In de gemeenteraad van januari 2013 deelde de schepen mee dat het stadspaleis museum Smidt van Gelder nooit meer een museum zal zijn maar dat het een publieke functie zou krijgen met op de benedenverdieping plaats voor horeca en boven kantoorruimtes.
In het collegebesluit 9277 van vrijdag 10 juli 2009 van de stad Antwerpen kan men het volgende lezen: “Om het patrimonium te valoriseren, is de optie om er zoals voorheen een museum te vestigen niet langer wenselijk. Een kwalitatief hoogstaande mix van bezoekersfaciliteiten zoals horeca en winkels, tentoonstellingsruimten, receptieve ruimten en/of kantoren, eventueel zelfs functies specifiek naar de behoeften van de buurt toe dat geëxploiteerd zou worden door derden, is wel een mogelijkheid. De hele of gedeeltelijke ontsluiting van de collectie Smidt van Gelder op de plek waarvoor ze bijeen werd gebracht, is eveneens een belangrijke randvoorwaarde. Niet alleen wordt hiermee de wens van Pieter Smidt van Gelder gerespecteerd. De stad geeft zo te kennen dat zij als goede huisvader met het haar toevertrouwde goed omspringt. Een belangrijk signaal naar andere mogelijke belangrijke schenkingen!”
De stad heeft de schenking aanvaard onder bepaalde voorwaarden. Naast enkele persoonlijke voorwaarden stelt het testament dat de begiftigde, de Stad Antwerpen, de eigendom de benaming zal geven van “Stedelijk Museum Smidt van Gelder” en als dusdanig met de geschonken kunstvoorwerpen zal benuttigen en toegankelijk stellen. Het doet de vraag rijzen wat er gedaan dient te worden met legaten waarbij aan de vastgelegde wederzijdse verplichtingen niet kan voldaan worden.
Met betrekking tot dit dossier heb ik volgende vragen:
Kan de schepen een overzicht bezorgen van de subsidies die het Museum Smidt van Gelder heeft ontvangen sinds zijn erkenning tot beschermd monument in 2002, per jaar, alsook de bestemming van deze middelen zowel voor het gebouw als voor de collectie?
Sinds de erkenning als beschermd monument (Vlaams gewest) in 2002 zijn er nooit subsidies toegekend, noch gevraagd voor het gebouw van het Museum Smidt van Gelder.
De collectie van het Museum Smidt van Gelder werd wel opgenomen in de erkenning (Vlaamse gemeenschap) van het “samenwerkingsverband kunstmusea” (Rubenshuis, Rubenianum, Museum Mayer van den Bergh). De subsidies komen ten goede aan heel het samenwerkingsverband en zijn niet specifiek voor deze collectie bestemd.
Wel was en is de goede zorg voor de collectie (registratie, conservatie, restauratie) die zich nu in het centrale depot van Musea en Erfgoed Antwerpen bevindt, een blijvend aandachtspunt. Daarnaast worden stukken van de collectie ook ontsloten voor het publiek, zowel in stedelijke musea (Rubenshuis, Vleeshuis…) als via tijdelijke bruiklenen (bv. aan het kasteel van Gaasbeek en de provincie Antwerpen).
Kan de schepen de inhoud van het legaat bezorgen waarin wordt meegedeeld of het gebouw en de collectie ondeelbaar zijn of niet?
De schenking van Pieter Smidt van Gelder is een onherroepelijke gift onder voorwaarden (akte van schenking bij leven 16/09/1949).
De voorwaarden gesteld aan de begiftigde (de stad) zijn:
De stad ging te rade bij Notaris Schoesetters.
In zijn advies van (30/03/2005) over de notariële akten van de schenking lezen we:
“Dit betekent dat de schenker in elk geval wenste dat zijn volledige verzameling in zijn geheel zou tentoongesteld worden; zoals deze is opgenomen in de inventaris.
De hiervoor onder punt 5 aangehaalde voorwaarde door de schenker in zijn voordeel bedongen, dient eveneens toegepast op de collectie, zodat deze ook in voorkomend geval onderdak zou moeten krijgen in een evenwaardig prestigieus pand waar ze in haar geheel en dus ondeelbaar kan tentoongesteld worden.
Wat het pand zelf betreft; indien dit niet meer zou voldoen aan de eisen van veiligheid, meen ik dat de Stad Antwerpen hier ter goeder trouw en als “goed huisvader” dient op te treden en beslissingen te nemen voor zover uiteraard vaststaat dat het gebouw niet meer geschikt is de functie als museum te vervullen.
Conclusie: de collectie kan gesplitst worden van het pand, maar blijft op zich ondeelbaar en dient in zijn geheel tentoongesteld te worden.”
Indien het stadspaleis Museum Smidt Van Gelder nooit meer een museum zal zijn, tegen de wil van de schenker in, welke gevolgen kan dit hebben voor deze schenking? Indien er geen maatregelen getroffen worden, is dit volgens de schepen geen gevaarlijk precedent naar andere mogelijke schenkingen in de toekomst?
Over een mogelijke betwisting over een niet correcte naleving van de voorwaarden gesteld door de schenker zegt Schoesetters:
“Ik meen dan ook te mogen concluderen dat indien erfgenamen de schenking zouden betwisten wegens niet naleven van de voorwaarden, mijns inziens ingevolge de aanstelling als algemene legateresse van de stad Antwerpen, dit toch een maat voor niets zou zijn, daar bij de onwaarschijnlijke herroeping der schenking de activa aan haar terug zouden toekomen onder de vorm van het Algemeen legaat.”
SZ/JUR sluit zich hier volledig bij aan (advies van 13/10/2005):
“De door schenker bedongen voorwaarde - nl. dat de stad initieel in geval van onbewoonbaarverklaring van het pand aan de nog levende schenker kosteloos een "passende woning" moest bezorgen "in verhouding tot zijn tegenwoordige maatschappelijke en financiële toestand" kan o.i. mutatis mutandis worden doorgetrokken tot de collectie zelf.”
Conclusie: De collectie en het gebouw blijken niet onlosmakelijk met elkaar verbonden. Wel blijft de collectie ondeelbaar. Daarnaast werden interpretaties gemaakt over het tentoonstellen van deze collectie.
Wat dient er te gebeuren met legaten indien er wordt afgeweken van de wil en het doel van het legaat, zoals bedoeld door de oorspronkelijke eigenaar? Indien de stad niet meer voldoet aan de voorwaarden, zoals vastgelegd in het legaat, dient de volledige eigendom en de collectie terug te keren naar de rechtmatige erfgenamen? Of kan dit uitbesteed worden aan mogelijke externe beheerders die wel de geest van het legaat kunnen respecteren en hiertoe de nodige financiële middelen aanbrengen?
Zie de interpretaties van in het bijzonder Notaris Schoesetters hierboven.
Beschikt het gebouw over voldoende fysieke draagkracht om er op permanente basis horecafaciliteiten en kantoorruimtes in te richten? In hoeverre zal de aanwezige erfgoedwaarde gerespecteerd en/of gevaloriseerd worden mocht er een nieuwe bestemming gegeven worden aan het gebouw?
Het gebouw beschikt in zijn huidige toestand niet over voldoende draagkracht.
Voor zowel een horecagelegenheid als kantoorgelegenheid dienen de vloeren bestand te zijn tegen een verticale belasting van 3 KN/m². (EN 1991-1-1)
Dit wordt in de huidige toestand op geen enkele plaats gehaald.
Het draagvermogen van de vloeren werd in 2002 verder onderzocht door het ingenieursbureau Guy Mouton, zowel op basis van het criterium sterkte als doorbuiging.
De sterkte van de bestaande roosteringen werd nagekeken – norm NBN ENV 1995. Volgende gebruiksbelastingen konden geconcludeerd worden :
· boven 0 gemiddeld ca. 2,0 KN/m²
· boven +1/2 gemiddeld 1,5 à 2 KN/m²
· boven +1 gemiddeld ca. 1,0 KN/m²
· boven +2 gemiddeld ca. 1,5 KN/m²
De minimale gebruiksbelasting van 2,0 KN/m² voor vloeren, wat uitsluitend een huishoudelijke en residentiële activiteit mogelijk maakt, werd niet in alle ruimten gehaald.
Indien de vloeren werden berekend op basis van het criteria doorbuiging waren de gehaalde gebruiksbelastingen nog ongunstiger.
Bovendien zijn de vloeren in hun huidige toestand mogelijk nog verder verzwakt (vocht, houtworm, zwam, …) en worden zelfs bovengenoemde waarden niet gehaald.
Verstevigingen van de vloeren zijn mogelijk. De uitvoeringswijze hiervan zou verder onderzocht moeten worden opdat de erfgoedwaarde van het gebouw gevrijwaard blijft.
Ophogen van vloeren impliceert aanpassingen van deuren en/of lambriseringen.Verstevigingen aan de onderzijde van de vloeren impliceert het zoeken naar oplossingen voor het behoud van de stucwerkplafonds.
Een nieuwe bestemming of valorisatie van het pand is mogelijk met behoud van de monumentale waarden van het gebouw, indien de gekozen bestemming aansluit bij de vroegere bestemming van het gebouw.
Mogelijke bestemmingen zouden kunnen zijn ontvangstruimten, receptieruimten, horecagelegenheid, kantoorfunctie, woonfunctie…
vr 24/05/2013 - 11:10