Terug

2013_CBS_07966 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - Bilfinger ROB nv, Polderdijkweg 3, 2030 Antwerpen. Dossiernummer AN2013/292/AVG - Goedkeuring

college van burgemeester en schepenen
vr 09/08/2013 - 09:00 digitaal
Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig

Bart De Wever, burgemeester; Koen Kennis, schepen; Philip Heylen, schepen; Ludo Van Campenhout, schepen; Claude Marinower, schepen; Marc Van Peel, schepen; Rob Van de Velde, schepen; Nabilla Ait Daoud, schepen; Liesbeth Homans, schepen; Roel Verhaert, stadssecretaris

Afwezig

Serge Muyters, waarnemend korpschef

Secretaris

Roel Verhaert, stadssecretaris

Voorzitter

Bart De Wever, burgemeester
2013_CBS_07966 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - Bilfinger ROB nv, Polderdijkweg 3, 2030 Antwerpen. Dossiernummer AN2013/292/AVG - Goedkeuring 2013_CBS_07966 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - Bilfinger ROB nv, Polderdijkweg 3, 2030 Antwerpen. Dossiernummer AN2013/292/AVG - Goedkeuring

Motivering

Regelgeving: bevoegdheid

Artikel 36,4° van Vlarem I bepaalt dat het college een uitspraak dient te doen over een milieuvergunningsaanvraag klasse 2.

Aanleiding en context

Aanvrager: Bilfinger ROB nv - Keetberglaan 5, 9120 Beveren. De aanvraag omvat laswerken en metaalbewerking op de terreinen van Esso.

Argumentatie

Het college beslist op basis van het verslag van de dienst milieuvergunningen, dat als bijlage bij dit besluit is gevoegd.

Juridische grond

Het milieuvergunningendecreet van 28 juni 1985, meermaals gewijzigd, en haar uitvoeringsbesluiten (Vlarem I en II) bepalen dat niemand zonder vergunning of melding een hinderlijk inrichting mag exploiteren.

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college beslist een milieuvergunning klasse 2 goed te keuren aan Bilfinger ROB nv, Keetberglaan 5, 9120 Beveren, om op de percelen gelegen te 2030 Antwerpen, Polderdijkweg 3, een inrichting voor laswerken en metaalbewerking te exploiteren.

Artikel 2

Het college wijst erop dat de volgende algemene en sectorale milieuvoorwaarden van toepassing zijn:

Algemene milieuvoorwaarden:

algemene milieuvoorwaarden – hoofdstuk 4.1, 4.7, 4.9 en bijlagen 4.1.9.1.6, 4.1.9.2.3.1, 4.1.9.2.3.2, 4.1.9.2.3.4 en 4.8;

algemene milieuvoorwaarden, geluid – hoofdstuk 4.5 en bijlagen 2.2.1, 2.2.2, 4.5.1, 4.5.2,4.5.3, 4.5.4, 4.5.5 en 4.5.6;

algemene milieuvoorwaarden, oppervlaktewater – hoofdstuk 4.2. en bijlagen 4.2.5.1, 4.2.5.2 en 4.2.5.4;

algemene milieuvoorwaarden, lucht – hoofdstuk 4.4 en bijlagen 4.4.1 tot 4.4.6. en hoofdstuk 4.10.

Sectorale milieuvoorwaarden:

gassen – gemeenschappelijke bepalingen – hoofdstuk 5.16.1 en bijlage 5.16.5;

gassen – opslagplaatsen in verplaatsbare recipiënten – hoofdstuk 5.16.5 en bijlagen 5.16.1 en 5.16.2;

opslag van gevaarlijke stoffen – ondergrondse en bovengrondse houders – hoofdstuk 5.17.1 en bijlage 5.17.1;

opslag van gevaarlijke stoffen – bovengrondse houders – hoofdstuk 5.17.3 en bijlagen 5.17.2 tot 5.17.4 en bijlage 5.17.7;

metalen – hoofdstuk 5.29.

Artikel 3

Het college beslist dat de exploitant de volgende bijzondere en brandweervoorwaarden dient na te leven:

Bijzondere milieuvoorwaarde:

  • de exploitant dient binnen 6 maanden na het verlenen van de vergunning een bewijs binnen te brengen bij de dienst milieuvergunningen van stad Antwerpen om aan te tonen dat er voldaan wordt aan de geldende afstandsregels bij de gasopslag (p/a dienst milieuvergunningen, Grote Markt 1, 2000 Antwerpen).

Brandweervoorwaarden:

Op een afstand van maximum 100 meter van de opslag gasflessen is een bovengrondse hydrant conform NBN S 21.019, maar met afsluiters op beide uitgeefkanten van 70 mm diameter gevoed via het algemeen bluswaternet diameter 150 mm.

Muurhaspels met axiale voeding (conform NBN EN 671-1) aangesloten via een aangepaste leiding op de openbare water bedeling of ander gelijkwaardig voedingssysteem, dienen op oordeelkundig gekozen plaatsen opgesteld zodanig dat elk punt van de inrichting (werkhal + magazijn) kan bespoten worden.

Hun aantal wordt zodanig bepaald dat de af te leggen afstand vanaf om het even welk punt tot het dichtst bijgelegen toestel niet meer bedraagt dan de lengte van de gebruikte haspels.

De haspels dienen gevoed met een leiding onder druk zodanig dat het debiet bij de minst bedeelde haspel gelijk is aan of groter dan 24 liter per minuut.

De leidingen voor bluswater dienen vervaardigd in staal of in een metaal dat minstens dezelfde waarborgen biedt.

De geplaatste muurhaspels dienen voorzien van een vergrendeling derwijze dat· men het afsluitmondstuk niet kan verwijderen zonder het openen van een handbediende afsluiter op de watertoevoer.

De waterlevering moet te allen tijde, ook tijdens vorstperiode, gewaarborgd zijn.

Snelblustoestellen van minstens één bluseenheid conform NBN EN 3-7 - bij voorkeur 6 kg poeder type ABC - dienen aangebracht op volgende plaatsen:

  • in- en uitgangen;
  • opslag gevaarlijke producten;
  • opslag gasflessen;
  • opslag diesel.

Verder dient men de overige snelblustoestellen van minstens één bluseenheid conform NBN EN 3-7 - bij voorkeur 6 kg poeder type ABC - doelmatig te verdelen over de inrichting tot men in totaal over 1 toestel per 150 m² beschikt.

Een snelblustoestel van 5 kg CO2 - ½ bluseenheid conform NBN EN 3-7 - dient in overtal aangebracht nabij elk belangrijk elektriciteitsbord. 

In het gebouw dienen maatregelen genomen om melding van brand en alarm door te geven.

De inrichting moet voorzien worden van veiligheidsverlichting, die onmiddellijk en automatisch in dienst treedt bij het uitvallen van de stroom.

Minimaal dienen armaturen aangebracht te worden boven elke uitgangsdeur, in alle evacuatiewegen (gangen en trappen), in de nabijheid van de brandbestrijdingsmiddelen en in alle lokalen die uitsluitend door kunstlicht bediend worden.

De veiligheidsverlichting dient verder uitgebreid te worden zodanig dat de plaatsing en de verlichtingssterkte voldoende is om een gemakkelijke ontruiming te waarborgen.

De veiligheidsverlichting moet tenminste gedurende 1 uur zonder onderbreking kunnen functioneren. 

Bouwkundige voorschriften:

De opslag van verplaatsbare gas-recipiënten is gescheiden van de aanpalende werkhal/magazijn door een brandmuur uit metselwerk van minimaal 14 cm - 2 m hoogte.

De vloer bestaat uit een betonplaat van minimaal 10 cm.

Bijkomend dienen de afstandsregels opgelegd in artikel 5.16.5.4 en bouwvoorschriften in artikel 5.16.5.6 VLAREM II gerespecteerd.

De opslag ontvlambare vloeistoffen dient in een aangepaste chemiekluis/veiligheidskast met wanden Rf 60 min te geschieden.

Artikel 4

Het college beslist dat de milieuvergunning ingaat op 9 augustus 2013 en eindigt op 9 augustus 2033.

Artikel 5

De vergunde inrichting dient in gebruik genomen te worden binnen de 3 jaar vanaf de datum van deze vergunning, zoniet vervalt deze vergunning van rechtswege.

Artikel 6

Dit besluit heeft in principe geen financiƫle gevolgen voor de stad of het OCMW.