerpen. De aanvraag omvat de wijziging en uitbreiding van een inrichting voor het breken en drogen van kaolien.
Het college beslist op basis van het verslag van de dienst milieuvergunningen, dat als bijlage bij dit besluit is gevoegd.
Het milieuvergunningendecreet van 28 juni 1985, meermaals gewijzigd, en haar uitvoeringsbesluiten (Vlarem I en II) bepalen dat niemand zonder vergunning of melding een hinderlijk inrichting mag exploiteren.
Het college beslist een milieuvergunning klasse 2 goed te keuren aan Antwerp Bulk Terminal nv, Nieuwe Westweg 14, 2040 Antwerpen, om op de percelen gelegen te 2030 Antwerpen, Rostockweg 6, haven 316-330, een inrichting voor het drogen en het breken van kaolien te wijzigen en uit te breiden.
Het college wijst erop dat de volgende algemene en sectorale milieuvoorwaarden van toepassing zijn:
Algemene voorwaarden:
|
algemene milieuvoorwaarden – hoofdstuk 4.1, 4.7, 4.9 en bijlagen 4.1.9.1.6, 4.1.9.2.3.1, 4.1.9.2.3.2, 4.1.9.2.3.4 en 4.8; |
|
algemene milieuvoorwaarden, geluid – hoofdstuk 4.5 en bijlagen 2.2.1, 2.2.2, 4.5.1, 4.5.2,4.5.3, 4.5.4, 4.5.5 en 4.5.6; |
|
algemene milieuvoorwaarden, lucht – hoofdstuk 4.4. en bijlagen 4.4.1 tot 4.4.6 en hoofdstuk 4.10; |
|
algemene milieuvoorwaarden, licht – hoofdstuk 4.6. |
Sectorale voorwaarden:
|
elektriciteit – hoofdstuk 5.12; |
|
gassen – gemeenschappelijke bepalingen – afdeling 5.16.1 en bijlage 5.16.5; |
|
gassen – koelinrichtingen / compressoren – afdeling 5.16.3; |
|
gassen – opslagplaatsen in verplaatsbare recipiënten – afdeling 5.16.5. en bijlagen 5.16.1 en 5.16.2; |
|
bouwmaterialen en minerale producten – algemene bepalingen – afdeling 5.30.0; |
|
niet in rubriek 2 en 28 begrepen verbrandingsinrichtingen – algemene bepalingen en immissiecontroleprocedures – afdeling 5.43.1 en 5.43.4; |
|
niet in rubriek 2 en 28 begrepen verbrandingsinrichtingen – stookinstallaties, met uitzondering van gasturbines en stoom- en gasturbine-installaties – kleine stookinstallaties (300 kW - 5 MW) – subafdeling 5.43.2.3. |
Het college beslist dat de exploitant de volgende bijzondere en brandweervoorwaarden dient na te leven:
Bijzondere milieuvoorwaarde:
Brandweervoorwaarden:
Voorwaarden opgelegd in de bouwvergunning 2007.0160 advies H.0012.A3.0006
Bluswatervoorziening buiten de opslagplaatsen
Rondom de opslagplaatsen dienen bovengrondse hydranten opgesteld te worden en dit in overleg met de brandweer. Deze hydranten moeten:
De aansluiting op het voedingsnet dient zodanig te zijn dat het maximumdebiet onmiddellijk beschikbaar is bij gebruik van de hydranten.
Op de ringleiding dienen op oordeelkundige plaatsen afsluiters aangebracht zodat bij een mogelijke breuk, het getroffen gedeelte kan afgesloten worden, zonder de totale watervoorziening in gedrang te brengen.
De leidingen dienen vervaardigd uit staal of uit een materiaal dat dezelfde waarborgen biedt. Ter staving dienen de nodige rapporten voorgelegd te worden.
De bluswatervoorzieningen rondom de magazijnen mogen achterwege gelaten worden zolang het magazijn uitsluitend voor de opslag van inerte materialen wordt gebruikt.
Van zodra het magazijn geheel of gedeeltelijk benut wordt voor de opslag van andere goederen dienen de bluswatervoorzieningen rondom de magazijnen te worden aangebracht en dit voorafgaand aan het gewijzigd gebruik van het magazijn.
Bluswatervoorzieningen binnen de opslagplaatsen
In de opslagplaatsen moet een natte bluswaterleiding van 70 mm diameter geplaatst worden, aangesloten op het hoger vermelde voedingsnet door middel van een buis van minstens 75 mm.
Op deze leiding dienen muurhaspels met axiale voeding (conform NBN 671-1) + muur-hydrant (volgens NBN 571 en voorzien van koppelstukken 45 mm volgens het Koninklijk Besluit van 30 januari 1975) aangesloten te worden, al dan niet voorzien van een schuiminstallatie, dit in functie van de opgeslagen producten.
Hun aantal en plaats wordt zodanig bepaald dat ieder punt van het compartiment kan bereikt worden door de stralen van twee straalpijpen.
De leiding die de toestellen voedt met water onder druk, heeft de volgende kenmerken:
de binnendiameter en de voedingsdruk moeten zodanig zijn dat de druk aan de minst bedeelde haspel beantwoordt aan de voorschriften van NBN 671-1, ermee rekening houdend dat 3 haspels met axiale voeding gelijktijdig moeten kunnen werken.
De toestellen worden zonder voorafgaande bediening gevoed met water. Deze druk bedraagt ten minste 2,5 bar op het meest ongunstige punt.
De bluswatervoorzieningen binnen het magazijn mogen achterwege gelaten worden zolang het magazijn uitsluitend voor de opslag van inerte materialen wordt gebruikt.
Van zodra het magazijn geheel of gedeeltelijk benut wordt voor de opslag van andere goederen dienen de bluswatervoorzieningen binnen het magazijn te worden aangebracht en dit voorafgaand aan het gewijzigd gebruik van het magazijn.
Sprinkler installatie
In de beide loodsen dient een aan het risico aangepast automatisch blussysteem voorzien te worden. Dit sprinklersysteem dient uitgevoerd volgens de gangbare normen of voorschriften (Belgische of naburig land).
De installatie van dit sprinklersysteem mag achterwege gelaten worden zolang het magazijn uitsluitend voor de opslag van inerte materialen wordt gebruikt. Van zodra het magazijn geheel of gedeeltelijk benut wordt voor de opslag van andere goederen dient het automatisch blussysteem te worden aangebracht en dit voorafgaand aan het gewijzigd gebruik van het magazijn.
Snelblustoestellen
In dit specifieke project moeten volgende snelblustoestellen minimaal voorzien worden in de loodsen:
Bijkomende voorwaarden in het kader van de aanvraag tot milieuvergunning klasse 2 van 8 juli 2013.
Snelblustoestellen van minstens één bluseenheid conform NBN EN 3-7 - bij voorkeur 9 kg poeder type ABC - dienen aangebracht bij elk punt of lokaal met verhoogd risico, meer bepaald:
Een snelblustoestel van 5 kg CO2 - ½ bluseenheid conform NBN EN 3-7 - dient aangebracht nabij:
Het college beslist dat de milieuvergunning ingaat op 20 september 2013 en eindigt op 1 januari 2025.