Terug

2013_CBS_09580 - Kunstenbeleid - Subsidiereglementen impulssubsidies en 'kunst maakt de stad' - Goedkeuring

college van burgemeester en schepenen
vr 04/10/2013 - 09:00 Collegezaal, stadhuis
Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig

Bart De Wever, burgemeester; Koen Kennis, schepen; Philip Heylen, schepen; Ludo Van Campenhout, schepen; Claude Marinower, schepen; Marc Van Peel, schepen; Rob Van de Velde, schepen; Nabilla Ait Daoud, schepen; Liesbeth Homans, schepen; Roel Verhaert, stadssecretaris

Afwezig

Serge Muyters, waarnemend korpschef

Secretaris

Roel Verhaert, stadssecretaris

Voorzitter

Bart De Wever, burgemeester
2013_CBS_09580 - Kunstenbeleid - Subsidiereglementen impulssubsidies en 'kunst maakt de stad' - Goedkeuring 2013_CBS_09580 - Kunstenbeleid - Subsidiereglementen impulssubsidies en 'kunst maakt de stad' - Goedkeuring

Motivering

Regelgeving: bevoegdheid

Volgens art 42 §3 van het Gemeentedecreet van 15 juli 2005 is het de gemeenteraad die de gemeentelijke reglementen vaststelt.

Inspraak

Het Antwerps Kunstenoverleg (AKO) heeft de reglementen in ontwerpbesluit toegezonden gekregen op 22 juli 2013. Op 30 augustus 2013 heeft de kunstenbeleidscoördinator overleg gepleegd met de verantwoordelijken van het Antwerps Kunstenoverleg. De input die tijdens deze vergadering werd geformuleerd werd meegenomen in de definitieve reglementen.

Aanleiding en context

Antwerpen kiest voor een kwaliteitsvol hedendaags kunstenbeleid. Daarbij staan artistieke relevantie en kwaliteit centraal.

De interne staatshervorming bepaalt dat er slechts twee overheden een toelage kunnen toekennen binnen een bepaald beleidsdomein. Voor kunstenorganisaties is de belangrijkste subsidiërende instantie de Vlaamse overheid. Ze reikt subsidies uit via een agentschap (in Antwerpen: het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten), via de grote culturele instellingen (in Antwerpen: de Vlaamse Opera en het Koninklijk Ballet van Vlaanderen, deSingel, M HKA, deFilharmonie) of via het Kunstendecreet. Hier ondersteunt ze op een structurele manier de werking van deze kunstorganisaties.

Het Antwerpse kunstbeleid is het meest transparant wanneer het zich complementair opstelt tegenover dit Vlaamse beleid. Die complementariteit kan zich op drie manieren uiten:

  • Impulssubsidies: kunstenaars en organisaties die geen structurele en decretale toelage ontvangen vanuit Vlaanderen, de kansen geven zich te ontwikkelen tot een voor Vlaanderen subsidiabele kunstenorganisatie. Het betreft hier impulssubsidies die zorgen voor de nodige instroom van nieuwe initiatieven, met een sterke lokale verankering en waarvan de betekenis overwegend lokaal is. Omdat in het verleden bleek dat het traject naar een subsidiëring binnen het Kunstendecreet soms langer duurt en het niet steeds mogelijk is om jaar na jaar te spreken van projecten, voorziet dit reglement ook de mogelijkheid om deze opstartende werkingen een meerjarige projectsubsidie te verschaffen. Dit naar analogie van het nieuwe Kunstendecreet waarin ook meerjarige projectsubsidies voorzien zijn. De praktijk leert dat projecten meerjarig kunnen zijn en dat een meerjarig initiatief niet hoeft samen te vallen met het uitbouwen van een structurele werking. Deze meerjarige projectsubsidie kan voor een periode van twee of drie jaar toegekend worden;
  • Kunst maakt de stad-subsidie: kunstenorganisaties die structureel betoelaagd worden door Vlaanderen, kunnen beroep doen op toelagen van de stad en dit op een projectmatige basis. Bij deze wordt ervan uit gegaan dat de werkingssubsidie die de organisatie krijgt binnen het Vlaamse kunstendecreet voldoende hoog is om de personeels- en werkingskosten die voorvloeien uit een structurele activiteit die een continue en permanent karakter vertoont, te financieren. De complementariteit ligt hier in de specifieke bijdrage die deze organisaties kunnen leveren aan de Antwerpse beleidsdoelstellingen.
  • culturele basisinfrastructuur: een bijzondere vorm van complementariteit is er wanneer, omwille van veelal historische; redenen, de stad ongeacht andere overheden, zelf initiatief en verantwoordelijkheid wil nemen voor bepaalde organisaties. Deze organisaties vormen de culturele basisinfrastructuur van de stad.

Door het invoeren van deze regeling realiseert de stad Antwerpen een transparant subsidiebeleid voor de kunstensector dat complementair is aan het beleid van de Vlaamse Gemeenschap, meer bepaald met voornamelijk het kunstendecreet, maar ook met het decreet lokaal cultuurbeleid en het erfgoeddecreet.

Argumentatie

De stad Antwerpen voert een stedelijk kunstenbeleid dat complementair is aan het beleid van de Vlaamse Gemeenschap, meer bepaald met voornamelijk het Vlaamse kunstendecreet, maar ook met het lokaal cultuurdecreet en erfgoeddecreet. Afstemming en overleg tussen de diverse bestuursniveaus (Vlaamse Gemeenschap, provincie en stad) schept meer duidelijkheid en minder dossierlast voor de diverse actoren binnen het stedelijke kunstenlandschap.

Doel van het stedelijke kunstenbeleid is het stimuleren van de diversiteit en de dynamiek binnen het Antwerpse kunstenlandschap, met de nodige aandacht voor alle kunstdisciplines en voor zowel reeds gevestigde actoren als voor instroom van nieuwe talenten. Het versterken van de positie van Antwerpen als de culturele hoofdstad van Vlaanderen met een internationale uitstraling is de drijfveer. Samenwerking tussen verschillende partners is een middel om deze ambities waar te maken. Aandacht voor lokale Antwerpse noden is belangrijk alsook een zo breed en divers mogelijk publieksbereik. Tot slot is ook de verhouding van de kunstensector tot het brede socio-culturele veld een aandachtspunt. Het ontwikkelde subsidiebeleid is deels ook onderdeel van het decreet lokaal cultuurbeleid in zoverre het cultuurparticipatie bevordert en vorm geeft aan een geïntegreerd kunstenbeleid. 

De subsidies van het Antwerpse kunstenbeleid bevatten enerzijds de nominatim of structurele toelage en anderzijds de projecttoelage (niet nominiatim toelage).

Het nieuwe subsidiehuis voor de kunstensector is opgebouwd uit drie delen. Eén binnen de nominatim toelage en twee binnen de niet nominatim toelage:

  • de stedelijke culturele basisinfrastructuur: het gaat hier om kunstinstellingen waar de stad, historisch gezien onafhankelijk van het Kunstendecreet, initiatiefnemer van was en/of proportioneel veel in investeert: Het Toneelhuis, HETPALEIS, de Vlaamse Opera en het Koninklijk Ballet van Vlaanderen, deFilharmonie, AMUZ, de Zomer van Antwerpen, Antwerpen Open, Prospekta. Het zijn grootschalige initiatieven met een nationale en internationale uitstraling die een belangrijke symboolwaarde in het ruimere cultuurbeleid hebben. Daarnaast kunnen ook andere artistieke organisaties toegevoegd worden aan de stedelijke culturele basisinfrastructuur, en dit vanuit hun belang voor de stad. De structurele subsidies aan deze instellingen worden nominatim in de begroting ingeschreven. Met deze organisaties wordt een beheersovereenkomst afgesloten, in principe voor een duurtijd die samenvalt met die van een beleidsperiode;
  • impulssubsidies: zijn projectsubsidies waarmee de stad een ad hoc circuit van flexibele kunst- en cultuurprojecten mogelijk maakt en waarbinnen ruimte is voor steeds nieuwe spelers in het veld. Ook jonge beginnende kunstenorganisaties kunnen binnen het impulsreglement een aanvraag tot een meerjarige projectsubsidie indienen. Hiermee is het de bedoeling om startende kunstorganisaties met een beginnende vaste structuur en een aanzet tot een continue werking een opstart te geven naar een structurele erkenning en subsidiëring binnen het Vlaamse Kunstendecreet. Op basis van een door de gemeenteraad goedgekeurd reglement wijst het college van burgemeester en schepenen impulssubsidies toe;
  • projectsubsidie voor bijdragen aan Antwerpse stedelijke prioriteiten: Antwerpse kunstorganisaties die structureel gesubsidieerd worden binnen het Vlaamse kunstendecreet, het decreet lokaal cultuurbeleid, het cultureel-erfgoeddecreet of het statuut hebben van Grote Vlaamse Kunstinstelling kunnen op projectmatige basis financieel ondersteund worden. Met als motto ‘Kunst maakt de stad’ worden kunstenorganisaties die decretaal (en dus Vlaams) structureel betoelaagd worden uitgenodigd projecten in te dienen of specifieke werkingen te ontplooien die bijdragen aan de stedelijke prioriteiten inzake kunst, cultuur, stadsontwikkeling en sociaal beleid.

Juridische grond

  • De wet van 14 november 1983 over de controle op de toekenning en aanwending van toelagen;

  • Het kunstendecreet van 2 april 2004, laatst gewijzigd op 18 juli 2008;

  • Het reglement op de toelagen goedgekeurd door de gemeenteraad van de stad Antwerpen op18 december 2006 (jaarnummer 2730);

  • Het decreet lokaal cultuurbeleid van 6 juli 2012.

  • Het cultureel-erfgoeddecreet van 6 juli 2012.

Beleidsdoelstellingen

5 - Bruisende stad
De kunsten en kunstenaars zijn de motor voor vernieuwing en creatie en zorgen mee dat Antwerpen één van de culturele hoofdsteden in Europa blijft
Antwerpen maakt kunst mogelijk
Het kunstenbeleid ondersteunt nieuwe creaties en zorgt voor een instroom aan nieuw talent en organisaties
5 - Bruisende stad
De kunsten en kunstenaars zijn de motor voor vernieuwing en creatie en zorgen mee dat Antwerpen één van de culturele hoofdsteden in Europa blijft
Antwerpen toont kunst
Kunstorganisaties worden klantgericht ondersteund door middel van een transparante subsidieregeling. Met de grote kunstorganisaties worden beheersovereenkomsten afgesloten

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen legt het volgende voor aan de gemeenteraad:

Artikel 1

De gemeenteraad keurt goed om het voorgaande subsidiereglement op de projectsubsidies lokaal cultuurbeleid (GR_139_Lokaal Cultuurbeleid. Wijziging subsidiereglement 28/01/2008) in te trekken.

Artikel 2

De gemeenteraad keurt het reglement Impulssubsidies kunsten goed.

Artikel 3

De gemeenteraad keurt het subsidiereglement 'Kunst maakt de stad' - toelage voor bijdragen aan Antwerpse stedelijke prioriteiten door kunstenorganisaties die decretaal gesubsidieerd worden - goed.

Artikel 4

Dit besluit heeft in principe geen financiële gevolgen voor de stad of het OCMW.

Bijlagen