Artikel 36,4° van Vlarem I bepaalt dat het college een uitspraak dient te doen over een milieuvergunningsaanvraag klasse 2.
Aanvrager: Teveco nv - De Waghemakerestraat 38, 2060 Antwerpen. De aanvraag omvat de hernieuwing en uitbreiding van een containerherstelplaats en -wasplaats.
Het college beslist op basis van het verslag van de dienst milieuvergunningen, dat als bijlage bij dit besluit is gevoegd.
Het milieuvergunningendecreet van 28 juni 1985, meermaals gewijzigd, en haar uitvoeringsbesluiten (Vlarem I en II) bepalen dat niemand zonder vergunning of melding een hinderlijk inrichting mag exploiteren.
Het college beslist een milieuvergunning klasse 2 goed te keuren aan Teveco nv, De Waghemakerestraat 38, 2060 Antwerpen, om op de percelen gelegen te 2040 Antwerpen, Nieuwe Westweg 5, haven 742, een containerherstelplaats en -wasplaats te hernieuwen en uit te breiden.
Het college beslist de hernieuwing van de opslagtank voor 15 500 liter mazout (rubriek 17.3.1.6.b) en de bijhorende brandstofverdeelinstallatie (rubriek 17.3.9.1) te weigeren.
Het college wijst erop dat de volgende algemene en sectorale milieuvoorwaarden van toepassing zijn:
Algemene milieuvoorwaarden:
|
algemene milieuvoorwaarden – hoofdstuk 4.1, 4.7, 4.9 en bijlagen 4.1.9.1.6, 4.1.9.2.3.1, 4.1.9.2.3.2, 4.1.9.2.3.4 en 4.8; |
|
algemene milieuvoorwaarden, oppervlaktewater – hoofdstuk 4.2. en bijlagen 4.2.5.1, 4.2.5.2 en 4.2.5.4; |
|
algemene milieuvoorwaarden – lucht – hoofdstuk 4.4 en bijlagen 4.4.1 tot 4.4.6. en hoofdstuk 4.10; |
|
algemene milieuvoorwaarden, geluid – hoofdstuk 4.5 en bijlagen 2.2.1, 2.2.2, 4.5.1, 4.5.2,4.5.3, 4.5.4, 4.5.5 en 4.5.6; |
|
algemene milieuvoorwaarden, licht – hoofdstuk 4.6. |
Sectorale milieuvoorwaarden:
|
inrichtingen voor de verwerking van afvalstoffen - algemeen: afdeling 5.2.1, artikel 5.2.1.1 tot en met 5.2.1.9; |
|
inrichtingen voor het opslaan en behandelen van bepaalde ongevaarlijke vaste afvalstoffen: subafdeling 5.2.2,4, artikel 5.2.2.4.1 tot 5.2.2.4.3; |
|
reinigen van recipiënten waarin afvalstoffen werden opgeslagen of vervoerd – subafdeling 5.2.2.9; |
|
bedrijfsafvalwaters – sector – afdeling 5.3.2 en bijlage 5.3.2; |
|
elektriciteit – hoofdstuk 5.12; |
|
garages, parkeerplaatsen en herstellingswerkplaatsen voor motorvoertuigen – hoofdstuk 5.15; |
|
gassen – gemeenschappelijke bepalingen – afdeling 5.16.1 en bijlage 5.16.5; |
|
gassen – koelinrichtingen / compressoren – afdeling 5.16.3; |
|
gassen – opslagplaatsen in verplaatsbare recipiënten – afdeling 5.16.5 en bijlagen 5.16.1 en 5.16.2; |
|
opslag van gevaarlijke stoffen / ondergrondse en bovengrondse houders – afdeling 5.17.1 en bijlage 5.17.1; |
|
hout – algemeen – afdeling 5.19.1; |
|
metalen – hoofdstuk 5.29; |
|
niet in rubriek 2 en 28 begrepen verbrandingsinrichtingen – algemene bepalingen en immissiecontroleprocedures – afdeling 5.43.1 + 5.43.4; |
|
niet in rubriek 2 en 28 begrepen verbrandingsinrichtingen - stookinstallaties, met uitzondering van gasturbines en stoom- en gasturbine-installaties – kleine stookinstallaties (300 kW – 5 MW) – subafdeling 5.43.2.3. |
Het college beslist dat de exploitant de volgende bijzondere en brandweervoorwaarden dient na te leven:
Bijzondere milieuvoorwaarden:
Brandweervoorwaarden:
Muurhaspels met axiale voeding (conform NBN EN 671-1) aangesloten via een aangepaste leiding op de openbare waterbedeling of ander gelijkwaardig voedingssysteem, dienen op oordeelkundig gekozen plaatsen opgesteld zodanig dat elk punt van het metaalatelier en houtatelier kan bespoten worden.
Hun aantal wordt zodanig bepaald dat de af te leggen afstand vanaf om het even welk punt tot het dichtst bijgelegen toestel niet meer bedraagt dan de lengte van de gebruikte haspels.
De haspels dienen gevoed met een leiding onder druk zodanig dat het debiet bij de minst bedeelde haspel gelijk is aan of groter dan 24 liter per minuut.
De leidingen voor bluswater dienen vervaardigd in staal of in een metaal dat minstens dezelfde waarborgen biedt.
De geplaatste muurhaspels dienen voorzien van een vergrendeling derwijze dat men het afsluitmondstuk niet kan verwijderen zonder het openen van een handbediende afsluiter op de watertoevoer.
De waterlevering moet te allen tijde, ook tijdens vorstperiode, gewaarborgd zijn.
Snelblustoestellen van minstens één bluseenheid conform NBN EN 3-7 - bij voorkeur 6 kg poeder type ABC - dienen aangebracht op volgende plaatsen:
Verder dient men de overige snelblustoestellen van minstens één bluseenheid conform NBN EN 3-7 - bij voorkeur 6 kg poeder type ABC - doelmatig te verdelen over de inrichting tot men in totaal over 1 toestel per 150 m² beschikt.
Snelblustoestellen van het type 5 kg CO2 – ½ bluseenheid conform NBN EN 3-7 – dienen in overtal aangebracht op volgende plaatsen:
In het gebouw dienen maatregelen genomen om melding van brand en alarm door te geven.
De inrichting moet voorzien worden van veiligheidsverlichting, die onmiddellijk en automatisch in dienst treedt bij het uitvallen van de stroom.
Minimaal dienen armaturen aangebracht te worden boven elke uitgangsdeur, in alle evacuatiewegen (gangen en trappen), in de nabijheid van de brandbestrijdingsmiddelen en in alle lokalen die uitsluitend door kunstlicht bediend worden.
De veiligheidsverlichting dient verder uitgebreid te worden zodanig dat de plaatsing en de verlichtingssterkte voldoende is om een gemakkelijke ontruiming te waarborgen.
De veiligheidsverlichting moet tenminste gedurende 1 uur zonder onderbreking kunnen functioneren.
Bouwkundige voorschriften:
De opslag van verplaatsbare gas- recipïenten :
De afstandsregels opgelegd in artikel 5.16.5.4 en bouwvoorschriften in artikel 5.16.5.6 VLAREM II dienen gerespecteerd.
De opslag ontvlambare vloeistoffen dient in een aangepaste chemiekluis/veiligheidskast met wanden Rf 60 min te geschieden.
De stookplaats is gescheiden van de werkplaats door binnenwanden met Rf 1 uur, (binnen)deur Rf 1 uur zelfsluitend.
Het college beslist dat de milieuvergunning ingaat op 9 augustus 2013 en eindigt op 9 augustus 2033.