Terug

2013_CBS_06881 - Binnengemeentelijke decentralisatie - Samenwerkingsmodel stad-districten - Goedkeuring

college van burgemeester en schepenen
vr 05/07/2013 - 09:00 Collegezaal, stadhuis
Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig

Bart De Wever, burgemeester; Koen Kennis, schepen; Philip Heylen, schepen; Ludo Van Campenhout, schepen; Claude Marinower, schepen; Marc Van Peel, schepen; Rob Van de Velde, schepen; Nabilla Ait Daoud, schepen; Liesbeth Homans, schepen; Roel Verhaert, stadssecretaris

Afwezig

Serge Muyters, waarnemend korpschef

Secretaris

Roel Verhaert, stadssecretaris

Voorzitter

Bart De Wever, burgemeester
2013_CBS_06881 - Binnengemeentelijke decentralisatie - Samenwerkingsmodel stad-districten - Goedkeuring 2013_CBS_06881 - Binnengemeentelijke decentralisatie - Samenwerkingsmodel stad-districten - Goedkeuring

Motivering

Aanleiding en context

Tot op heden zijn er twee overlegorganen waarbij stadsbestuur en districtsbesturen elkaar ontmoeten: enerzijds de decretaal vastgelegde "conferentie van voorzitters", en anderzijds de "raad voor overleg", zoals bepaald in het stedelijk reglement bestuurlijke organisatie (BOSA).

  • De conferentie van voorzitters komt jaarlijks verplicht samen in het kader van de budgetopmaak en de meerjarenplanning;
  • de raad voor overleg komt bijeen wanneer dit noodzakelijk wordt geacht en focust eerder op het maken van afspraken en het laten doorstromen van informatie.

De samenwerking tussen stad en districten heeft echter nood aan een aangepaste structuur. Dat blijkt ondermeer uit de tanende aanwezigheden tijdens de raden voor overleg, de onduidelijke doelstelling van het overleg, de vaststelling dat er te weinig ruimte is voor inspraak en debat en de niet zo efficiënte organisatie van het overleg.

Argumentatie

Het nieuwe samenwerkingsmodel houdt rekening met de vraag naar duidelijkheid, een goede voorbereiding, beslissingskracht, ruimte voor dialoog, samenwerking, opvolging en tijdsbewaking.
Het nieuwe samenwerkingsmodel krijgt daarom een vaste tweemaandelijkse frequentie, en kan enkel nog bij hoogdringendheid ad hoc georganiseerd worden. Het wordt opgehangen aan vier krachtlijnen.

  • Er wordt gekoppeld aan de beleidsfasen uit de beleids- en beheerscyclus: uitzetten van een beleidsvisie, scherpstellen van een beleidsvisie, operationaliseren van een beleidsvisie, concrete uitvoering van een beleidskeuze, opvolgen en bijsturen van een beleidskeuze;
  • het doel van het overleg bepaalt de vorm. Dit doel wordt vooraf aangegeven: informatie delen, raadplegen, adviseren, samenwerken en/of mee beslissen. Op basis hiervan wordt er ofwel een raad voor overleg ingepland ofwel een werkoverleg. De conferentie van voorzitters blijft sowieso voorbehouden voor budgettaire besprekingen. Informatiesessies en bilateraal overleg zijn aanvullend;
  • het samenwerkingsmodel past binnen de versterking van de advieskracht van de districten: het model geeft de districten adviesrecht, elk advies moet met een bijzondere meerderheid genomen worden (akkoord van minstens zes districten en consensus met de vakschepen tot wiens bevoegdheid het thema behoort). Motivatie van niet-akkoord wordt eveneens opgenomen in het adviesvoorstel, het stadscollege en/of de gemeenteraad nemen op basis hiervan een finale beslissing. Bij afwijking van het voorstel wordt dit gemotiveerd.
  • de samenwerking wordt gefaciliteerd en opgevolgd. 

Ook wat de praktische organisatie betreft, gelden een aantal richtlijnen.

  • De vergaderkalender wordt jaarlijks vastgelegd met de schepen voor decentralisatie. De planning wordt telkens in januari bekendgemaakt bij het college, de districtscolleges, en de leden van het manteam. Er wordt maximaal rekening gehouden met de data van raden, raadscommissies of colleges. Ad hoc overleg kan maar enkel bij hoogdringendheid en mits motivatie;
  • De vakschepen of drie districtscolleges kunnen een aanvraag tot overleg digitaal indienen bij de bedrijfseenheid districts- en loketwerking. Afhankelijk van het voorstel tot agenda of het vooropgezette doel wordt bepaald onder welke vorm het overleg het best kan plaatsvinden;
  • Bij meerdere agendapunten is het mogelijk om voor elk agendapunt het doel te bepalen;
  • Uitnodigingen worden gericht verstuurd naar diegenen die het onderwerp van overleg tot hun bevoegdheid hebben, met een maximum van twee schepenen per bestuur. Alleen de conferentie van voorzitters heeft een vaste samenstelling, zoals tijdens het werkoverleg vastgesteld;
  • De agenda en bijhorende documenten worden tien dagen vooraf bezorgd aan de deelnemers.
  • De bedrijfseenheid districts- en loketwerking agendeert op de tien colleges: de notulen voor kennisneming, de afspraken voor bekrachtiging, de aanbevelingen voor beslissing en de actiepunten voor toewijzing. De bedrijfseenheid districts- en loketwerking voorziet eveneens een opvolgingssysteem voor de uitvoering van afspraken en de opvolging van actiepunten.

Juridische grond

Het reglement “bestuurlijke organisatie stad Antwerpen” regelt in hoofdstuk 6 de concrete vormen van samenwerking tussen stads- en districtsbesturen, met in artikel 83 ondermeer de modaliteiten voor de raad voor overleg (gemeenteraadsbesluit van 28 januari 2013, jaarnummer 46).

De raad voor overleg werd ingesteld bij collegebesluit van 21 maart 2001 en daarna meermaals verfijnd met collegebesluiten van 10 september 2004 (jaarnummer 9645), 20 juni 2008 (jaarnummer 7754) en 30 oktober 2009 (jaarnummer 15399). 

Artikel 291 van het gemeentedecreet bepaalt dat de voorzitters van de districtsraden door het college kunnen worden samengeroepen telkens als de toestand dit vereist. Zulk overleg is alleszins jaarlijks verplicht voor het opmaken van het meerjarenplan en het budget, evenals voor de vaststelling van de personeelsformatie die ter beschikking wordt gesteld van de districtsraden. Met het oog op dit overleg vormen de voorzitters gezamenlijk de conferentie van voorzitters.

Adviezen

Werkvergadering stadsbestuur - districtsbesturen Gunstig advies

De deelnemers aan het werkoverleg “binnengemeentelijke decentralisatie” van 25 april 2013 gingen unaniem akkoord met het nieuwe samenwerkingsmodel en beslisten om aan het college voor te stellen dit te officialiseren.  Men vraagt wel erover te waken dat er nog voldoende raden voor overleg worden ingepland, en niet uitsluitend werkoverleggen.  Er werd eveneens beslist om de conferentie van voorzitters uit te breiden naar de voorzitters van de districtscolleges en de districtsschepenen voor financiën, zodat er voldoende draagvlak en kennis aanwezig is.

Beleidsdoelstellingen

01 - Stadsontwikkeling
Samen bouwen aan een aantrekkelijke stad

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college keurt het nieuwe samenwerkingsmodel stad-districten goed. De bepalingen uit het BOSA, hoofdstuk 6, en in concreto de artikels 81 en 83, blijven van kracht en gelden ook voor een werkoverleg.

  • Tweemaandelijkse frequentie;
  • gekoppeld aan de beleids- en beheerscyclus;
  • de vorm van het overleg varieert naargelang het doel;
  • inherent deel van een versterkt adviseringsproces;
  • voortgangsrapportering.

Artikel 2

Dit besluit heeft in principe geen financiƫle gevolgen voor de stad of het OCMW.

Artikel 3

Het college geeft opdracht aan:

dienst Taak
DL
  • om het samenwerkingsmodel stad-districten te communiceren binnen de stedelijke administratie en op te nemen in het handboek “binnengemeentelijke decentralisatie”;
  • om het samenwerkingsmodel stad-districten te faciliteren: volgens een vaste vergaderkalender, een digitaal aanvraagsysteem, gerichte uitnodigingen, tijdig en gedocumenteerd, agendering op de 10 colleges, opvolging en voortgangsrapportering, …

 


Bijlagen

  • samenwerking_stad_districten.pdf