Tot op heden zijn er twee overlegorganen waarbij stadsbestuur en districtsbesturen elkaar ontmoeten: enerzijds de decretaal vastgelegde "conferentie van voorzitters", en anderzijds de "raad voor overleg", zoals bepaald in het stedelijk reglement bestuurlijke organisatie (BOSA).
De samenwerking tussen stad en districten heeft echter nood aan een aangepaste structuur. Dat blijkt ondermeer uit de tanende aanwezigheden tijdens de raden voor overleg, de onduidelijke doelstelling van het overleg, de vaststelling dat er te weinig ruimte is voor inspraak en debat en de niet zo efficiënte organisatie van het overleg.
Het nieuwe samenwerkingsmodel houdt rekening met de vraag naar duidelijkheid, een goede voorbereiding, beslissingskracht, ruimte voor dialoog, samenwerking, opvolging en tijdsbewaking.
Het nieuwe samenwerkingsmodel krijgt daarom een vaste tweemaandelijkse frequentie, en kan enkel nog bij hoogdringendheid ad hoc georganiseerd worden. Het wordt opgehangen aan vier krachtlijnen.
Ook wat de praktische organisatie betreft, gelden een aantal richtlijnen.
Het reglement “bestuurlijke organisatie stad Antwerpen” regelt in hoofdstuk 6 de concrete vormen van samenwerking tussen stads- en districtsbesturen, met in artikel 83 ondermeer de modaliteiten voor de raad voor overleg (gemeenteraadsbesluit van 28 januari 2013, jaarnummer 46).
De raad voor overleg werd ingesteld bij collegebesluit van 21 maart 2001 en daarna meermaals verfijnd met collegebesluiten van 10 september 2004 (jaarnummer 9645), 20 juni 2008 (jaarnummer 7754) en 30 oktober 2009 (jaarnummer 15399).
Artikel 291 van het gemeentedecreet bepaalt dat de voorzitters van de districtsraden door het college kunnen worden samengeroepen telkens als de toestand dit vereist. Zulk overleg is alleszins jaarlijks verplicht voor het opmaken van het meerjarenplan en het budget, evenals voor de vaststelling van de personeelsformatie die ter beschikking wordt gesteld van de districtsraden. Met het oog op dit overleg vormen de voorzitters gezamenlijk de conferentie van voorzitters.
De deelnemers aan het werkoverleg “binnengemeentelijke decentralisatie” van 25 april 2013 gingen unaniem akkoord met het nieuwe samenwerkingsmodel en beslisten om aan het college voor te stellen dit te officialiseren. Men vraagt wel erover te waken dat er nog voldoende raden voor overleg worden ingepland, en niet uitsluitend werkoverleggen. Er werd eveneens beslist om de conferentie van voorzitters uit te breiden naar de voorzitters van de districtscolleges en de districtsschepenen voor financiën, zodat er voldoende draagvlak en kennis aanwezig is.
Het college keurt het nieuwe samenwerkingsmodel stad-districten goed. De bepalingen uit het BOSA, hoofdstuk 6, en in concreto de artikels 81 en 83, blijven van kracht en gelden ook voor een werkoverleg.
Het college geeft opdracht aan:
| dienst | Taak |
| DL |
|