Artikel 36,4° van Vlarem I bepaalt dat het college een uitspraak dient te doen over een milieuvergunningsaanvraag klasse 2.
Aanvrager: Tabaknatie nv - Van de Wervestraat 66, 2060 Antwerpen. De aanvraag omvat de uitbreiding van een op- en overslagbedrijf voor tabak.
Het college beslist op basis van het verslag van de dienst milieuvergunningen, dat als bijlage bij dit besluit is gevoegd.
Het milieuvergunningendecreet van 28 juni 1985, meermaals gewijzigd, en haar uitvoeringsbesluiten (Vlarem I en II) bepalen dat niemand zonder vergunning of melding een hinderlijk inrichting mag exploiteren.
Het college beslist een milieuvergunning klasse 2 goed te keuren aan Tabaknatie nv, Van de Wervestraat 66, 2060 Antwerpen, om op de percelen gelegen te 2030 Antwerpen, Noorderlaan 397-399, een op- en overslagbedrijf voor tabak (magazijn Asterix) uit te breiden.
Het college wijst erop dat de volgende algemene en sectorale milieuvoorwaarden van toepassing zijn:
Algemene milieuvoorwaarden:
|
algemene milieuvoorwaarden – hoofdstuk 4.1, 4.7, 4.9 en bijlagen 4.1.9.1.6, 4.1.9.2.3.1, 4.1.9.2.3.2, 4.1.9.2.3.4 en 4.8; |
|
algemene milieuvoorwaarden, geluid – hoofdstuk 4.5 en bijlagen 2.2.1, 2.2.2, 4.5.1, 4.5.2,4.5.3, 4.5.4, 4.5.5 en 4.5.6; |
|
algemene milieuvoorwaarden, lucht – hoofdstuk 4.4 en ibjlagen 4.4.1 tot 4.4.6 en hoofdstuk 4.10; |
|
algemene milieuvoorwaarden, oppervlaktewater – hoofdstuk 4.2. en bijlagen 4.2.5.1, 4.2.5.2 en 4.2.5.4; |
|
algemene milieuvoorwaarden, licht – hoofdstuk 4.6. |
Sectorale milieuvoorwaarden:
|
elektriciteit – hoofdstuk 5.12; |
|
garages, parkeerplaatsen en herstellingswerkplaatsen voor motorvoertuigen – hoofdstuk 5.15; |
|
gassen – gemeenschappelijke bepalingen – afdeling 5.16.1 en bijlage 5.16.5; |
|
gassen – koelinrichtingen / compressoren - afdeling 5.16.3; |
|
opslag van gevaarlijke stoffen – algemene bepalingen – afdeling 5.17.1, en bijlage 5.17.1; |
|
opslag van gevaarlijke stoffen – ondergrondse houders – afdeling 5.17.2 en bijlagen 5.17.2 tot 5.17.7; |
|
opslag van gevaarlijke stoffen – bovengrondse houders – afdeling 5.17.3 en bijlagen 5.17.2 tot 5.17.4 en bijlage 5.17.7; |
|
brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen – afdeling 5.17.5; |
|
motoren met inwendige verbranding – hoofdstuk 5.31; |
|
doorvoeropslagplaatsen in zeehavengebieden – hoofdstuk 5.48. |
Het college beslist dat de exploitant de volgende bijzondere en brandweervoorwaarden dient na te leven:
Bijzondere milieuvoorwaarde:
Brandweervoorwaarden:
Bluswatervoorziening buiten de opslagplaatsen
Rondom de opslagplaatsen dienen bovengrondse hydranten opgesteld te worden en dit in overleg met de brandweer. Deze hydranten moeten:
De aansluiting op het voedingsnet dient zodanig te zijn dat het maximumdebiet van 3 600 liter/minuut, onmiddellijk beschikbaar is bij afname over 2 hydranten en dit minimaal voor 2 uur. Indien dit niet voorhanden is wordt een watervoorraad van 500 m³ voorzien, voor de voeding van het hydrantennet. Deze watervoorraad staat los van de watervoorraad noodzakelijk voor het sprinklersysteem. Deze inschatting naar het noodzakelijke bluswater voor het hydrantennet is op basis van de aanwezige sprinklerinstallaties in elk magazijn. (situatie zoals ze momenteel is).
Op de ringleiding dienen op oordeelkundige plaatsen afsluiters aangebracht zodat bij een mogelijke breuk, het getroffen gedeelte kan afgesloten worden, zonder de totale watervoorziening in gedrang te brengen. De leidingen dienen vervaardigd uit staal of uit een materiaal dat dezelfde waarborgen biedt. Ter staving dienen de nodige rapporten voorgelegd te worden.
Bluswatervoorzieningen binnen de opslagplaatsen
Alle compartimenten zijn van een aan het risico aangepast automatisch blussysteem voorzien (sprinkler). Deze installaties dienen volgens de gangbare normen of voorschriften te zijn (Belgische of uit een naburig land). De nodige bewijsstukken in dit verband (schema's, uitgebreide berekeningsmethode, enzovoort) moeten daartoe kunnen voorgelegd worden. De installatie wordt periodiek door een bevoegd persoon of instelling gecontroleerd met aflevering van een attest. De watervoorraad voor de sprinklersystemen zijn onafhankelijk van de noden van het hydrantennet.
In de magazijnen moet een natte brandweerwaterleiding van 70 mm diameter geplaatst worden, aangesloten op het waterleidingsnet door middel van een buis van minstens 150 mm diameter. Er moeten op deze leiding muurhydranten volgens de norm NBN 571 met een koppelstuk van 45 mm diameter, bewapend met persslang van 45 mm diameter en 20 m lengte volgens de norm NBN S-21.024 en straalpijp volgens de norm NBN 548, aangebracht worden. Het koppelstuk van 45 mm diameter dient van een type te zijn zoals bepaald in het Koninklijk Besluit van 30 januari 1975. De plaats en het aantal van de hydranten dienen zodanig gekozen dat elke plaats kan bespoten worden.
Snelblustoestellen
Snelblustoestellen worden voorzien in de magazijnen a rato van 1 toestel per 150 m². Deze toestellen dienen gevuld met:
Maximaal de helft van de snelblustoestellen van tenminste één bluseenheid conform NBN EN 3-7 mag vervangen worden door voldoende aantal mobiele blusapparaten van tenminste 10 bluseenheden conform NBN EN 3-7 en NBN EN 1866, opdat het minimum aantal bluseenheden bereikt wordt. Deze toestellen dienen door de exploitant en onder zijn verantwoordelijkheid opgesteld derwijze dat zij in geval van brand steeds bereikbaar zijn, dit is:
Branddetectie
De inrichting dient uitgerust met een automatische branddetectie installatie, van het type algemene bewaking. De automatische branddetectie installatie is ontworpen en uitgevoerd volgens de vigerende reglementen en normen, in het bijzonder de Belgische norm NBN S21-100. De keuze van de detectoren is aangepast aan de aanwezige risico's en in functie van een snelle ontdekking van de brand. De branddetectie installatie geeft automatisch een aanduiding van de brandmelding en de plaats ervan.
Het college beslist dat de milieuvergunning ingaat op 11 oktober 2013 en eindigt op 11 oktober 2033.