Terug

2013_CBS_10062 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - Tabaknatie nv, Noorderlaan 397-399, 2030 Antwerpen. Dossiernummer AN2013/493/AVG - Goedkeuring

college van burgemeester en schepenen
vr 11/10/2013 - 09:00 Collegezaal, stadhuis
Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig

Bart De Wever, burgemeester; Koen Kennis, schepen; Philip Heylen, schepen; Ludo Van Campenhout, schepen; Claude Marinower, schepen; Marc Van Peel, schepen; Rob Van de Velde, schepen; Nabilla Ait Daoud, schepen; Liesbeth Homans, schepen; Roel Verhaert, stadssecretaris

Afwezig

Serge Muyters, waarnemend korpschef

Secretaris

Roel Verhaert, stadssecretaris

Voorzitter

Bart De Wever, burgemeester
2013_CBS_10062 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - Tabaknatie nv, Noorderlaan 397-399, 2030 Antwerpen. Dossiernummer AN2013/493/AVG - Goedkeuring 2013_CBS_10062 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - Tabaknatie nv, Noorderlaan 397-399, 2030 Antwerpen. Dossiernummer AN2013/493/AVG - Goedkeuring

Motivering

Regelgeving: bevoegdheid

Artikel 36,4° van Vlarem I bepaalt dat het college een uitspraak dient te doen over een milieuvergunningsaanvraag klasse 2.

Aanleiding en context

Aanvrager: Tabaknatie nv - Van de Wervestraat 66, 2060 Antwerpen. De aanvraag omvat de uitbreiding van een op- en overslagbedrijf voor tabak.

Argumentatie

Het college beslist op basis van het verslag van de dienst milieuvergunningen, dat als bijlage bij dit besluit is gevoegd.

Juridische grond

Het milieuvergunningendecreet van 28 juni 1985, meermaals gewijzigd, en haar uitvoeringsbesluiten (Vlarem I en II) bepalen dat niemand zonder vergunning of melding een hinderlijk inrichting mag exploiteren.

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college beslist een milieuvergunning klasse 2 goed te keuren aan Tabaknatie nv, Van de Wervestraat 66, 2060 Antwerpen, om op de percelen gelegen te 2030 Antwerpen, Noorderlaan 397-399, een op- en overslagbedrijf voor tabak (magazijn Asterix) uit te breiden.

Artikel 2

Het college wijst erop dat de volgende algemene en sectorale milieuvoorwaarden van toepassing zijn:

Algemene milieuvoorwaarden:

algemene milieuvoorwaarden – hoofdstuk 4.1, 4.7, 4.9 en bijlagen 4.1.9.1.6, 4.1.9.2.3.1, 4.1.9.2.3.2, 4.1.9.2.3.4 en 4.8;

algemene milieuvoorwaarden, geluid – hoofdstuk 4.5 en bijlagen 2.2.1, 2.2.2, 4.5.1, 4.5.2,4.5.3, 4.5.4, 4.5.5 en 4.5.6;

algemene milieuvoorwaarden, lucht – hoofdstuk 4.4 en ibjlagen 4.4.1 tot 4.4.6 en hoofdstuk 4.10;

algemene milieuvoorwaarden, oppervlaktewater – hoofdstuk 4.2. en bijlagen 4.2.5.1, 4.2.5.2 en 4.2.5.4;

algemene milieuvoorwaarden, licht – hoofdstuk 4.6.

Sectorale milieuvoorwaarden:

elektriciteit – hoofdstuk 5.12;

garages, parkeerplaatsen en herstellingswerkplaatsen voor motorvoertuigen – hoofdstuk 5.15;

gassen – gemeenschappelijke bepalingen – afdeling 5.16.1 en bijlage 5.16.5;

gassen – koelinrichtingen / compressoren - afdeling 5.16.3;

opslag van gevaarlijke stoffen – algemene bepalingen – afdeling 5.17.1, en bijlage 5.17.1;

opslag van gevaarlijke stoffen – ondergrondse houders – afdeling 5.17.2 en bijlagen 5.17.2 tot 5.17.7;

opslag van gevaarlijke stoffen – bovengrondse houders – afdeling 5.17.3 en bijlagen 5.17.2 tot 5.17.4 en bijlage 5.17.7;

brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen – afdeling 5.17.5;

motoren met inwendige verbranding – hoofdstuk 5.31;

doorvoeropslagplaatsen in zeehavengebieden – hoofdstuk 5.48.

Artikel 3

Het college beslist dat de exploitant de volgende bijzondere en brandweervoorwaarden dient na te leven:

Bijzondere milieuvoorwaarde:

  • indien er ter hoogte van de tankplaats vervuild hemelwater kan ontstaan, is dit bedrijfsafvalwater dat dient geloosd te worden via een KWS-afscheider en toegevoegd te worden aan de milieuvergunning.

Brandweervoorwaarden:

Bluswatervoorziening buiten de opslagplaatsen

Rondom de opslagplaatsen dienen bovengrondse hydranten opgesteld te worden en dit in overleg met de brandweer. Deze hydranten moeten:

  • opgesteld op een onderlinge afstand van ongeveer 80 m en op een afstand van de gevel overeen te komen met de brandweer;
  • voldoen aan de norm NBN S 21-019 type BH 100;
  • worden uitgerust met afsluiters op de uitgeefkanten met een doormeter van 70 mm;
  • worden aangesloten, met een aansluiting van het directe type, op een ringleiding met een diameter aangepast aan het te bestrijden risico, doch minimaal 150 mm; hetzij op het net van de openbare waterleiding, hetzij in eigen beheer gevoed, zodat een minimale statische druk van 3 bar gegarandeerd is.

De aansluiting op het voedingsnet dient zodanig te zijn dat het maximumdebiet van 3 600 liter/minuut, onmiddellijk beschikbaar is bij afname over 2 hydranten en dit minimaal voor 2 uur. Indien dit niet voorhanden is wordt een watervoorraad van 500 m³ voorzien, voor de voeding van het hydrantennet. Deze watervoorraad staat los van de watervoorraad noodzakelijk voor het sprinklersysteem. Deze inschatting naar het noodzakelijke bluswater voor het hydrantennet is op basis van de aanwezige sprinklerinstallaties in elk magazijn. (situatie zoals ze momenteel is).

Op de ringleiding dienen op oordeelkundige plaatsen afsluiters aangebracht zodat bij een mogelijke breuk, het getroffen gedeelte kan afgesloten worden, zonder de totale watervoorziening in gedrang te brengen. De leidingen dienen vervaardigd uit staal of uit een materiaal dat dezelfde waarborgen biedt. Ter staving dienen de nodige rapporten voorgelegd te worden.

Bluswatervoorzieningen binnen de opslagplaatsen

Alle compartimenten zijn van een aan het risico aangepast automatisch blussysteem voorzien (sprinkler). Deze installaties dienen volgens de gangbare normen of voorschriften te zijn (Belgische of uit een naburig land). De nodige bewijsstukken in dit verband (schema's, uitgebreide berekeningsmethode, enzovoort) moeten daartoe kunnen voorgelegd worden. De installatie wordt periodiek door een bevoegd persoon of instelling gecontroleerd met aflevering van een attest. De watervoorraad voor de sprinklersystemen zijn onafhankelijk van de noden van het hydrantennet.

In de magazijnen moet een natte brandweerwaterleiding van 70 mm diameter geplaatst worden, aangesloten op het waterleidingsnet door middel van een buis van minstens 150 mm diameter. Er moeten op deze leiding muurhydranten volgens de norm NBN 571 met een koppelstuk van 45 mm diameter, bewapend met persslang van 45 mm diameter en 20 m lengte volgens de norm NBN S-21.024 en straalpijp volgens de norm NBN 548, aangebracht worden. Het koppelstuk van 45 mm diameter dient van een type te zijn zoals bepaald in het Koninklijk Besluit van 30 januari 1975. De plaats en het aantal van de hydranten dienen zodanig gekozen dat elke plaats kan bespoten worden.

Snelblustoestellen

Snelblustoestellen worden voorzien in de magazijnen a rato van 1 toestel per 150 m². Deze toestellen dienen gevuld met:

  • hetzij 5 kg CO2 volgens de norm NBN S 21.015 en NBN S 21.011;
  • hetzij 6 kg poeder ABC volgens de norm NBN S 21.014 en NBN S 21.011, afhankelijk van de te blussen materialen.

Maximaal de helft van de snelblustoestellen van tenminste één bluseenheid conform NBN EN 3-7 mag vervangen worden door voldoende aantal mobiele blusapparaten van tenminste 10 bluseenheden conform NBN EN 3-7 en NBN EN 1866, opdat het minimum aantal bluseenheden bereikt wordt. Deze toestellen dienen door de exploitant en onder zijn verantwoordelijkheid opgesteld derwijze dat zij in geval van brand steeds bereikbaar zijn, dit is:

  • verspreid in het magazijn;
  • langsheen de centrale rijwegen;
  • nabij al de in gebruik zijnde poorten. en vluchtdeuren;
  • in de nabijheid van de gewapende muurhydranten;
  • oplaadzones heftruck’s (2 x 6 kg poeder ABC);
  • refters (1 x poeder 6 kg ABC);
  • hoogspanningslokaal (1 x 5 kg CO2);
  • belangrijk elektriciteitsbord (1x 5 kg CO2);
  • vulplaats brandstof (1 x 6 kg poeder ABC).

Branddetectie

De inrichting dient uitgerust met een automatische branddetectie installatie, van het type algemene bewaking. De automatische branddetectie installatie is ontworpen en uitgevoerd volgens de vigerende reglementen en normen, in het bijzonder de Belgische norm NBN S21-100. De keuze van de detectoren is aangepast aan de aanwezige risico's en in functie van een snelle ontdekking van de brand. De branddetectie installatie geeft automatisch een aanduiding van de brandmelding en de plaats ervan.

Artikel 4

Het college beslist dat de milieuvergunning ingaat op 11 oktober 2013 en eindigt op 11 oktober 2033.

Artikel 5

Dit besluit heeft in principe geen financiƫle gevolgen voor de stad of het OCMW.