Samenstelling
Aanwezig
Bart De Wever, burgemeester;
Koen Kennis, schepen;
Philip Heylen, schepen;
Ludo Van Campenhout, schepen;
Claude Marinower, schepen;
Marc Van Peel, schepen;
Rob Van de Velde, schepen;
Nabilla Ait Daoud, schepen;
Liesbeth Homans, schepen;
Roel Verhaert, stadssecretaris
Afwezig
Serge Muyters, waarnemend korpschef
Secretaris
Roel Verhaert, stadssecretaris
Voorzitter
Bart De Wever, burgemeester
2013_CBS_08866 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - Bouwonderneming Vooruitzicht nv, Solvynsstraat 80, 2018 Antwerpen. Dossiernummer AN2013/336/IB - Goedkeuring
Motivering
Regelgeving: bevoegdheid
Artikel 36,4° van Vlarem I bepaalt dat het college een uitspraak dient te doen over een milieuvergunningsaanvraag klasse 2.
Aanleiding en context
Aanvrager: Bouwonderneming Vooruitzicht nv - Leopold De Waelplaats 26 - 2000 Antwerpen. De aanvraag omvat een nieuw rust- en verzorgingstehuis.
Argumentatie
Het college beslist op basis van het verslag van de dienst milieuvergunningen, dat als bijlage bij dit besluit is gevoegd.
Juridische grond
Het milieuvergunningendecreet van 28 juni 1985, meermaals gewijzigd, en haar uitvoeringsbesluiten (Vlarem I en II) bepalen dat niemand zonder vergunning of melding een hinderlijk inrichting mag exploiteren.
Besluit
Het college van burgemeester en schepenen beslist:
Artikel 1
Het college beslist een milieuvergunning klasse 2 goed te keuren aan Bouwonderneming Vooruitzicht nv, Leopold De Waelplaats 26, 2000 Antwerpen, om op de percelen gelegen te 2018 Antwerpen, Solvynsstraat 80, een nieuw rust- en verzorgingstehuis te exploiteren.
Artikel 2
Het college wijst erop dat de volgende algemene en sectorale milieuvoorwaarden van toepassing zijn:
Algemene en sectorale milieuvoorwaarden:
|
algemene milieuvoorwaarden - algemeen
|
hoofdstuk 4.1 , 4.7, 4.9 en bijlagen 4.1.9.1.6, 4.1.9.2.3.1, 4.1.9.2.3.2, 4.1.9.2.3.4 en 4.8;
|
|
algemene milieuvoorwaarden – geluid
|
hoofdstuk 4.5 en bijlagen 2.2.1, 2.2.2, 4.5.1, 4.5.2 ,4.5.3, 4.5.4, 4.5.5 en 4.5.6;
|
|
algemene milieuvoorwaarden – oppervlaktewater
|
hoofdstuk 4.2 en bijlagen 4.2.5.1, 4.2.5.2 en 4.2.5.4;
|
|
algemene milieuvoorwaarden – lucht
|
hoofdstuk 4.4 en bijlagen 4.4.1 tot 4.4.6. en hoofdstuk 4.10;
|
|
algemene milieuvoorwaarden – licht
|
hoofdstuk 4.6;
|
|
bedrijfsafvalwaters sector 60
|
afdeling 5.3.2 en bijlage 5.3.2;
|
|
elektriciteit
|
hoofdstuk 5.12;
|
|
gassen – gemeenschappelijke bepalingen
|
hoofdstuk 5.16.1 en bijlage 5.16.5;
|
|
gassen – koelinrichtingen/compressoren
|
hoofdstuk 5.16.3;
|
|
niet in rubriek 2 en 28 begrepen verbrandingsinrichtingen - algemene bepalingen en immissiecontroleprocedures
|
hoofdstuk 5.43.1 + 5.43.4;
|
|
niet in rubriek 2 en 28 begrepen verbrandingsinrichtingen - stookinstallaties, met uitzondering van gasturbines en stoom- en gasturbine-installaties – kleine stookinstallaties (300 kW - 5 MW)
|
hoofdstuk 5.43.2.3;
|
|
wasserijen
|
hoofdstuk 5.46;
|
|
ziekenhuizen
|
hoofdstuk 5.49.
|
Artikel 3
Het college beslist dat de exploitant de volgende bijzondere en brandweervoorwaarden dient na te leven:
Bijzondere voorwaarden:
- zodra geweten is waar en welke gevaarlijke stoffen zullen opgeslagen worden in kleine hoeveelheden, dient rubriek 17.4 aangemeld te worden.
- zodra dit beschikbaar is, dient een attest van voorlopige erkenning van het RVT door de Vlaamse Overheid aangeleverd te worden aan de dienst milieuvergunningen van de stad Antwerpen (p/a Grote Markt 1, 2000 Antwerpen). Na maximum twee jaar dient de definitieve erkenning bezorgd te worden.
Brandweervoorwaarden:
Onafhankelijk van de verplichtingen aan de houder van de milieuvergunning opgelegd via de vigerende milieureglementering alsmede via het milieuvergunningsbesluit, en onverminderd de maatregelen ter voorkoming en bestrijding van brand, door de houder van de milieuvergunning te treffen in uitvoering van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden, dient de houder van de milieuvergunning reeds te voorzien in de hierna vermelde blusmiddelen voor eerste tussenkomst:
- rondom de inrichting dienen langs de straatzijde, op onderlinge afstanden van circa 80 meter, bovengrondse hydranten, van het type BH 100, volgens de norm NBN S 21.019 geplaatst te worden, welke mogen aangesloten worden, met een aansluiting van het directe type op een leiding van minimaal 6" hetzij op het net van de openbare waterleiding, hetzij in eigen beheer gevoed, waarbij tenminste gedurende 2 uren voldoende waterdebiet onder de vereiste druk kan geleverd worden. De uitgeefkanten van 70 mm Ø dienen bijkomend met gepaste afsluitkranen te worden uitgerust. De aansluiting op het voedingsnet dient zodanig te zijn dat het maximum debiet onmiddellijk beschikbaar is bij gebruik van de hydranten.
- muurhaspels met axiale voeding (conform NBN EN 671-1) + muurhydrant (volgens de norm NBN 571 en voorzien van vaste koppelstukken doormeter 45 mm volgens KB van 30 januari 1975) met gemeenschappelijke watertoevoer met een binnendiameter van tenminste 70 mm dienen op oordeelkundig gekozen plaatsen opgesteld zodanig dat elk punt van de inrichting kan bespoten worden. Hun aantal wordt zodanig bepaald dat de af te leggen afstand vanaf om het even welk punt tot het dichtst bijgelegen toestel niet meer bedraagt dan de lengte van de gebruikte haspels. De haspels dienen gevoed met een leiding onder druk zodanig dat het debiet bij de minst bedeelde haspel gelijk is aan of groter dan 24 liter per minuut. De leidingen voor bluswater dienen vervaardigd in staal of in een metaal dat minstens dezelfde waarborgen biedt. De geplaatste muurhaspels dienen voorzien van een vergrendeling derwijze dat men het afsluitmondstuk niet kan verwijderen zonder het openen van een handbediende afsluiter op de watertoevoer.
- snelblustoestellen van het type 6 kg poeder ABC dienen aangebracht a rato van 1 toestel per 150 m². De toestel dienen geplaatst op volgende plaatsen: minimum 1 toestel nabij elke haspel; minimum 2 in elke commerciële ruimte; de overige dienen verspreid opgesteld te worden. Er mogen snelblustoestellen van een ander type aangewend worden op de plaatsen waar zij meer aangewezen zijn, voor zover de aangebrachte blusmiddelen minstens evenwaardig zijn aan de bovenvermelde.
- snelblustoestellen van het type 5 kg CO2 dienen aangebracht op volgende plaatsen:
- aan de hoogspanningscabine (indien aanwezig);
- in de omgeving van elk belangrijk elektriciteitsbord;
- in de technische ruimten.
- het gebouw dient uitgerust te worden met een automatische branddetectie installatie, van het type algemene bewaking. De automatische branddetectie installatie is ontworpen en uitgevoerd volgens de vigerende reglementen en normen, in het bijzonder de Belgische norm NBN S21-100. De keuze van de detectoren is aangepast aan de aanwezige risico's en in functie van een snelle ontdekking van de brand. De branddetectie installatie geeft automatisch een aanduiding van de brandmelding en de plaats ervan.
Artikel 4
Het college beslist dat de milieuvergunning ingaat op 6 september 2013 en eindigt op 6 september 2033.
Artikel 5
De vergunde inrichting dient in gebruik genomen te worden binnen de 3 jaar vanaf de datum van deze vergunning, zoniet vervalt deze vergunning van rechtswege.
Artikel 6
Dit besluit heeft in principe geen financiƫle gevolgen voor de stad of het OCMW.