Artikel 4 § 1 van Vlarem I bepaalt dat het college akte moet nemen van meldingen van klasse 3-inrichtingen.
Meldingen van klasse 3-inrichtingen worden, conform de wetgeving, aan het college bekendgemaakt. De melding opgenomen als bijlage werd op de dienst milieuvergunningen binnengebracht en geregistreerd.
De volgende melding van klasse 3-inrichting(en) werd volledig en ontvankelijk bevonden zodat van deze melding akte kan worden genomen zoals voorzien in de Vlarem-procedure.
Het milieuvergunningendecreet van 28 juni 1985, meermaals gewijzigd, en haar uitvoeringsbesluiten (Vlarem I en II) bepalen dat niemand zonder voorafgaande en schriftelijke vergunning of melding een als hinderlijk ingedeelde inrichting klasse 1, 2 of 3 mag exploiteren of veranderen.
Artikel 4 § 2 van het milieuvergunningendecreet bepaalt dat niemand zonder daarvan vooraf melding te hebben gemaakt, een inrichting die tot de klasse 3 behoort, mag exploiteren of veranderen.
Artikel 20 van het milieuvergunningendecreet en artikel 3.3.0.2 van Vlarem II bepalen dat aan inrichtingen van klasse 3 bijzondere vergunningswaarden kunnen worden opgelegd.
Het college neemt akte van de klasse 3-inrichting zoals vermeld in het verslag van de dienst milieuvergunningen dat werd opgenomen als bijlage.
Het college wijst erop dat volgende algemene en sectorale voorwaarden van toepassing zijn:
Algemene voorwaarden:
|
algemene milieuvoorwaarden – algemeen |
hoofdstuk 4.1,4.7,4.9 en bijlagen 4.1.9.1.6,4.1.9.2.3.1,4.1.9.2.3.2,4.1.9.2.3.4 en 4.8; |
|
algemene milieuvoorwaarden – geluid |
hoofdstuk 4.5 en bijlagen 2.2.1, 2.2.2, 4.5.1, 4.5.2,4.5.3, 4.5.4, 4.5.5 en 4.5.6; |
|
algemene milieuvoorwaarden – oppervlaktewater |
hoofdstuk 4.2 en bijlagen 4.2.5.1, 4.2.5.2, en 4.2.5.4; |
|
algemene milieuvoorwaarden – lucht |
hoofdstuk 4.4 en bijlagen 4.4.1 tot 4.4.6. en hoofdstuk 4.10; |
|
algemene milieuvoorwaarden – licht |
hoofdstuk 4.6. |
Sectorale voorwaarden:
|
elektriciteit |
hoofdstuk 5.12; |
|
garages, parkeerplaatsen en herstellingswerkplaatsen voor motorvoertuigen |
hoofdstuk 5.15; |
|
gassen - koelinrichtingen/compressoren |
hoofdstuk 5.16.3; |
|
opslag van gevaarlijke stoffen: ondergrondse en bovengrondse houders, algemeen |
hoofdstuk 5.17.1 en bijlage 5.17.1; |
|
hout – algemeen |
hoofdstuk 5.19.1; |
|
papier |
hoofdstuk 5.33; |
|
textiel |
hoofdstuk 5.41; |
|
niet in rubriek 2 en 28 begrepen verbrandingsinrichtingen - algemene bepalingen en immissiecontroleprocedures |
hoofdstuk 5.43.1 + 5.43.4; |
|
niet in rubriek 2 en 28 begrepen verbrandingsinrichtingen - stookinstallaties, met uitzondering van gasturbines en stoom- en gasturbine-installaties - kleine stookinstallaties (300 kW - 5 MW) |
hoofdstuk 5.43.2.3. |
Het college beslist dat volgende bijzondere voorwaarden van toepassing zijn:
Wanneer het gebouw afgewerkt is en de installaties geplaatst werden, dient een uitvoeringsplan op een schaal van ten minste1:200 binnengebracht te worden bij de dienst Milieuvergunningen van de stad Antwerpen met hierop aangeduid volgende gegevens: