Terug

2013_CBS_06802 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - Brico Belgium nv, Bredabaan 938, 2170 Merksem-Antwerpen. Dossiernummer AN2013/232/AV - Goedkeuring

college van burgemeester en schepenen
vr 05/07/2013 - 09:00 Collegezaal, stadhuis
Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig

Bart De Wever, burgemeester; Koen Kennis, schepen; Philip Heylen, schepen; Ludo Van Campenhout, schepen; Claude Marinower, schepen; Marc Van Peel, schepen; Rob Van de Velde, schepen; Nabilla Ait Daoud, schepen; Liesbeth Homans, schepen; Roel Verhaert, stadssecretaris

Afwezig

Serge Muyters, waarnemend korpschef

Secretaris

Roel Verhaert, stadssecretaris

Voorzitter

Bart De Wever, burgemeester
2013_CBS_06802 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - Brico Belgium nv, Bredabaan 938, 2170 Merksem-Antwerpen. Dossiernummer AN2013/232/AV - Goedkeuring 2013_CBS_06802 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - Brico Belgium nv, Bredabaan 938, 2170 Merksem-Antwerpen. Dossiernummer AN2013/232/AV - Goedkeuring

Motivering

Regelgeving: bevoegdheid

Artikel 36, 4° van Vlarem I bepaalt dat het college een uitspraak dient te doen over een milieuvergunningsaanvraag klasse 2.

Aanleiding en context

Aanvrager: Brico Belgium nv - Zelliksesteenweg 65 - 1082 Sint-Agatha-Berchem. De aanvraag omvat de exploitatie van een winkel in doe-het-zelf artikelen.

Argumentatie

Het college beslist op basis van het verslag van de dienst milieuvergunningen, dat als bijlage bij dit besluit is gevoegd.

Juridische grond

Het milieuvergunningendecreet van 28 juni 1985, meermaals gewijzigd, en haar uitvoeringsbesluiten (Vlarem I en II) bepalen dat niemand zonder vergunning of melding een hinderlijke inrichting mag exploiteren.

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college beslist een milieuvergunning klasse 2 goed te keuren aan Brico Belgium nv, Zelliksesteenweg 65, 1082 Sint-Agatha-Berchem, voor de inrichting gelegen op het adres: Bredabaan 938, 2170 Merksem-Antwerpen. De vergunning heeft als voorwerp: de exploitatie van een nieuwe winkel in doe-het-zelf artikelen.

Artikel 2

Het college wijst erop dat voor de exploitant de volgende algemene en sectorale voorwaarden van toepassing zijn:

algemene milieuvoorwaarden - algemeen

hoofdstukken 4.1,4.7,4.9 en bijlagen 4.1.9.1.6, 4.1.9.2.3.1,4.1.9.2.3.2, 4.1.9.2.3.4 en 4.8;

algemene milieuvoorwaarden - geluid

hoofdstuk 4.5 en bijlagen 2.2.1, 2.2.2, 4.5.1,4.5.2,4.5.3, 4.5.4,4.5.5 en 4.5.6;

algemene milieuvoorwaarden - lucht 

hoofdstuk 4.4 en bijlagen 4.4.1 tot 4.4.6. en hoofdstuk 4.10;

algemene milieuvoorwaarden - licht

hoofdstuk 4.6;

bedekkingsmiddelen (verven, vernissen, inkten, emails, metaalpoeders en analoge producten, afbijt en beitsmiddelen), kleurstoffen en pigmenten - algemene bepalingen

afdeling 5.4.1;

biociden

hoofdstuk 5.5;

elektriciteit

hoofdstuk 5.12;

gassen - gemeenschappelijke bepalingen

afdeling 5.16.1 en bijlage 5.16.5;

gassen - koelinrichtingen / compressoren

afdeling 5.16.3;

gassen - opslagplaatsen in verplaatsbare recipiënten

afdeling 5.16.5. en bijlagen 5.16.1 en 5.16.2;

opslag van gevaarlijke stoffen - algemene bepalingen

afdeling 5.17.1, en bijlage 5.17.1; 

opslag van gevaarlijke stoffen - bovengrondse houders

afdeling 5.17.3 en bijlagen 5.17.2 tot 5.17.4 en bijlage 5.17.7;

hout – algemeen

afdeling 5.19.1;

kunststoffen

hoofdstuk 5.23;

motoren met inwendige verbranding

hoofdstuk 5.31;

niet in rubriek 2 en 28 begrepen verbrandingsinrichtingen - algemene bepalingen en immissiecontroleprocedures

afdeling 5.43.1 + 5.43.4; 

niet in rubriek 2 en 28 begrepen verbrandingsinrichtingen - stookinstallaties, met uitzondering van gasturbines en stoom- en gasturbine-installaties - kleine stookinstallaties (300 kW-5 MW)

subafdeling 5.43.2.3.

 

Artikel 3

Het college beslist dat de exploitant volgende brandvoorzorgsmaatregelen dient na te leven:

  • Onafhankelijk van de verplichtingen aan de houder van de milieuvergunning opgelegd via de vigerende milieureglementering alsmede via het milieuvergunningsbesluit, en onverminderd de maatregelen ter voorkoming en bestrijding van brand, door de houder van de milieuvergunning te treffen in uitvoering van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden, dient de houder van de milieuvergunning reeds te voorzien in de hierna vermelde blusmiddelen voor eerste tussenkomst:
  • Snelblustoestellen van minstens één bluseenheid conform NBN EN 3-7 - bij voorkeur 6 kg poeder type ABC - dienen goed verdeeld aangebracht à rato van 1 toestel per 150 m² (binnenruimte). Voor brandcompartimenten kleiner dan 300 m² dienen er in elk geval minstens twee toestellen aanwezig te zijn.
  • Snelblustoestellen van minstens één bluseenheid conform NBN EN 3-7 - bij voorkeur 6 kg poeder type ABC - dienen aangebracht bij elk punt of lokaal met verhoogd risico, zoals onder meer pompen, compressoren, lasposten, belangrijke elektriciteitsborden, enzovoort. In de inrichting dienen minstens twee toestellen aanwezig te zijn. Er mogen nochtans gedeeltelijk mobiele bluseenheden of snelblustoestellen van een ander type aangewend worden op de plaatsen waar zij meer aangewezen zijn, voor zover de aangebrachte blusmiddelen minstens eenzelfde bluseenheid conform NBN EN 3-7 bezitten en evenwaardig zijn aan de bovenvermelde.
  • Een snelblustoestel van 5 kg CO2 - 1/2 bluseenheid conform NBN EN 3-7 - dient aangebracht nabij de toegang tot de hoogspanningscabine.
  • Muurhaspels met axiale voeding (conform NBN EN 671-1) + muurhydrant (volgens de norm NBN 571 en voorzien van vaste koppelstukken doormeter 45 mm volgens koninklijk besluit van 30 januari 1975) met gemeenschappelijke watertoevoer met een binnendiameter van tenminste 70 mm dienen op oordeelkundig gekozen plaatsen opgesteld zodanig dat elk punt van de inrichting kan bespoten worden.
  • Hun aantal wordt zodanig bepaald dat de af te leggen afstand vanaf om het even welk punt tot het dichtst bijgelegen toestel niet meer bedraagt dan de lengte van de gebruikte haspels. De haspels dienen gevoed met een leiding onder druk zodanig dat het debiet bij de minst bedeelde haspel gelijk is aan of groter dan 24 liter per minuut. De leidingen voor bluswater dienen vervaardigd in staal of in een metaal dat minstens dezelfde waarborgen biedt. De geplaatste muurhaspels dienen voorzien van een vergrendeling derwijze dat men het afsluitmondstuk niet kan verwijderen zonder het openen van een handbediende afsluiter op de watertoevoer. De waterlevering moet te allen tijde, ook tijdens vorstperiode, gewaarborgd zijn.
  • Rondom de inrichting dienen, op onderlinge afstand van circa 100 meter, bovengrondse hydranten van het type BH 100 geplaatst (volgens NBN S 21.019, met afsluiters op de uitgeefkanten van 70 mm doorsnede). Deze hydranten dienen zodanig gevoed zodat op elke locatie er een debiet van 9 000 liter/minuut, onder voldoende druk, onmiddellijk beschikbaar is.
  • In de inrichting dient een aan het risico aangepast automatisch blussysteem voorzien te worden.
  • De inrichting dient uitgerust te worden met een algemene en automatische branddetectie installatie, aangevuld met een manueel systeem om ontruiming te bevelen. Het aantal, de aard en de plaatsing van de toestellen wordt bepaald door de afmetingen van de lokalen en het risico in de lokalen.
  • De vernoemde brandbestrijdingstoestellen dienen door de exploitant/eigenaar en onder zijn verantwoordelijkheid opgesteld derwijze dat zij ingeval van brand steeds bereikbaar zijn. Alle opgestelde toestellen en installaties met betrekking tot brandvoorkoming en -bestrijding dienen steeds operationeel te zijn en goed onderhouden te worden.

Artikel 4

Het college beslist dat de milieuvergunning ingaat op 5 juli 2013 eindigt op 5 juli 2033.

Artikel 5

Dit besluit heeft in principe geen financiƫle gevolgen voor de stad of het OCMW.