Geachte Schepen,
Ik stelde U onlangs een schriftelijke vraag (26/02/13) over de problematiek van het spijbelen en de schooluitval die daar dikwijls uit voortvloeit. Ik dank U alvast voor de tijd die U genomen heeft om op mijn vraag te beantwoorden. Dit heeft mij alleszins geholpen om een beter zicht te krijgen in het probleem.
Volgens deze cijfers steeg het aantal problematische afwezigheden, dit wil zeggen het aantal leerlingen dat 10 of meer B-codes op zijn naam schreef, in het secundair onderwijs tussen het schooljaar 2007-2008 en 2010-2011 met 14,87%. Het aantal spijbelaars is het laagst in het algemeen secundair onderwijs en het hoogst in het deeltijds beroepssecundair onderwijs. Dezelfde cijfers leren ons dat in het basisonderwijs de stijging van de problematische afwezigheden de afgelopen schooljaren 24,81% bedroeg. Ondanks het gegeven dat Antwerpen voor deze problematiek een strengere normering gebruikt om spijbelaars als problematisch te bestempelen, zijn dit toch stevige cijfers. Bovendien geven cijfers van het CMP (Centraal Meldpunt) aan dat Antwerpen-Noord, Borgerhout Intramuros en Deurne-Noord aanzienlijk meer problematische spijbelaars kennen dan andere stadsdelen. Opvallend is ook dat er zich onder de leerplichtige leerlingen van het derde jaar van de kleuterklas en van het eerste studiejaar veel problematische spijbelaars bevinden. Problematische spijbelaars lopen een hoger risico om vroegtijdig en zonder diploma de schoolbanken te verlaten. Veelal worden zij daarna op de arbeidsmarkt een vogel voor de kat.
In het bestuursakkoord van de stad Antwerpen (resolutie 197) wordt een duidelijk engagement gemaakt om de strijd tegen tegen schooluitval, die vaak begint met problematisch spijbelgedrag, in te zetten. Op dinsdag 23 april werd tijdens de commissie Onderwijs en Rechtszaken een presentatie gehouden m.b.t. de spijbelcijfers. Aansluitend zat ik met nog heel wat vragen die aldaar niet konden beantwoord worden. U suggereerde mij deze in te dienen via een schriftelijke vraag.
Daarom had ik U graag de volgende vragen gesteld:
Met dank voor de antwoorden.
Lisa Geets
Gemeenteraadslid
Geachte mevrouw,
In navolging van uw schriftelijke vraag dd. 24.04.2013 met betrekking tot het problematisch spijbelen in de Antwerpse scholen, bezorg ik u graag onderstaande antwoorden.
1. De spijbelspiegels zijn een goed initiatief, maar hoe weten we of scholen wel de correcte cijfers doorgeven? Langs welke weg komen deze cijfers tot bij het Centrale Meldpunt (CMP)? Wat is de rol van het LOP hierin?
Voor wat betreft het doorgeven van de cijfers aan het CMP door de scholen is er de volgende werkwijze:
- scholen houden hun cijfers bij, die ze via hun respectieve programma’s (SOLAr, WISA, ..) doorgeven aan het CLB (-anker). Dit zijn ook de cijfers die door de verificatie worden gecontroleerd en waaraan de interventies van de leerlingenbegeleiding en de CLB-medewerkers worden opgehangen. Het CLB geeft op haar beurt via de spijbelregistratoren deze cijfers door aan het CMP.
- Spijbelregistratoren worden twee maal per jaar door het CMP bijeengeroepen voor overleg, informatie en communicatie.
- CMP verzamelt de cijfers en kijkt de cijfers na op ongerijmdheden ( vergelijking over de jaren, plotse stijging, daling). Indien er iets opvalt wordt de betreffende school gevraagd om te checken of de doorgegeven cijfers kloppen.
- De spijbelambtenaar overloopt, steeds samen met school, de cijfers bij het bespreken van de spijbelspiegel die door hen aangevraagd werd.
- Daarnaast plant de spijbelambtenaar regelmatig in zijn agenda om ad random gekozen scholen rechtstreeks te vragen naar hun cijfers. Die zet hij naast de doorgegeven cijfers als extra nazicht. (Hierdoor komen mechanische of menselijke fouten aan het licht).
- Er is door deze manier van werken de indicatie dat de cijfers zo goed als correct worden doorgegeven.
De Lop-deskundigen (vooral secundair) hebben overleg met het CMP en bespreken daar evoluties en bezorgheden. Beide LOP’s ervaren het CMP en de spijbelambtenaar als ‘het’ instrument om zowel de systemische opvolging als de opvolging van individuele zorgdossiers op te nemen. Het LOP neemt uiteraard de rol van bemiddelaar op wanneer een jongere dreigt zonder school te blijven.
Daarnaast wordt er ook gerapporteerd aan het vast bureau. Het LOP heeft geen (controlerende) rol m.b.t. de cijfers.
2. Is het mogelijk om een overzicht van deze spijbelspiegels van alle Antwerpse scholen te krijgen? Zijn er specifieke cijfers per buurt? Zo ja, graag een opdeling per postcode. Zijn er cijfers per scholengemeenschap?
De spiegel is ontwikkeld om scholen een zicht te geven op hun eigen resultaten en laat zich niet gebruiken om te vergelijken, ( Cfr. Doorlichtingsverslagen onderwijsinspectie) wat maakt dat ze tot op heden als dusdanig nooit in een overzicht op stads-, districts-, buurt of wijkniveau werden opgenomen. Spijbelspiegels voor alle scholen/vestigingen trekken en bundelen is in theorie wel mogelijk maar wel zeer tijdsintensief. (+/- 4 blz per vestiging), omdat elke spijbelspiegel apart getrokken moet worden.
3. Wat is volgens U de reden waarom wijken zoals Antwerpen-Noord, Borgerhout Intramuros en Deurne-Noord significant slechter scoren dan andere stadsdelen?
De redenen die door scholen en clb’s worden vastgesteld en ook in de presentatie door de spijbelambtenaar werden aangekaart, nl. het percentage kansarmoede, lagere kansen op de arbeidsmarkt, het percentage eenoudergezinnen, het percentage gezinnen met recente migratieachtergronden, … komen meer voor in de wijken/buurten waar de SES lager ligt dan het stadsgemiddelde.
Daarnaast zijn we voorzichtig met het trekken van spijbelcijfers op wijkniveau omdat ze ons dreigen te misleiden. Zeker voor het secundair onderwijs geldt dat de jongeren veelal niet in de buurt wonen van hun school. Wijkcijfers zeggen in zo een geval weinig. Een wijk die één of meerdere BSO scholen huisvest, wordt door deze meettechniek mogelijk onterecht geproblematiseerd .
4. Hoe worden jongeren gesensibiliseerd over de gevolgen van spijbelen? Hoe worden ouders concreet betrokken bij dit hele verhaal?
Scholen en CLB nemen zelf een belangrijke taak op in het sensibiliseren over de gevolgen van spijbelen. Ze worden op hun vraag hierbij ondersteund door het Algemeen Onderwijsbeleid.
Bijvoorbeeld: de spijbelambtenaar staat op vraag van de school voor de klas en bespreekt, geeft les op een interactieve manier over de gevolgen van spijbelen.
Bij begeleiding van scholen gaat ook veel aandacht naar communicatie met ouders.
5. Er is sprake van alternatieven voor zittenblijven. Welke zijn die alternatieven?
In het kader van Samen tot aan de Meet werd heel wat aandacht besteed aan alternatieven op zittenblijven. Het onderzoek werd samengebracht in 2 boeken:
Goedroen Juchtmans, Barbara Belfi, Bieke De Fraine, Mieke Goos, Heidi Knipprath, Anneloes Vandenbroucke, Bengt Verbeeck (Red.) – ‘ Samen tot aan de meet, alternatieven voor zittenblijven’, Antwerpen – Apeldoorn, Garant, 2011, 200 blz. (ISBN 978-90-441-2743-0)
Goedroen Juchtmans, Eva Franck, Katrien De Roover, Anneloes Vandenbroucke, Heidi Knipprath & Johan Huybrechts – ‘ Samen tot aan de meet, alternatieven voor zittenblijven, Inspiratieboek’, Antwerpen – Apeldoorn, Garant, 2012, 179 blz. (ISBN 978-90-441-2934-2)
De didactische en organisatorische onderwijsvernieuwingen die in de publicaties worden opgesomd zijn echter nooit een doel op zich, maar een middel ten dienste van het centrale, vooropgestelde doel: de leerloopbaan verrijken en versnellen en zo een groep leerlingen samenhouden i.p.v. leerlingen te laten overzitten.
De aparte alternatieven werken ook niet als ze niet structureel worden ingebed en niet hand in hand gaan met een zekere mentaliteitsverandering ten opzichte van zittenblijven en dus ten gronde t.o.v . diversiteit in onze leerlingenpopulatie.
Een greep uit de voorgestelde alternatieven.
Leefklimaat:
Investeren in een positieve leerkracht – leerling-relatie, investeren in ouderbetrokkenheid en
extra- curriculaire activiteiten
Organisatie: leerjaar overstijgende klassen, multi-jaarklassen, looping
Didactiek: differentiëren via coöperatief leren, peer tutoring,
Evaluatie: curriculum gebaseerde evaluatie via leerlingvolgsysteem
Additionele acties zoals inzetten op ICT, extra onderwijskundig personeel, student tutoring, kleinere klassen
6. In het rapport wordt gemeld dat kinderen van kansarme en eenoudergezinnen vaker spijbelen. Hoe wilt de stad deze gezinnen bereiken en ondersteunen? Of hoe wilt de stad de scholen stimuleren om deze gezinnen te bereiken en te ondersteunen?
Het algemeen onderwijsbeleid wil samen met haar partners inzetten op een brede sensibiliserende aanpak op alle terreinen en bij alle betrokkenen. Naast het stimuleren van ouders van kleuters om hun kind(eren) naar school te brengen en de ondersteuning en begeleiding van kleuterscholen willen we o.a. samen met het OCMW, Kind en gezin en het Huis van het Kind inzetten op de uitbouw van een ondersteuningsnetwerk om (kansarme) gezinnen te ondersteunen bij de onderwijsbegeleiding van hun kinderen.
In eerste instantie zorgen we ervoor dat verscheidene actoren (van scholen zelf tot CLB, OCMW, Kind&Gezin, Huis van het Kind,…) informatie aangereikt krijgen om adequaat te sensibiliseren. De stad neemt haar rol op als facilitator. De gesprekken met verschillende partners zijn lopende.
7. Welke stappen gaat de schepen ondernemen om ouders van leerplichtige kleuters en leerlingen van het eerste leerjaar te sensibiliseren? Welke rol kan de stad hierin spelen?
Volgende acties werden met de ORA en de CLB-directies besproken, goedgekeurd en worden nu stapsgewijze uitgerold met de stedelijke partners en de onderwijspartners.
Preventief
=> melding invoeren vanaf de eerste kleuterklas met het oog op gewoontevorming.
Doelgroep: onderwijsnetten en kleuterscholen
=> sensibiliseringsactie m.b.t. vroege participatie en (regelmatige) aanwezigheid
Doelgroep ouders ( nog verder te bespreken en te toetsen aan de middelen):
- In kinderopvang maximaal sensibiliseren m.b.t. regelmatige aanwezigheid in kleuteronderwijs.
Doelgroep professionals => Kinderverzorgsters / kleuteronderwijzers
=> drempelverlagende en ondersteunende acties
OCMW / Kind en gezin
- bespreken van betalingsopties voor doktersattesten voor leerplichtige kleuters,
- ondersteuningsnetwerk uitbouwen
Reactief => actie door school en CLB => rol CMP
Doelgroep ouders
Doelgroep professionals
8. De cijfers in het DBSO zijn alarmerend. Welke maatregelen ziet de schepen weggelegd om dit soort leerlingen beter naar de arbeidsmarkt te begeleiden? Welke rol ziet hij daarbij weggelegd voor de stad en andere actoren?
De spijbelcijfers in het DBSO zijn inderdaad onaanvaardbaar hoog. Het DBSO blijft de onderwijsvorm waarvoor jongeren te vaak kiezen vanuit een negatieve motivatie of waar ze ten gevolge van het watervaleffect terecht komen. Het voltijds engagement met de daaraan gekoppelde traject-mogelijkheden bieden een aanbod om aan de arbeids- en sociale vaardigheden van jongeren te werken. Met onze partners uit het regionaal overlegplatform wordt al enige tijd ingezet op de aansluiting tussen onderwijs en tewerkstelling voor leerlingen van het DBSO.
Enerzijds willen we door een betere trajectbegeleiding in het BSO de uitval daar verkleinen en zo de instroom in het DBSO van jongeren die er bij gebrek aan alternatief terechtkomen verminderen.
Anderzijds willen we de samenwerking met de VDAB in DBSO en BSO verder stroomlijnen om een succesvollere instroom naar de arbeidsmarkt te krijgen.
9. Hoe kunnen leerlingen uit het DBSO beter gemotiveerd worden? Welke projecten bestaan er nu om deze leerlingen meer praktijkgericht te onderwijzen?
Voor de centra deeltijds onderwijs moeten we blijven inzetten op systeemondersteuning zoals in ons Europees ‘Stay on track’ project, en op een goede implementatie van het spijbelactieplan. Met het ‘Stay on track’ project ( www.stayontrack.eu) werd in de schooljaren 2010- 2011-2012 in 4 Antwerpse centra voor DBSO een instrumentarium ontwikkeld om de begeleiding op school, op weg naar werk en op de werkplek te ondersteunen.
We volgen de scholen verder op en hopen dat de gezamenlijke inspanning vanaf dit schooljaar resultaat oplevert. Daarnaast blijven voor-, brug- en persoonlijke ontwikkelingstrajecten de instrumenten om leerlingen te ondersteunen.
10. Ook de cijfers van het OKAN zijn problematisch. Hoe kunnen deze leerlingen meer betrokken worden bij het onderwijs en hoe kunnen zij hun opgelopen achterstand inhalen?
Voor OKAN moet rekening gehouden worden met het kleine aantal leerlingen, anderzijds met de ‘ruis’ op de cijfers. OKAN-leerlingen bevinden zich dikwijls in erg precaire situaties op het vlak van verblijfsstatuut of inkomen. Ze blijven vaak langere periodes afwezig en schrijven zich ook niet altijd uit wanneer ze het land (moeten) verlaten. Scholen zetten (node) sterk in op verregaande individuele opvolging door hun eigen team omdat ze door taalproblematiek of door het ontbreken van geldige verblijfsdocumenten niet kunnen terugvallen op de bestaande ondersteuningsprojecten.
De leerlingen hebben een erg divers schools verleden. We hebben zowel te maken met jongeren die nauwelijks gealfabetiseerd zijn als met jongeren die een stevige schoolse loopbaan kunnen voorleggen. Voor elk van deze jongeren probeert de school na de OKAN-klas de jongeren door te verwijzen naar aangepast vervolgonderwijs of naar tewerkstelling. In het kader van ‘Samen tot aan de Meet’ werken we met OKAN-scholen samen om sterkere leertrajecten uit te bouwen en om demotivatie te vermijden.
11. Hoe evalueert U de monitoring en de aanpak van het problematisch spijbelen in en de daaruit voortvloeiende schooluitval in onze stad op de wijze zoals dit vandaag de dag gebeurt?
De monitoring (zoals in vraag 1 beschreven) is gebaseerd op gegevens die ook door Vlaanderen worden gebruikt om de aanwezigheid van leerlingen en de kwaliteit van de spijbelopvolging te controleren. De aanpak van het problematisch spijbelen met ons stedelijke spijbelactieplan en begeleidings- en opvolgingsnetwerk geldt als voorbeeld in Vlaanderen en zelfs in het buitenland ( Wenen installeerde naar Antwerps voorbeeld een spijbelambtenaar).
Ongekwalificeerde uitstroom kan ook niet louter aan spijbelen worden gelinkt. De problematiek van schooluitval is veel complexer. Zoals gesteld in het spijbelrapport is er bv. een duidelijke link met schoolse vertraging vast te stellen. Maar zelfs hier is het erg moeilijk om de juiste oorzaak-gevolg koppeling te maken. Vaak is er sprake van risicofactoren op de verschillende levensdomeinen van een jongere. Daarom is er niet alleen de focus op de jongere (en zijn gedrag), maar ook op de omgeving waarmee hij/ zij interageert. Spijbelgedrag en ongekwalificeerde schooluitval aanpakken is op zoek gaan naar oorzaken en oplossingen op die domeinen waar een jongere dreigt vast te lopen. Hoe sneller we kunnen interveniëren, hoe groter de kans op succes.
Het algemeen onderwijsbeleid zet samen met de stedelijke en niet-stedelijke partners, in de mate van het mogelijke, in op al de terreinen die hierin een rol spelen.
12. Welke middelen heeft de stad op dit moment om de engagementen van het bestuursakkoord in de praktijk te kunnen vertalen, welke instrumenten ontbreken er nog?
Het schoolbeleid en het opvolgingsbeleid rond spijbelen, gedragsproblemen e.d. was in het verleden vooral gefocust op de leerplichtige leerling. Momenteel wordt de basis gelegd voor een actieplan om ook de niet-leerplichtige leerlingen ( 2,5 tot 6 jarigen en de + 18 jarigen) sterker in een plan van aanpak te betrekken.
Hiervoor willen we een aangepast instrumentarium ontwikkelen en een breder ondersteuningsnetwerk samenbrengen. Het algemeen onderwijsbeleid heeft met het centraal meldpunt de knowhow om de regie hierover op te nemen.
Qua partnerschappen onderhandelen we met het OCMW om bv. sensibiliseringsacties naar ouders samen te voeren. Er is heel wat kennis die voorheen niet gedeeld werd.
Daarnaast stellen we vast dat scholen meer en meer gerichte ondersteuning/coaching vragen om een gepast schoolintern beleid te ontwikkelen alsook om de competenties van de leerkrachten te versterken in het omgaan met leerlingen die grensoverschrijdend gedrag stellen.
Om aan deze nood te blijven voldoen gaan we inzetten op een meer geïntegreerd aanbod, waarbij verschillende partners op maat van de school ondersteuning bieden om het beleidsvoerend vermogen van scholen op alle gebieden ( taal, ouderbetrokkenheid, aansluiting met buurt, link met arbeid, …) te versterken.
Vriendelijke groeten,
Claude Marinower,
schepen voor Onderwijs en Rechtszaken