Terug

2013_CBS_08867 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - Belgian Laser Company nv - Bredastraat 153 - 2060 Antwerpen. Dossiernummer AN2013/414/IB - Goedkeuring

college van burgemeester en schepenen
vr 06/09/2013 - 09:00 Collegezaal, stadhuis
Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig

Bart De Wever, burgemeester; Koen Kennis, schepen; Philip Heylen, schepen; Ludo Van Campenhout, schepen; Claude Marinower, schepen; Marc Van Peel, schepen; Rob Van de Velde, schepen; Nabilla Ait Daoud, schepen; Liesbeth Homans, schepen; Roel Verhaert, stadssecretaris

Afwezig

Serge Muyters, waarnemend korpschef

Secretaris

Roel Verhaert, stadssecretaris

Voorzitter

Bart De Wever, burgemeester
2013_CBS_08867 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - Belgian Laser Company nv - Bredastraat 153 - 2060 Antwerpen. Dossiernummer AN2013/414/IB - Goedkeuring 2013_CBS_08867 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - Belgian Laser Company nv - Bredastraat 153 - 2060 Antwerpen. Dossiernummer AN2013/414/IB - Goedkeuring

Motivering

Regelgeving: bevoegdheid

Artikel 36,4° van Vlarem I bepaalt dat het college een uitspraak dient te doen over een milieuvergunningsaanvraag klasse 2.

Aanleiding en context

Aanvrager: Belgian Laser Company nv - Rigastraat 31 - 2000 Antwerpen. De aanvraag omvat een inrichting voor het vervaardigen van producten uit metaal.

Argumentatie

Het college beslist op basis van het verslag van de dienst milieuvergunningen, dat als bijlage bij dit besluit is gevoegd.

Juridische grond

Het milieuvergunningendecreet van 28 juni 1985, meermaals gewijzigd, en haar uitvoeringsbesluiten (Vlarem I en II) bepalen dat niemand zonder vergunning of melding een hinderlijke inrichting mag exploiteren.

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college beslist een milieuvergunning klasse 2 goed te keuren aan Belgian Laser Company nv, Rigastraat 31, 2000 2000 Antwerpen, om op de percelen gelegen op het adres 2060 Antwerpen, Bredastraat 153, een inrichting voor het vervaardigen van producten uit metaal te exploiteren.

Artikel 2

Het college wijst erop dat de volgende algemene en sectorale milieuvoorwaarden van toepassing zijn:

Algemene en sectorale voorwaarden

algemene milieuvoorwaarden – algemeen

hoofdstuk 4.1, 4.7, 4.9 en bijlagen 4.1.9.1.6, 4.1.9.2.3.1, 4.1.9.2.3.2, 4.1.9.2.3.4 en 4.8;

algemene milieuvoorwaarden – geluid

hoofdstuk 4.5 en bijlagen 2.2.1, 2.2.2, 4.5.1, 4.5.2, 4.5.3, 4.5.4, 4.5.5 en 4.5.6;

algemene milieuvoorwaarden – oppervlaktewater

hoofdstuk 4.2 en bijlagen 4.2.5.1, 4.2.5.2 en 4.2.5.4;

algemene milieuvoorwaarden – lucht

hoofdstuk 4.4 en bijlagen 4.4.1 tot 4.4.6. en hoofdstuk 4.10;

algemene milieuvoorwaarden – licht

hoofdstuk 4.6;

gassen – gemeenschappelijke bepalingen

afdeling 5.16.1 en bijlage 5.16.5;

gassen – koelinrichtingen / compressoren

afdeling 5.16.3;

gassen – opslag in vaste reservoirs voor samengeperste, vloeibaar gemaakte of in oplossing gehouden gassen

afdeling 5.16.6 en bijlagen 5.16.3 en 5.16.4;

metalen

hoofdstuk 5.29.

Artikel 3

Het college beslist dat de exploitant de volgende bijzondere en brandweervoorwaarden dient na te leven:

Bijzondere voorwaarden:

  • tegen september 2014 dient de exploitant een plan te bezorgen waarop de definitieve inplanting van de vergunningsplichtige activiteiten wordt weergegeven. Dit plan wordt bezorgd aan dienst milieuvergunningen van stad Antwerpen (p/a SW/V/MV, Grote Markt 1 – 2000 Antwerpen of milieuvergunningen@stad.antwerpen.be);
  • na de verhuis van BLC nv van de Rigastraat naar de Bredastraat dient de milieuvergunning met betrekking tot de Rigastraat stopgezet te worden.

Brandweervoorwaarden:

Onafhankelijk van de verplichtingen aan de houder van de milieuvergunning opgelegd via de vigerende milieureglementering alsmede via het milieuvergunningsbesluit, en onverminderd de maatregelen ter voorkoming en bestrijding van brand, door de houder van de milieuvergunning te treffen in uitvoering van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden, dient de houder van de milieuvergunning reeds te voorzien in de hiernavermelde blusmiddelen voor eerste tussenkomst:

  • Snelblustoestellen van minstens één bluseenheid conform NBN EN 3-7 - bij voorkeur 6 kg poeder type ABC - dienen goed verdeeld aangebracht à rato van 1 toestel per 150 m² (binnenruimte). Voor brandcompartimenten kleiner dan 300 m² dienen er in elk geval minstens twee toestellen aanwezig te zijn. Er mogen nochtans gedeeltelijk mobiele bluseenheden of snelblustoestellen van een ander type aangewend worden op de plaatsen waar zij meer aangewezen zijn, voor zover de aangebrachte blusmiddelen minstens eenzelfde bluseenheid conform NBN EN 3-7 bezitten en evenwaardig zijn aan de bovenvermelde. 
  • Snelblustoestellen van minstens één bluseenheid conform NBN EN 3-7 - bij voorkeur 6 kg poeder type ABC - dienen aangebracht bij elk punt of lokaal met verhoogd risico, zoals ondermeer pompen, compressoren, lasposten, belangrijke elektriciteitsborden, enzovoort.
  • Snelblustoestellen van het type 5 kg CO2 - ½ bluseenheid conform NBN EN 3-7 - dienen in overtal aangebracht op volgende plaatsen:
    • nabij de toegang tot de hoogspanningscabine
    • in de omgeving van elk belangrijk elektriciteitsbord
    • nabij de toegang tot iedere liftmachinekamer
  • Muurhaspels met axiale voeding (conform NBN EN 671-1) + muurhydrant (volgens de norm NBN 571 en voorzien van vaste koppelstukken doormeter 45 mm volgens KB van 30 januari 1975) met gemeenschappelijke watertoevoer met een binnendiameter van tenminste 70 mm dienen op oordeelkundig gekozen plaatsen opgesteld zodanig dat elk punt van de inrichting kan bespoten worden. Hun aantal wordt zodanig bepaald dat de af te leggen afstand vanaf om het even welk punt tot het dichtst bijgelegen toestel niet meer bedraagt dan de lengte van de gebruikte haspels. De haspels dienen gevoed met een leiding onder druk zodanig dat het debiet bij de minst bedeelde haspel gelijk is aan of groter dan 24 liter per minuut. De leidingen voor bluswater dienen vervaardigd in staal of in een metaal dat minstens dezelfde waarborgen biedt. De geplaatste muurhaspels dienen voorzien van een vergrendeling derwijze dat men het afsluitmondstuk niet kan verwijderen zonder het openen van een handbediende afsluiter op de watertoevoer. De waterlevering moet te allen tijde, ook tijdens vorstperiode, gewaarborgd zijn.
  • Eén bovengrondse hydrant BH 100, conform NBN S 21.019, maar met afsluiters op beide uitgeefkanten van 70 mm Ø dient voorzien. De voeding gebeurt rechtstreeks op het net van de openbare waterbedeling, door een leiding waarvan de minimale binnendiameter 150 mm bedraagt. De aansluiting op het voedingsnet dient zodanig te zijn dat het maximum debiet onmiddellijk beschikbaar is bij gebruik van de hydrant.

 

Artikel 4

Het college beslist dat de milieuvergunning ingaat op 6 september 2013 en eindigt op 6 september 2033.

Artikel 5

Het college beslist dat de vergunde inrichting dient in gebruik te worden genomen binnen de 3 jaar vanaf de datum van deze milieuvergunning, zoniet vervalt deze milieuvergunning van rechtswege.

Artikel 6

Dit besluit heeft in principe geen financiƫle gevolgen voor de stad of het OCMW.